Uncategorized

Geen zondvloed aan dak- en thuislozen

Wednesday, February 6th, 2013

door: Susanne Moerkerk en Anne Gotink

Foto Roel Wijnants

Op 26 oktober brengen Leeuwarder Courant en NRC een stuk over het hoge aantal vluchtelingen bij Couvée en de druk die dat met zich meebrengt. De volgende dag kopt het ANP ‘Daklozenopvang kan mensenstroom niet aan’. Al snel volgen andere media:  ‘Daklozenopvang in problemen’, ‘Opvangcentra kunnen mensenstroom niet aan’,  ‘Daklozenopvang kan toestroom vluchtelingen niet aan’.

Couvée vergelijkt de situatie met de jaren negentig. Toen hadden de grote steden te maken met een groot aantal dak- en thuislozen.  Door de jaren heen hebben verschillende organisaties (gemeenten, Leger des Heils, CBS) een poging gedaan het aantal in beeld te brengen (er zijn zo’n 40 stichtingen die zich bezig houden met opvang). Het nadeel is dat ze allemaal een andere definitie gebruiken als het gaat om ‘daklozen’. Zo maakt het CBS verschil tussen mensen die een aanvraag doen voor een nacht of voor langdurige opvang (het gaat hierbij om unieke aanvragen, geen dubbeltellingen). Het Leger des Heils verwerkt in de cijfers ook de aanvragen voor psychische hulp en de gemeenten doen voornamelijk tellingen in koude winters als de daklozen (verplicht) in de opvang zitten.

Toch laten de cijfers een overeenkomende, dalende trend zien. Het CBS geeft aan dat er in 2003 65.000 dak- en thuislozen waren. In 2007 waren dit er 42.000 en in 2009 nog maar 35.000. De schattingen voor 2011 zijn dat 0,2% van de Nederlandse bevolking dak- of thuisloos is, wat neerkomt op 33.312 mensen  (op basis van 16.655.799 inwoners in 2011, CBS). De vier grote steden hebben tijdens de koude winter van ’11/’12 gemeten hoeveel daklozen een aanvraag deden voor een of meerdere nachten onderdak. Deze aantallen waren in alle vier de steden lager dan de winter hiervoor (pdf, figuur 1, pagina 11). In deze periode deden de politie en de gemeente zoveel mogelijk om daklozen in de opvang te laten slapen.

Permanent of nachtopvang

Het CBS heeft voor de cijfers van 2009 en 2011 een splitsing gemaakt tussen het aantal mensen dat op straat leeft en het aantal mensen dat in een opvang verblijft. Van de ongeveer 33.000 dak- en thuislozen bevinden er zich 18.000 permanent in een opvangcentrum. In 2009 waren dat er 17.500. Een lichte stijging over twee jaar.

Het aantal dak- en thuislozen daalt, terwijl het aantal in een opvang stijgt. Hoe is dit te verklaren? Hiervoor moeten we terug naar eind jaren negentig. De vier grote steden zijn toen samen met het Leger des Heils een project gestart om mensen van straat te halen. In de eerste fase van dit project (2006-2010) zijn actief 10.000 dak- en thuislozen van straat gehaald en begeleid naar een zelfdstandige woning, tot 2014 krijgen deze mensen nog begeleiding. Doordat de eerste fase is afgelopen, valt te verwachten dat het aantal dak- en thuislozen in 2011 iets hoger uit zal vallen dan in 2009.

Asielzoekers

Dominee Couvée van de Rotterdamse Pauluskerk dicht de stijging toe aan migranten zonder verblijfsvergunning. Dit is lastig te checken. De IND (Immigratie en Naturalisatiedienst) houdt vanaf 2009 digitaal bij hoeveel aanvragen er zijn gedaan en of deze zijn toegekend. Ieder jaar worden er ongeveer 10.000 aanvragen afgewezen. Deze mensen hebben drie opties. Een tweede aanvraag indienen, het land verlaten of de illegaliteit in. In het rapport (figuur 6, pagina 19) van de  vier grote steden is te lezen dat negen procent van de daklozen afgelopen winter dakloos is geworden na ontslag uit een instelling. Dit kunnen instellingen zijn van bijvoorbeeld de GGZ (geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg) maar ook asielzoekerscentra. Wel blijkt dat de ‘nieuwe daklozen’ (korter dan een jaar dakloos) vooral mensen zijn uit EU-landen, die geen asiel hoeven aan te vragen in Nederland als zij beschikken over een baan, een studie of voldoende middelen om een bestaan op te bouwen. Europese burgers vallen dus niet onder de noemer asielzoekers.

Gezinnen

Naast de ‘standaard’-groep dak- en thuislozen maken ook anderen gebruik van de diensten van opvangcentra. In een uitzending van EenVandaag is te zien dat steeds meer gezinnen door de crisis hun huis uit moeten en in een opvang belanden. Daarnaast ziet Johan Gortworst, directeur van Federatie Opvang, een andere trend. ‘Twee jaar geleden was er wel een stijging te zien bij de zogenaamde Moelanders: de Midden- en Oost-Europeanen, die een groeiend beroep deden op dagopvang. Maar dat is dus enkel de dagopvang, en het ging maar om 2 of 3 procent, alweer zo’n twee jaar geleden.’

Reactie Leger des Heils en Federatie Opvang

Nieuwscheckers sprak met Gerrie van den Berg van het Leger des Heils. Zij kon ons niets vertellen over de aantallen asielzoekers in de opvang, ook wist zij niet zeker of we wel kunnen spreken van een toename: ‘We zien altijd pieken en dalen in het aantal daklozen en vooral ook veel variaties in de afkomst van de daklozen, maar dat wisselt te veel om er iets concreets over te kunnen zeggen.’

Ook Federatie Opvang zag geen duidelijke stijging in het aantal opvangaanvragen. Gortworst: ‘Omdat de cijfers van het aantal daklozen maar eens per jaar worden verzameld, kun je niet zomaar een stijging traceren. Bij ons zijn er in ieder geval geen signalen en getallen dat het aantal heel erg aan het toenemen is. Daarnaast zijn de aanwezige cijfers nooit compleet: niet alle daklozen worden geregistreerd, want niet iedere dakloze meldt zich bij de gemeente.’

Al zou er werkelijk een stijging zijn, dan kan Gortworst zich niet voorstellen dat deze stijging te wijten is aan uitgeprocedeerde asielzoekers. ‘Uitgeprocedeerden komen amper in de opvang terecht, omdat zij officieel helemaal niet in de opvang mogen komen. Alleen wanneer er een speciale situatie is, bijvoorbeeld in geval van medische noodzaak. En dat is bijna nooit.’ Hij ziet wel in dat er in de ogen van Couvée sprake kan zijn van een stijging: ‘De Pauluskerk is een speciaal geval: Deze wordt deels door kerkelijke fondsen en deels door de gemeente gesponsord. Daardoor kunnen zij meer mensen toelaten en is het logisch dat het aantal bij hen toeneemt.’

Conclusie

Voor zover de cijfers uitkomst bieden is er over de jaren heen een daling te zien in het aantal dak- en thuislozen in Nederland. Daarnaast is er wel een toename te zien in opvangcentra waaronder veel gezinnen die door de crisis uit huis worden gezet. Het totale aantal dak- en thuislozen is gedaald, wat dat betreft heeft dominee Couvée geen gelijk.

Aan de andere kant zien we een lichte stijging in de opvang, maar die zou met het tweede deel van het opvangproject moeten gaan dalen. Nieuwscheckers kan concluderen dat Couvée mogelijk bij zijn eigen opvang een stijging ziet in het aantal asielzoekers, maar dat hij dat niet kan generaliseren naar andere steden. Dominee Couvée wilde geen commentaar leveren.

Lexa, maar niet als het om cijfers gaat

Friday, October 12th, 2012

door: Ellen Nieuwenhuijze en Cigdem Yuksel

‘Lexa, als het om daten gaat.’ Lexa gebruikt die slogan niet zomaar. ’1 op de 5 relaties start via online dating’, kopt De Telegraaf op 17 september en ook Nu.nl brengt het enthousiast: 21 procent van de relaties in Nederland start vanuit de luie stoel met de laptop op schoot. Dat blijkt uit onderzoek door Maurice de Hond in opdracht van Lexa.nl. Lexa maakt daar graag reclame mee, maar wil de cijfers niet laten controleren: Nieuwscheckers kreeg geen inzage in de vragen en antwoorden.

Het is niet de eerste keer dat Lexa naar buiten komt met twijfelachtige cijfers over online dating. Zo onderzochten de factcheckers van Nrc.next in hoeverre de bewering van Lexa klopt dat Nederland 2,3 miljoen singles zou tellen. Zij beoordeelden deze bewering als onwaar. In een ander bericht wordt Lexa ervan beschuldigd te sjoemelen met cijfers en zich succesvoller voor te doen dan het bedrijf eigenlijk is.

Nog meer twijfels

Ook bij het bericht uit De Telegraaf is het de vraag of de feiten kloppen. Nieuwscheckers vroeg het onderzoeksrapport op bij Lexa.nl, maar kreeg van de woordvoerster te horen dat Lexa dit niet naar buiten wil brengen. Mag dat wel? Hoewel Lexa en Maurice de Hond niet aangesloten zijn bij de brancheorganisatie MOA (Markt Onderzoek Associatie), vroeg Newscheckers MOA-ombudsman Lex Olivier om een reactie. “Lexa conformeert zich niet aan de aanbevelingen van de MOA over het publiceren van een onderzoek”, aldus Olivier. Volgens de MOA zijn bedrijven verplicht om bij het uitsturen van een persbericht een onderzoekskader mee te sturen. Zowel aan de externe media als de interne persdiensten.

Na een tweede telefoontje wil de woordvoerster wel een aantal vragen per mail beantwoorden. De vragenlijst is afgenomen via online panel www.peil.nl, “met een representatieve sample van Nederlandse mannen en vrouwen tussen 18 en 55 jaar.” 6543 mensen reageerden.

Vage antwoorden

Haar overige antwoorden zijn vaag. Op de vraag hoeveel respondenten ooit online hebben gedate, geeft de woordvoerster alleen aan hoeveel van de single respondenten nu online daten: 23%. Maar hoeveel single respondenten deden mee aan het onderzoek? En op de vraag: ‘Hoeveel procent van de respondenten is klant bij Lexa?’, wordt helemaal geen antwoord gegeven, “omdat het een beursgenoteerd bedrijf is.” De cijfers blijven vaag en nietszeggend zonder het rapport. Door gebrek aan transparantie en controleerbare informatie van Lexa moeten we andere bronnen gebruiken om de bewering te checken.

Schaarse bronnen

De zoektocht naar andere onderzoeken en onderzoekers op het gebied van online dating begint. Beide blijken schaars, vooral in Nederland. Er is nog niet veel onderzoek naar het fenomeen online dating gedaan en als het al gedaan is, dan is het vaak uitgevoerd door een online datingssite. Hetzelfde geldt voor experts.

Een onderzoek van Nederlandse bodem is uitgevoerd door het magazine Bruid & Bruidegom. Dit kwam in 2010 tot de conclusie dat 14,8 procent van de bruidsparen elkaar via internet had leren kennen. Uit een onderzoek van het CBS uit 2008 onder samenwonende paren blijkt dat acht procent elkaar via het internet heeft leren kennen. Beide cijfers zeggen helaas niets over het aantal relaties, maar ze geven een indicatie.

Amerikaans onderzoek

In de Verenigde Staten wordt er meer onderzoek gedaan naar online dating. Begin dit jaar werd een grootschalig onderzoek afgerond, waarvan de conclusies verschenen in het tijdschrift Psychological Science in the Public Interest. Van de deelnemers die hun partners tussen 2007 en 2009 ontmoetten, had 22 procent van de heteroseksuele koppels elkaar via internet leren kennen. Dit maakt internet de op een na beste manier om een partner te ontmoeten. Op één staat een ontmoeting via vrienden.

Conclusie

Als je kijkt naar Amerikaans onderzoek, dan zou de bewering van Lexa.nl kunnen kloppen. 22 procent van de Amerikaanse stelletjes had elkaar via internet leren kennen. Het is alleen lastig te zeggen in hoeverre Nederlanders en Amerikanen te vergelijken zijn op het gebied van online dating. Ook het weinige Nederlandse onderzoek wees in de richting van twintig procent, beide onderzoeken waren al iets ouder en alleen gehouden onder getrouwde en samenwonende mensen. Dus het cijfer wordt omhoog geschroefd als je mensen die niet samenwonen maar wel een relatie hebben ook meetelt.

Omdat Lexa wel reclame maakt met aantrekkelijke succespercentages, maar geen inzage geeft in de onderbouwing daarvan, zijn de twijfels bij Nieuwscheckers echter verre van verdwenen.

De journalist van nu.nl die het persbericht van Lexa bewerkte tot nieuwsbericht, heft niet gereageerd op vragen.

Sneller sterven in Lelystad

Tuesday, December 21st, 2010

Door: Marieke Voorn en Marleen van Wesel

Als vrouw kun je maar beter niet in Lelystad wonen. Het sterftecijfer onder Lelystadse vrouwen ligt namelijk maar liefst 17 procent hoger dan in de rest van het land, zo meldde de NOS op 28 oktober 2010.  Roken, overgewicht en diabetes zijn de boosdoeners, volgens de NOS. Maar leven de vrouwen in Lelystad echt zo ongezond? En hoe zit het dan met de mannen?

Naast de NOS berichtten ook landelijke media als De Telegraaf, Nu.nl, De Pers en Hart van Nederland over het hoge sterftecijfe, evenals de Krant van Flevoland, Flevopost en Omroep Flevoland.

Volgens een analyse van de sterftecijfers en een bijbehorend adviesrapport, beide van de GGD Flevoland, lag het sterftecijfer van Lelystadse vrouwen vorig  jaar nog ‘slechts’ 13 procent  boven het landelijk gemiddelde. De stijging naar 17 procent zou dus pas afgelopen jaar gebeurd zijn. “Nee, dat klopt niet”, zegt Nienke Blokker van de GGD Flevoland. “Beide getallen zijn tot stand gekomen over een periode van drie jaar.” Is er een aanwijsbare oorzaak voor de vier procent stijging? Blokker: “We hebben hier geen verklaring voor.”

Lager sterftecijfer

Volgens tabellen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ligt het relatieve sterftecijfer van Nederlandse vrouwen op 8,3 en van Nederlandse mannen op 8,0. In Lelystad ligt het cijfer bij vrouwen op 6,2 en bij mannen op 6,5. Dit cijfer geeft het aantal overledenen per duizend van de gemiddelde bevolking weer. Het sterftecijfer onder Lelystadse vrouwen zou volgens het CBS dus zelfs lager liggen dan onder vrouwen uit heel Nederland. Een medewerker van het CBS bevestigde dit: “Het sterftecijfer van Lelystad, zowel voor mannen als voor vrouwen, ligt al jaren onder het landelijk gemiddelde.”

Of toch hoger

De onderzoekers van de GGD Flevoland plukten de cijfers echter niet uit de lucht. Uit de eerder genoemde analyse blijkt dat zij geen gebruik maakten van sterftecijfers, zoals de media meldden, maar van de Standardized Mortality Ratio (SMR). “Deze is gebaseerd op de ruwe sterftecijfers die ook door het CBS worden gebruikt, welke weer zijn gebaseerd op de doodsoorzakenformulieren die door artsen worden ingevuld bij overlijden”, zegt de GGD Flevoland. “ De SMR betreft het toepassen van de leeftijd- en geslachtspecifieke sterftekansen van de standaardpopulatie, in ons geval Nederland, op de bevolking van de gemeente.”

Met dit cijfer als maat scoren Lelystadse vrouwen inderdaad opvallend hoger dan het landelijk gemiddelde.

Oorzaken

Een van de belangrijkste oorzaken van het grote verschil in SMR is roken. Volgens epidemioloog dr. Anton Kunst, verbonden aan het AMC, zijn maatregelen tegen roken altijd goed. “Roken is namelijk de belangrijkste vermijdbare oorzaak van voortijdige sterfte.” Maar of een antirookcampagine kan helpen het hoge sterftecijfer onder Lelystadse vrouwen terug te dringen betwijfelt hij. “Vooral oudere Lelystadse vrouwen roken meer dan hun leeftijdsgenoten uit de rest van Nederland. Wat hun betreft is het kwaad eigenlijk al geschied. Maatregelen zullen het sterftecijfer niet veel meer beïnvloeden.”

Maatregelen die jongere vrouwen aangaan, kunnen meer invloed hebben, maar volgens Kunst is het verschil tussen rokende jongere vrouwen in Lelystad en de rest van Nederland niet zo groot.

Verschil tussen mannen en vrouwen

Anton Kunst heeft wel een vermoeden waarom het verschil tussen Lelystadse mannen en mannen uit heel Nederland veel kleiner is: “Zeker vroeger was roken onder vrouwen een ander verschijnsel dan onder mannen. Bij vrouwen stond het voor emancipatie. Hoe dit precies in Lelystad zat, is eigenlijk voer voor historici. Dit kan echter het hoge aantal vrouwelijke rokers op leeftijd verklaren.” Voor de GGD heeft geen zin om verder onderzoek te doen naar de mannen. “Juist omdat ze niet afwijken van Nederland.”

“Voor rokers is longkanker natuurlijk een belangrijke doodsoorzaak. Bovendien komt longkanker onder niet-rokende vrouwen meer voor dan onder niet-rokende mannen. Mogelijk vergroot dat het verschil tussen Lelystadse mannen en vrouwen nog iets,” vult oncoloog Peter Kunst aan, tevens verbonden aan het AMC.

Maatregelen

In gezondheidsmaatregelen ziet Peter Kunst wel wat. Hij wijst daarbij vooral op Lelystadse vrouwen tussen 45 en 55 jaar. “In deze leeftijdscategorie bevinden zich relatief gezien minder rokers dan in de rest van Nederland, maar wél meer zware rokers. Wanneer deze zware rokers stoppen, levert dat nog een substantiële gezondheidswinst op. Niet alleen verkleint dat de kans op longkanker, maar ook op andere aandoeningen.”

De Gemeente Lelystad wil 50.000 euro investeren in maatregelen om oorzaken als roken, overgewicht en diabetes te verminderen en een gezondere levensstijl te bevorderen.  Een bedrag dat voor algemene voorlichting nuttig is om de 17 procent in de toekomst naar beneden te krijgen. Maar het komt te laat voor de meeste oudere Lelystadse vrouwen die aan longkanker zullen overlijden.

Roze licht verjaagt geen jongeren

Wednesday, June 23rd, 2010
Door: Kimberly Camu 

Bron: Stéfan, Flickr

Het leek een oplossing voor het hangjongerenprobleem: roze lampen ophangen die pukkels en acne extra goed zichtbaar maken, waardoor jongeren  liever niet in dit licht verblijven. Hier zou volgens De Telegraaf , Nu.nl en het AD  onderzoek naar worden gedaan door het Centrum Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).  Maar dat doet het CCV niet:Dit middel zou het probleem verplaatsen in plaats van oplossen.” In Engeland verlieten jongeren hun hangplek toen daar roze lampen waren opgehangen, maar  het is nooit aangetoond dat het licht daar de oorzaak van was.

Volgens persvoorlichter Francie van de Beek van het CCV heeft De Telegraaf zaken uit hun verband gerukt: “Daarna werden we gebeld door meerdere journalisten om te vragen waar ze die roze lichten konden gaan filmen, maar we moesten ze teleurstellen: ze zijn er niet en zullen ook niet voorkomen in onze pilots, die deze zomer zullen lopen. Dit middel zou jongeren wegjagen en het probleem verplaatsen in plaats van oplossen.” 

Geen onderzoek

Voorafgaande aan deze experimenten heeft het CCV een literatuuronderzoek uitgevoerd. Dit wees uit dat het efffect van roze licht nooit wetenchappelijk is vastgesteld.  Koen van ’t Hof, die heeft meegewerkt aan dit deel van het onderzoek: “We hebben gekeken naar literatuur over allerlei experimenten met zintuigbeïnvloeding, maar er bestaat geen onderzoek naar de effecten van het roze licht.”  

Het huidige onderzoek van het CCV zal zich richten op positieve effecten van zintuigbeïnvloeding. Van ’t Hof: “Er zal onderzoek worden gedaan in de publieke ruimte, bijvoorbeeld in winkelstraten die ’s nachts verlaten zijn, in parkeergarages en op stations. Het doel is om de beleving van deze plekken te verbeteren door middel van licht, geur of geluid.” Van ’t Hof zegt dat er binnen dit kader geen onderzoek gedaan zal worden naar het repressieve effecten van zintuigbeïnvloeding, zoals het roze licht of de Mosquito (een apparaat waar hoge pieptonen uit komen), maar dat dit wel interessant is voor een vervolgonderzoek.

Resultaten van het huidige onderzoek zijn er al wel, bijvoorbeeld dat klassieke muziek stress kan wegnemen en dat een bepaalde geur mensen kan aanzetten om beter schoon te maken. Bij het testen van effecten van zintuigbeïnvloeding in de publieke ruimte moet je echter rekening houden met de complexiteit van de omgeving, aldus Van ’t Hof. “Er zijn veel verschillende factoren die de beleving van het publieke domein beïnvloeden. Dat maakt een goede effectmeting lastig. Een laboratoriumsetting zou dat probleem ondervangen, maar zo’n setting heeft een andere dynamiek dan de publieke ruimte. We zullen dus goed moeten nadenken over hoe we straks in de pilots zo goed mogelijk de effecten van zintuigbeïnvloeding kunnen vaststellen.” Om te voorkomen dat de pilots worden beïnvloed door de media, wil het CCV hier echter nog niet meer over kwijt. Voorlichter Van de Beek: “Eind van het jaar worden de resultaten bekend gemaakt en dan willen we er graag met journalisten over praten.”

English Yobs

De Telegraaf wijst op het succes van het roze licht in Engeland. In dat land is inderdaad met het licht geëxperimenteerd, maar dat gebeurde maar op één plek, in een wijk in Mansfield (Nottinghamshire). Naderhand waren de reacties van de buurtbewoners niet even positief, zoals bijvoorbeeld naar voren komt in een artikel van the Guardian. Hoewel de plek waar de lichten hingen nu hangjongerenvrij was, was de sfeer niet verbeterd en door de negatieve typering van de jongeren in de media (‘English yobs’, oftewel Engelse aso’s) waren zij zelf niet bereid om te praten.

Het roze licht verplaatste het probleem alleen maar: de hangjongeren waren er nog steeds, ze waren alleen naar een andere plek getrokken. Toen aan het comité dat de lichten had geïnstalleerd gevraagd werd of ze de £1.750 niet beter in een jeugdcentrum hadden kunnen investeren, bekenden ze dat ze niet aan dit alternatief gedacht hadden.

Reactie Telegraaf, AD & Nu.nl

De Telegraaf bracht op drie mei het verhaal dat er onderzoek zou worden gedaan naar het roze licht en dat dit een succes was in Engeland, maar wilde geen commentaar geven. Nieuwschef Roel den Outer: “Wij doen niet mee aan factchecken.” Het AD wilde wel een reactie geven: “De kop ‘Roze verjaagt jongeren’ is pakkend, maar de rest van het verhaal nuanceert het beeld dat daardoor wordt opgeroepen. Dus als je je feitelijk aan de tekst houdt, staat er niets verkeerds in.”

Op Nu.nl is het bericht ook verschenen, maar hier ging het volgens de redactie om, ‘een eindproduct van Novum’. de redactie van Nu.nl gaat ervan uit dat Novum ’artikelen levert die publicabel zijn en waar geen fouten in staan’. Arno Hendriks, auteur van het artikel van Novum, gaf tekst en uitleg: “Strikt genomen heb ik het bericht toegeschreven aan De Telegraaf, want ik kon op de website van het CCV niets vinden over het roze licht. Maar mijn artikel verdient geen schoonheidsprijs. Voortaan zal ik wat voorzichtiger zijn met berichten die van De Telegraaf komen.”

Ardi voorbeeld van oppervlakkig populariseren

Sunday, January 3rd, 2010

Door Anna Tuenter

ArdiWe hebben een nieuwe oermoeder! Op twee oktober stelde de Amerikaanse paleontoloog Tim White de wereldbevolking voor aan haar oudste voorouder. Deze Ardipithecus ramidus, liefkozend Ardi genoemd, leefde zo’n 4,4 miljoen jaar geleden in Ethiopië. De kranten namen het wereldwijd klakkeloos over. Ook Joep Engels doet op 2 oktober in Trouw jubelend verhaal van de fantastische vondst die de menselijke bestaansgeschiedenis plotseling met meer dan een miljoen jaar zou verlengen. Evolutie is populair, journalisten doen er graag uitspraak over zonder dat ze verstand van zaken hebben. In hoeverre kan de lezer de werkelijke feiten dan nog isoleren uit het gepopulariseerde verhaal?

Archeoloog en hoogleraar aan de Berkeley University Tim White publiceerde zijn eerste vondsten van Ardi al in 1992 in Nature. De overblijfselen van deze vrouwelijke primaat waren in een zodanig slechte staat dat White zijn uitspraken deed aan de hand van een aantal tanden en wat armbotten. In 1994 stelde hij een heel team aan paleontologen samen om in 15 jaar Ardi’s skelet bij elkaar te zoeken en te reconstrueren. Begin november dit jaar publiceerde White binnen een aantal dagen zijn nieuwe bevindingen in 11 artikelen in Science. Dit zette de wereld op zijn kop.

Nederlandse kranten zoals de Volkskrant en Trouw namen het nieuws klakkeloos over. Joep Engels schreef in Trouw dat door de recente ontdekkingen de bestaansgeschiedenis van de mens moet worden herzien en met meer dan een miljoen jaar wordt verlengd.

John de Vos, evolutiespecialist en vooraanstaand paleontoloog, is het hier niet mee eens. ‘De nieuwe vondsten ondersteunen juist dat Ardi veel meer op de miljoen jaar jongere ‘Lucy’ lijkt, en dus op ons als moderne mens, dan White in 1994 beweerde. Ardi is volgens White namelijk verder geëvolueerd dan haar tanden in eerste instantie deden vermoeden. Ook doet de opponeerbare grote teen sterker dan verwacht denken aan die van mensapen.’

Volgens De Vos betekent dat Ardi juist jónger is dan ze eerst geschat werd. ‘Onze bestaansgeschiedenis wordt dus niet verlengd, maar eigenlijk juist verkort. Al klinkt dat natuurlijk minder spectaculair.’

Een kritische journalist zou vraagtekens zetten bij een aantal aspecten van White’s onderzoek. Waarom heeft het bijvoorbeeld meer dan vijftien jaar geduurd voordat deze paleontoloog met nieuwe resultaten kwam? In 2002 gaf Tim White zelf toe dat de schedel, maar vooral het bekken, van Ardi in uiterst slechte staat waren. De paleontoloog voorspelde toen al dat het nog vele jaren zou duren voordat het weer, millimeter voor millimeter, gereconstrueerd kon worden. Laat nou net het bekken cruciaal zijn voor hoe een organisme zich voortbeweegt, dus is geëvolueerd. In hoeverre is deze reconstructie subjectief geweest, afhankelijk van interpretatie?

Joep Engels geeft achteraf toe dat hij dit niet heeft nagetrokken. Hij heeft een aantal artikelen van White doorgelezen, maar niet uitgebreid bestudeerd. ‘De insteek was een kort en toegankelijk artikel te schrijven voor de lezer. Voor nuances en kritische noten was geen tijd’, aldus Engels.

2009 is het jaar van Darwin, van de evolutie. Er wordt uitgebreid geschreven over dit onderwerp: de lezer wil weten wie onze primair handelende voorouders waren en wat zij zoal deden. Als journalist is het makkelijk om vrij oppervlakkig in de evolutieleer te duiken. Snel een lijn door onze ontwikkeling trekken, daar een tijdlijn naast leggen en overhaaste conclusies trekken. Het willen vastleggen van onze evolutie is al nattevingerwerk, door het populariseren ervan verdwijnt het zicht op de feiten al helemaal.

Media gissen naar uitgaven Sint

Thursday, December 17th, 2009

 Door Marc van der Geest en Erik de Jong

Omdat Sint Nicolaas over alles praat behalve zijn spaarboekje, speculeren de media er gretig op los. Elk jaar zijn de economische redacties druk doende met het inventariseren en voorspellen van de uitgaven die worden gedaan uit naam van de goedheiligman. Dit jaar echter zorgde het Spaanse beroepsgeheim voor extra trammelant: koopt de Sint nu meer of minder? En zijn de cadeaus nu duurder of goedkoper? Drie verschillende nieuwsmedia kwamen tot drie zeer uiteenlopende conclusies.

Op 30 november, een kleine week voordat de Sint-hysterie losbarst, zien verschillende voorspellingen het licht. Zo vertelt de NOS  dat het volume gelijkt blijft, maar goedkopere cadeaus de voorkeur hebben. Parool, Telegraaf en Haarlems Dagblad daarentegen koppen dat het aantal presentjes minder wordt, maar juist iets duurder. BN de Stem doet er nog een schepje bovenop door te stellen dat de Sint sowieso meer uitgeeft –ondanks de crisis.

hamleys3In het artikel Winkeliers bang voor ‘crisis-Sinterklaas’ schrijft NOS-verslaggever Jeroen Schutijser dat de omzet ten opzichte van vorig jaar zo’n zeven à acht procent zal dalen. Dat komt doordat door de economische malaise de Nederlanders misschien even veel cadeaus kopen, maar er minder geld aan uitgeven.’ Schutijser baseert zich op verwachtingen van Detailhandel Nederland die op zijn beurt een prognose maakt aan de hand van MKB- en GWB-omzetverwachtingen. Yvonne Fernhout, persvoorlichtster van Detailhandel Nederland: ‘Aanvankelijk verwachtten we een toename van 450 miljoen euro op de wekelijkse omzet, maar dat hebben we bijgesteld naar 490, ongeveer het niveau van vorig jaar.’

Geen opwindautootjes, maar een op afstand bestuurbare

Prima, denk je dan, de immer gulle Sinterklaas doet het een jaartje rustig aan; een noodgedwongen gevolg van de niemand ontziende crisis. Maar wanneer je vervolgens een willekeurige krantensite bezoekt – variërend van Parool, Telegraaf, Volkskrant, Elsevier, RTL Nieuws, en de rest van de overvolle krantenbak van 30 november – word je bekogeld met het onverenigbare: hulpsinterklazen kopen namelijk niet evenveel en goedkoper, maar juist minder en duurder. In plaats van twee opwindautootjes één op afstand bestuurbare dus.

Dit contrasterende geluid komt uit de rekenkamers van ING, die onder ongeveer 64.000 klanten een nogal rammelend onderzoek verrichtte naar het verwachte uitgavenpatroon van Sinterklaasvierders. Onderzoek, zo stelt half berichtgevend Nederland, maar na wat simpel speurwerk blijkt dat het gaat om een internetpoll, die voor het gemak is opgedeeld in diverse delen en is uitgevoerd op verschillende dagen.

De vraag van vrijdag luidde: Hoeveel sinterklaassinterklaascadeau01cadeaus koopt u dit jaar?’, waarop een derde van de ondervraagden aangaf minder breed uit te pakken dan vorig jaar. De vraag van zondag ging in op de portemonnee van Sinterklaas’, namelijk: Hoeveel geeft u dit jaar in totaal uit aan cadeaus voor Sinterklaas?’, en leidde tot de conclusie dat er evenveel zou worden uitgegeven als in 2008. Doe die twee antwoorden in de mixer en je krijgt er een hapklaar antwoord uit: de consument koopt minder, maar duurdere cadeaus’.

Het ANP stuurde het ING-onderzoek door naar de kransinterklaascadeau02ten, die op hun beurt het artikel zonder al te veel poespas overnamen. In elk stuk komt het ING-peilinkje pertinent naar voren, maar niemand die de moeite nam het uit te zoeken. Een onderzoek dat bestaat uit deelvragen die op verschillende dagen als poll gepresenteerd worden, en daardoor uit verschillende respondentengroepen bestond? De ANP-schrijfster van het bewuste stukje vertelt desgevraagd dat ze wel degelijk heeft gebeld met de verantwoordelijke ING-econoom:  Hij heeft elke bewering toegelicht. Het lijkt mij stug dat dat dus gebaseerd is geweest op twee vragen, dan kom je niet aan zoveel antwoorden. Maar ik heb dat niet expliciet gevraagd.’ Wel draagt ze ter verdediging van het ANP aan dat er, naast het ING-bericht, zowel cijfers van de detailhandel als gegevens van pintransacties naar buiten zijn gebracht.

Een beetje van dit vermenigvuldigd met een beetje van dat

In vergelijking met de tamelijk sombere berichtgeving van de hierboven genoemde bladen, is BN/De Stem in een onvervalste jubelstemming: Sint blijkt in crisistijd extra gul kopt het dagblad, eveneens op 30 november. Verwachtingsvolle kindjes hebben niks te klagen: volgens het artikel laten hun hulpsinterklazende ouders de betaalkaarten dit jaar lustig wapperen. Het bedrijf Equense, dat pin- en creditcardbetalingen registreert, verwacht hogere girale betalingen dan in het vorige crisisjaar door de extra koopdag’ die mensen dit jaar tot hun beschikking hebben – de goedheiligman verjaart immers op zaterdag in plaats van op vrijdag. Dit alles ondanks een lager gemiddeld gepind bedrag per transactie.

Bij navraag blijkt dat het bericht afkomstig is van Gert van Harskamp bij de Geassocieerde Pers Diensten. Op zijn beurt verwijst hij inderdaad naar Equense als bron voor zijn optimistische boodschap. We besluiten zelf eens contact op te nemen met de financiële transactiemoloch (97% marktaandeel in Nederland) en worden na vijf doorverwijzingen te woord gestaan door voorlichter Marcel Woutersen. Woutersen weet ons te vertellen dat ze weliswaar het aantal transacties bijhouden maar niet het gemiddeld gepinde bedrag. Daarvoor moeten we bij Currence zijn, merkeigenaar van o.a. PIN en iDeal. Drie keer doorverbinden en een terugbelnotitie later krijgen we te horen dat Currence helemaal geen cijfers verstrekt aan wie dan ook – behálve aan Equense. Gemiddelde PIN-bedragen hebben ze wel op de website staan, maar alleen per maand en tot oktober.

Volslagen in de war bellen we terug naar Van Harskamp, die de zaak alsnog uit de doeken doet: inderdaad, hij heeft de cijfers van Equense genomen, die vermenigvuldigd met de meest recente cijfers die Currence op de website heeft staan en zo een hard cijfer bij elkaar gegoocheld. Zelf geeft hij toe dat dat uiteindelijke cijfer een ‘benadering’ is, gebaseerd op een ‘trend’, aangezien meer recente cijfers niet beschikbaar waren. Weliswaar is de trend dat oktober- en decemberuitgaven over de afgelopen jaren hetzelfde patroon vertonen, maar toch: het gemiddelde pinbedrag over de laatste twee weken voor Sinterklaas vervangen door dat over de gehele maand oktober is niet de meest betrouwbare manier om aan Sintcijfers te komen. De vraag is wat de uiteindelijke resultaten nog waard zijn na het nemen van zoveel vrijheid in de berekening.

Drie verschillende berekeningen, drie compleet verschillende voorspellingen. Waar de een kiest voor de verwachte omzet van de detailhandel, gaat de ander aan de wandel met vluchtige cijfers van de koperskant, om het nog maar niet te hebben over de toename van het totaal gepinde transactiebedrag. Welk medium het overigens bij het goede eind had, zullen we voorlopig nog niet weten. Yvonne Fernhout van Detailhandel Nederland: De precieze berekeningen laten nog even op zich wachten, die zijn pas over twee maanden binnen.’

Onderzoek naar vertrouwen maakt wantrouwig

Tuesday, December 15th, 2009

Door Ilse Geijsel en Hans Klis

Slechts vier van de tien Nederlanders worden vertrouwd, zo bleek in oktober uit de ‘Nationale Vertrouwensmonitor’. Marktonderzoeksbureau Winkle voerde het onderzoek uit voor verzekeraar Arag. Dat Winkle twijfelachtige methodes gebruikt om vertrouwen te berekenen, nemen redacteuren van regionale kranten graag voor lief. ‘Echt serieus moeten we het niet nemen.’

Het idee voor de Vertrouwensmonitor komt uit de koker van reclamebureau Lemz, dat een campagne opzette voor verzekeraar Arag. ‘Arag geeft en helpt vertrouwen te herstellen’, aldus Wendeline Sassen, strategic planner bij Lemz.

Onderzoeksbureau Winkle presenteerde het landelijke vertrouwensonderzoek op 6 oktober 2009. Voor de Nationale Vertrouwensmonitor  vulden 1456 Nederlanders boven de 18 ondervraagd een online vragenlijst in. Zij waren afkomstig van twee online panels: PlanetPanel van MSI-ACI Europe en Opinieplein van SSL. Per provincie werden er minimaal 120 (60 mannen en 60 vrouwen) mensen ondervraagd, zodat Winkle ook op provinciaal niveau uitspraken kon doen over vertrouwen.

Toch roept het onderzoek vragen op. Zo kunnen er vraagtekens worden gezet bij de wijze waarop sommige berekeningen zijn uitgevoerd. Ook laten de enquêtevragen ruimte over voor onduidelijkheid. Wat wordt precies bedoeld met: ‘Hoeveel procent van de mensen in een winkelstraat vertrouwt u?’ Vertrouwen de panelleden op winkelend publiek bijvoorbeeld om even op hun spullen te letten, of op hun kinderen? En heeft het zin om mensen te vragen of zij hun spullen onbewaakt op een strand achterlaten als men iets wil beweren over onderling vertrouwen?

Geen nulmeting

Reclamemaakster Sassen is zich bewust van zwakke plekken in het onderzoek. ‘Ik kan me voorstellen dat het een onderzoek is dat kritisch bekeken wordt.’ Zo is de uitkomst van vier-uit-tien ‘niet vergeleken met wetenschappelijke literatuur’ om te kijken of dit aantal normaal is of juist uitzonderlijk. Ook kan de conclusie in het rapport dat er sprake is van een ‘neerwaartse trend’ in het algehele vertrouwen over de afgelopen vijf jaar niet geverifieerd worden. ‘Er is geen nulmeting gedaan’, geeft Sassen toe. Deze neerwaartse trend betreft bovendien de perceptie van de ondervraagden. Een uiterst subjectief en beïnvloedbaar gegeven dus.

vertrouwenHoe ver kan een Nederlander een tennisbal gooien?

Sociaal psycholoog Joop van der Pligt van de Universiteit van Amsterdam zet vraagtekens bij de wijze waarop Winkle aan zijn de conclusies komt.  De ondervraagden kregen de volgende vraag voorgeschoteld: ‘Hoeveel procent van de mensen in een winkelstraat vertrouwt u?’ Zij konden dan aangeven of dat 0, 10, 25, 33, 50, 66, 75 of 100 was. Van der Pligt: ‘De schaalverdeling vind ik heel maf. Gaan ze ineens 90% eruit laten, dat vind ik wel heel slordig, het is een eerste vereiste dat je het een beetje netjes doet. Die schaalverdeling moet symmetrisch zijn. Je probeert evenveel de lage en hoge kant zo symmetrisch mogelijk te representeren. Het lijkt wel op onderzoeken waarin men vraagt: “Wat vindt u van ons product: redelijk, prachtig, het allermooiste op aarde of hemels?” Wat moet ik ermee?’

De wijze waarop Winkle vervolgens doorrekent met deze getallen is onverantwoord. Om op het uiteindelijke ‘38,2% van alle mensen wordt vertrouwd’ uit te komen, gaat Winkle als volgt te werk: wanneer 15,7% van de ondervraagden 10% van de mensen in een winkelstraat vertrouwt, maken zij 1,6% uit van het totaal van 38,2% (0,157 x 10 is afgerond 1,6 procent). Van der Pligt: ‘Dit soort omrekeningen vind ik echt gekunsteld. Het kan wel. Maar die 16,6% van de mensen die niemand vertrouwt, drukt het gemiddelde natuurlijk enorm.’ Van der Pligt verduidelijkt: ‘Stel dat je onderzoek doet naar hoe ver een Nederlander een tennisbal kan gooien en 1% gooit hem 100 meter. Dan ga je op basis van die uitkomsten concluderen dat de gemiddelde Nederlander die tennisbal 38,2 meter ver gooit. Dat is wat zij proberen te doen.” Beter zou het volgens Van der Pligt zijn om dichter bij de oorspronkelijke respons te blijven. ‘Door bijvoorbeeld te zeggen dat x procent meer of minder dan de helft van alle mensen in de straat vertrouwt.’

De pers wil een vette quote 

In een reactie vertelt Hans Lingeman, directeur van onderzoeksbureau Winkle, dat de niet-symmetrische schaal het gevolg is van een foutje in het onderzoek. “Als je eenmaal een fout maakt moet je hem consistent blijven maken. Vanaf toen moesten we deze schaal hanteren, anders konden we de uitkomsten niet meer met elkaar vergelijken.”

‘Het is zeker geen perfect onderzoek’, geeft Lingeman toe. ‘Het is ons eerste onderzoek naar vertrouwen in Nederland en alle opbouwende kritiek is welkom. Volgens mij wordt je van kritiek alleen maar beter.’

Lingeman staat wel achter de conclusies die zijn onderzoekt trekt. Zo is er volgens hem geen sprake van een vertekening door de mensen die zeggen niemand of bijna niemand te vertrouwen.  ‘Ik had het onderzoek absoluut niet gepubliceerd, als ik er geen goed gevoel bij had gehad of als ik het niet gecontroleerd had met de vraag “Wie vertrouwt u?”

Uit deze andere vraag uit het onderzoek blijkt dat slechts 41% van de ondervraagden onbekenden vertrouwt. Toch is dit een andere vraag dan die van de winkelstraat, aangezien de proefpersonen op deze vraag wel 61% van de mensen uit de straat of hun buurt vertrouwen. ‘Ik geloof zeker dat het beter kan door die ene percentage-categorie toe te voegen, maar ik geloof niet dat je daar heel veel andere uitkomsten van gekregen had.’

Over de wijze waarop het rapport komt op de 38,2% vertrouwen, zegt Lingeman: ‘We hebben gewoon wetenschappelijke methoden gebruikt in het onderzoek, het is geen rare berekening om te maken. Rapporteren dat een bepaald percentage meer of minder dan 50% van de mensen vertrouwt, is natuurlijk wel veel zuiverder, maar het reclamebureau wil een duidelijke quote, een kopregel, en dat is vaak waar journalisten ook behoefte aan hebben. Als ik normaal gesproken marktonderzoek zou rapporteren, dus niet in de pers, dan staat er niet zo’n kopregel. Als je de burger niet zo’n quote zou geven, zou niemand het begrijpen wat je bedoelt.’

Lingeman incasseert kritiek op zijn onderzoek, maar deelt die ook uit: ‘Ik was er wel verbaasd over dat journalisten het onderzoek klakkeloos overnamen, dat er eigenlijk bijna geen inhoudelijke vragen gesteld werden.’ De journalisten die het nieuws brachten hebben dus ook steken laten vallen.

Een stukje infotainment

Berichten over de Vertrouwensmonitor waren vooral te vinden op internet. Zo publiceerden onder andere Sp!ts, de Telegraaf en enkele economische websites een nieuwsbericht. Vooral regionale dagbladen plaatsten artikelen naar aanleiding van het rapport. De reden? Winkle heeft ook aparte gegevens over de twaalf provincies en daarmee wordt het rapport regionaal nieuws. Koppen als: ‘Onderzoek: Gelderlanders vol vertrouwen’ en ‘Onderzoek: tweederde vertrouwt mensen op straat niet – Flevolanders worstelen met vertrouwen’ sierden de kranten. In deze berichtgeving werd vooral gefocused op de conclusie van Winkle en het vertrouwen in de provincie.

De Stentor (Dagblad Flevoland), Tubantia en de Leeuwarder Courant plaatsen alledrie een artikeltje waarin het over het vertrouwen van respectievelijk de Flevolander, de Gelderlander en de Fries gaat.

De journalist van de Stentor heeft het artikel bewust een paar dagen op de plank laten liggen, want ‘echt serieus moeten we het niet nemen’. De reden om het uiteindelijk toch te plaatsen was dat het toch leuk was om te lezen voor de Flevolanders. Iets soortgelijks vindt ook de journalist van Tubantia. Hij meent het in het artikel duidelijk te hebben gemaakt dat het hier niet ging om een representatief onderzoek door het aantal respondenten te vermelden.

De journalist van de Leeuwarder Courant meende echter dat het hier weliswaar niet om een wetenschappelijk onderzoek ging, maar dat het wel indicatief was. ‘Het rapport geeft wel een beeld. 131 respondenten voor Friesland is wel degelijk een groot aantal.’

Conclusie

Nieuwscheckers concludeert dat de journalisten in kwestie hapklare quotes hebben overgenomen en het rapport niet zelf hebben gelezen. En dan is de Vertrouwensmonitor ook nog eens een voorbeeld van een rapport waar niet de meest ingewikkelde berekeningen in staan. Vervolgens geven twee van de drie journalisten die het bericht brachten ook toe dat zij het rapport niet al te serieus namen. Toch brengen ze liever een stukje infotainment dan er kritisch of simpelweg niet over te berichten.

‘DEZE FOTO IS IN SCÈNE GEZET!!!’

Thursday, October 8th, 2009

Foto Stijn Rademaker

Door Rypke Bakker en Hanneke Nagtzaam

Op 8 augustus publiceert Trouw in het katern De Verdieping een indrukwekkend interview met Sanne Jansen (naam gefingeerd), die in haar jeugd ernstig mishandeld is door haar verstandelijk gehandicapte ouders. Op internet niet te zien, maar in de papieren krant paginagroot: een foto van een meisje onder de blauwe plekken. Ze zit in een badkuip. In de foto staat de kop: ‘Kind van verstandelijk gehandicapte ouders’. De lezer kan bijna niet anders dan concluderen dat dit een foto is van een mishandeld  kind. Maar de foto is in scène gezet. En dat vermeldt Trouw niet.

De foto van het meisje met de blauwe plekken is een montagefoto, aldus een tip die Nieuwscheckers vorige week kreeg.  Stijn Rademaker, de fotograaf, bevestigt het:  ’Het is een foto die ik lange tijd geleden heb gemaakt van mijn dochter. Zij komt nog wel eens thuis met blauwe plekken, opgelopen bij het buitenspelen. Ik heb deze foto bewerkt door er nog wat blauwe plekken bij te fotoshoppen. Hij is dus niet specifiek voor het artikel gemaakt. Trouw zal hem gebruikt hebben omdat het vrijwel onmogelijk is om aan beeldmateriaal te komen van mishandelde kinderen.’

Trouw heeft de foto rechtstreeks gedownload uit het online archief van bureau Hollandse Hoogte, het agentschap van Rademaker. Medewerker Fleur Pastoors legt uit: ‘Grote klanten zoals Trouw kunnen direct beelden bij ons downloaden, er is dus geen contact tussen medium en fotograaf. De kranten zijn vervolgens zelf verantwoordelijk voor zowel de content als het bijschrift.’

‘Ik heb er zelfs uitroeptekens achter gezet’
Op deze archieffoto dus geen kind van gehandicapte ouders, maar de dochter van de fotograaf. Rademaker: ‘Dit is geen echte foto en dit staat er ook heel duidelijk bij vermeld in de caps als je hem downloadt. Ik heb er zelfs uitroeptekens achter gezet. Dat Trouw dit niet heeft vermeld, is absoluut niet goed. Een goede redactie moet altijd eerlijk zijn over de gebruikte beelden. Op het origineel is wel een klein stukje van het gezicht van mijn dochter te zien, op de foto in de krant niet. Wellicht dat Trouw vond dat de foto daardoor anoniem genoeg is om er niet bij te vermelden dat het een montagefoto betreft.’

Zo staat de foto in de database van Hollandse Hoogte

Zo staat de foto in de database van Hollandse Hoogte

Het was tegenover de lezer netter geweest om te vermelden dat de foto in scène is gezet, vindt ook Louis Zaal, directeur van Hollandse Hoogte.  ‘De media zijn zelf verantwoordelijk voor het gedownloade beeldmateriaal, maar we houden de publicaties wel in de gaten.  Wat die echt niet kan, maar wel voorkomt, zijn gevallen waarin de foto buiten de context is geplaatst terwijl er herkenbare personen op zijn afgebeeld. Een voorbeeld hiervan is een foto van dansende mensen in een disco, waarbij vervolgens het onderschrift “toename drugsgebruik in discotheken” wordt geplaatst. Omdat de foto van Stijn Rademaker nadrukkelijk gemaakt is om anoniem gebruikt te worden, vind ik dit geval niet heel erg.’

Op het randje
Dit geval bevindt zich dus op het randje van wat wel en niet kan. Het is daarmee representatief voor de actuele discussie over digitale manipulatie. In welke mate mag een journalist een foto in scène zetten? In welke mate mag een krant zo’n foto als werkelijkheid presenteren? Op fora als dejournalist.nl (sinds kort opgegaan in VillaMedia) wordt er veel over gediscussieerd. Deze discussie gaat met name over de categorie nieuwsfoto’s, terwijl de foto waar het in dit artikel om gaat meer een illustratie is.

‘Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn’
Maar nieuwsfoto of illustratie: dat het altijd moet worden vermeld indien het om een montagefoto gaat, daar lijkt geen discussie over te bestaan. Ellie Speet, secretaris van de sectie Fotojournalisten van de NVJ, vindt het aanvaardbaar dat er in dit geval een montagefoto is gebruikt: ‘Soms is een bepaald beeld niet voorradig en dan kan je inderdaad een geënsceneerd beeld plaatsen. Dit moet je er echter wel altijd bijzetten: de lezer moet een foto goed kunnen plaatsen. De lezer wil en mag niet bedot worden.’

Ook Rob Hoen, chef van de fotoredactie van Trouw, is hier resoluut over. ‘Er is hier een fout gemaakt. Normaal gesproken zetten wij het er altijd bij. Kijk, fotografen maken sowieso een reconstructie van de werkelijkheid. Het kader, de kleur en het perspectief zijn allemaal elementen die het beeld dat de lezer krijgt beïnvloeden. Door blauwe plekken op een foto te shoppen, manipuleer je dit beeld van de werkelijkheid nog veel meer. Daarom was het netter geweest als het erbij was vermeld. Anders vraagt de lezer zich af “Hoe komen ze aan die foto?” Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn.’

‘Iedereen zat fout’
Voor sommigen gaat de discussie nog verder. Zo is bijvoorbeeld Eduard de Kam, docent aan het Nederlands Instituut Digitale Fotografie, een fel tegenstander van beeldmanipulatie in welke vorm dan ook. ‘Ik vind eigenlijk dat in deze zaak iedereen fout heeft gehandeld. De fotograaf door iets te maken dat niet echt is. Het bureau door dit materiaal als foto op te nemen in het archief. En de krant door niet op te letten wat er bij de foto stond of die informatie niet aan de lezers door te geven, ook al is dat nauwelijks zinvol volgens mij. De mensen die de krant lezen zien de “foto” en wat je er ook bijschrijft, de indruk van echtheid die een foto nu eenmaal wekt blijft bestaan.’

Flirt, muurbloem of ijskoningin? Leuke weetjes voor aan de bar

Friday, June 19th, 2009

Door Manja Herrebrugh

Waar je tegenwoordig allemaal al niet op moet letten. Volgens nieuwsberichten op Nu.nl en NOS Headlines – teletekst kun je iemands persoonlijkheid aflezen aan de manier waarop diegene zijn glas vasthoudt. Als je wilt weten of die leuke knul of dame een flirt, een muurbloem, een ijskoningin, een roddeltante, een lolbroek, een playboy, een braller of een haantje is – de persoonlijkheidstypen die in de studie naar voren kwamen – hoef je dus alleen nog even een drankje te bestellen en te checken hoe hij of zij het in zijn handen houdt. Typisch. Nieuwscheckers dook in de wereld van commercieel psychologisch onderzoek.

Acht types
De studie werd vooral in de Engelstalige media groots uit de doeken gedaan. De BBC, de Daily Mail, Yahoo, maar ook het Canadese Macleans en de Australische Sunday Herald Sun berichtten over het onderzoek, dat werd uitgevoerd door een gerespecteerd psycholoog, dr. Glenn Wilson. Hij ontdekte de net genoemde acht persoonlijkheidstypen en bespreekt die in detail. Zo drinkt de ‘braller’ bijvoorbeeld cider of een flesje bier, en zet hij zijn glazen ver van zich vandaan om voor zichzelf zoveel mogelijk ruimte te creëren. De ‘flirt’ is meestal een vrouw, die haar glas losjes vasthoudt en er op een uitdagende manier mee speelt. Wilson geeft zelfs tips om bepaalde types te benaderen: zo heb je bij de lolbroek de meeste kans met een luchtig gesprek waarmee je hem of haar aan het lachen maakt. Acht types mensen die allemaal op een andere manier hun glas vasthouden dus.

De BBC zette er een verhelderend plaatje bij.
De Daily Mail maakte het nog aansprekender door aan elk type een foto van een celebrity te koppelen.

Daily Mail

Een interessant en grappig bericht dus, en begrijpelijk dat Nederlandse media dit overnemen. Maar hoe kwam Wilson op het idee voor dit onderzoek? Aha: dat werd hem aangereikt door  Walkabout Bars,  een keten van Australisch aangeklede bars in Engeland. Ze bieden een fastfoodmenu compleet met kangoeroeburger en  fungeren in de late uurtjes ook vaak als dansgelegenheid. Met hun naam op de website van de BBC hebben ze de ‘advertentiekosten’ van het onderzoek er waarschijnlijk al driedubbel uitgehaald.

Commercie
Hoe zag dat onderzoek er nu eigenlijk uit? Na enige tijd speuren op het wereldwijde web lukte het Nieuwscheckers echter maar niet om de originele publicatie te vinden. Een antwoord van Wilson zelf verklaarde een hoop: er was geen publicatie, alleen een persbericht voor Walkabout Bars, uitgegeven door het pr-bureau Van Communications.  Wilsons antwoord op vragen over de uitvoering van het onderzoek was kort: ‘Sorry, not doing any more media work on this topic. ’ Misschien voorzag hij dezelfde problemen als in 2005, toen hij zich had laten strikken voor een reclamecampagne van printerfabrikant HP. E-mails schaden je intelligentie, was toen de boodschap.  Ook in dit geval werd het onderzoek alleen openbaar gemaakt als persbericht.  Wilson werd de kritische vragen hierover beu en noemde de actie zelfs  ‘the bane of my life’.

Het uitgebreidste verslag over de drinkerstypen was te vinden op de website van Van Communications zelf:  het ging om een studie onder 500 ‘mensen in barren’ over heel Groot-Britannië. Ook werd vermeld dat Wilson het onderzoek had uitgevoerd voor de Walkabout Bars ‘om beter begrip te krijgen van hun klanten’. Van Communications kan, net als Walkabout, tevreden zijn: twee van hun doelstellingen zijn ‘de pers halen’ en ‘mensen over merken laten praten’.

Persoonlijkheid
Nu Wilson niets loslaat en er ook geen verslag blijkt te zijn, kijken we eerst eens goed naar onszelf: hebben wij ons drankje altijd op dezelfde manier vast? Verschilt dat niet per avond – of per soort drankje, of misschien wel per hoeveel drankjes er aan het betreffende drankje zijn vooraf gegaan? We geloven steeds minder van het onderzoek,  maar bellen voor de zekerheid nog met dr.  Reinout de Vries, psycholoog en onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Klinkt het onderzoek van Wilson aannemelijk? De Vries denkt van niet: ‘Nee, die lijken me niet plausibel. Er is geen bewijs voor het bestaan van persoonlijkheidstypen.’ Hij legt uit dat mensen wel op een bepaalde manier van elkaar verschillen omdat ze in een aantal persoonlijkheidsdimensies van elkaar verschillen.

Persoonlijkheidsdimensies? Dat spreekt wel wat minder tot de verbeelding dan persoonlijkheidstypes. De Vries maakt verklaart: ‘Het bekendste model is het Big Five model, dat uitgaat van vijf persoonlijkheidsdimensies. Maar recent onderzoek toont aan dat er zes (en niet meer dan zes) algemene persoonlijkheidsdimensies onderscheiden kunnen worden, namelijk: Extraversie, Verdraagzaamheid, Conscientieusheid, Emotionaliteit, Openheid voor ervaringen en Integriteit.’

Ook psycholoog en onderzoeker aan de universiteit van Leiden dr. Hans Knegtmans heeft geen vertrouwen in de wetenschappelijke kwaliteiten van het onderzoek. Hij kent Glenn Wilson als een leerling van de beroemde ‘en in sommige kringen beruchte’ Hans Eysenck: ‘Dat is een persoonlijkheidspsycholoog, en ik heb in mijn branche geleerd met enige scepsis (en nu zeg ik het heel vriendelijk!) de tienduizenden indelingen in persoonlijkheidstypes te interpreteren die in de loop van ruim een eeuw ontwikkeld zijn. Op een paar uitzonderingen na zijn ze weinig valide en de meeste kunnen nauwelijks de regelmatigheden van het sociale menselijke gedrag verklaren.’

De Vries kan zich wel voorstellen dat er een verband bestaat tussen hoe iemand zijn glas vasthoudt en zijn of haar persoonlijkheid, maar denkt dat de relatie hiertussen niet al te sterk zal zijn: ‘Mensen zullen in verschillende situaties verschillend hun glas of flesje vasthouden.’

Nederland
Waarom plaatsen media dit soort berichten, terwijl het eigenlijk een veredelde vorm van reclame is, en er niet eens een goed onderzoek gedaan is? Chef van NOS Headlines, Gerard de Kloet, acht het bericht geoorloofd omdat het in de nieuwscategorie van opvallende zaken en gekke berichten geplaatst was. Het is immers ‘gewoon een leuk weetje dat een psycholoog op deze manier naar persoonlijkheidstypes kijkt.’

Hij vindt ook dat we het bericht niet te serieus moeten nemen, en dat we te veel achter het ‘cursiefje’ zoeken: ‘We zeggen niet dat het hier om een groot onderzoek gaat. Juist omdat we alleen het feitje leuk vinden, melden we ook niet meer dan dat een psycholoog dit beweert bij de BBC, niets meer, niets minder. We claimen ook niet dat er een diepgravend onderzoek is geweest, dat laten we bewust in het midden, juist omdat dit triviale nieuwtjes zijn.’ De NOS kiest er bewust voor alleen naar de uitspraken van Wilson te verwijzen, en dus niet naar het onderzoek. Aan het commentaar van de psychologen heeft De Kloet geen boodschap: ‘Psychologie is natuurlijk ook erg veel interpretatie. Voor iedere bewering van een psycholoog kun je genoeg anderen vinden die het tegenovergestelde beweren.’

Pauline van Lintel, journalist voor Nu.nl en schrijver van het nieuwsbericht op de betreffende website laat helaas weten geen commentaar te geven.

In de Nederlandse berichtgeving is, in tegenstelling tot de Engelse berichtgeving, de naam Walkabout Bars weggelaten. De NOS meldt dit bewust te doen, juist omdat dat reclame zou zijn. Dit is toch tenminste paradoxaal te noemen: de ‘advertentie’ leeft verder zonder zijn doel.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes