pedagogiek

Een beetje ‘streng’ is niet schadelijk voor kindergebit

Monday, November 14th, 2016

door: Marieke Nieuwstraten en Anne Wielenga

‘Hoe positiever de opvoedstijl, hoe gezonder het kindergebit’. Althans, dat suggereerde RTL nieuws op 10 september 2016 met het artikel ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders’. Zijn deze beweringen juist of overdreven klikken-triggers? Nieuwscheckers concludeert dat het woord ‘streng’ uit zijn verband is gehaald.

Het nieuwsbericht van RTL is gebaseerd op het proefschrift ‘Just Add Positivity? Dental Caries, Obesity And Problem Behaviour In Children: The Role Of Parents And Family Relations’. Maddelon de Jong-Lenters analyseerde daarin, in samenwerking met onderzoeksbureau TNO, video-opnames van de interactie tussen het kind en een van de ouders. In totaal zijn de ouders van 54 kinderen tussen de vijf en acht jaar getest: 28 kinderen met vier of meer gaatjes en 26 kinderen zonder gaatjes.

Generalisatie
RTL suggereert dat veel kinderen met een slecht gebit strenge ouders hebben. Dit begint al in de kop: ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders.’ Om hoe veel kinderen het gaat en in welke leeftijdscategorie zij zitten, is dan nog niet duidelijk. In de derde alinea is dan te lezen dat het onderzoek is gedaan met vijf- tot achtjarigen. Het totaal aantal vijf- tot achtjarigen in Nederland bedroeg volgens het CBS in mei 743.328. Een groep van 54 kinderen lijkt dan erg klein.

Hoogleraar Methodologie en Statistiek Mark de Rooij (Universiteit Leiden) bevestigt dit: “Het is een kleine groep, 54 kinderen. Niet een mooie steekproef van alle kinderen in Nederland, de generaliseerbaarheid is dan niet gelijk vanzelfsprekend.” Verderop in het RTL-artikel staat: ‘Heeft jouw kind een gezond gebit? Dan geef jij hem of haar vast veel complimentjes.’ Onderzoekster De Jong-Lenters vertelt Nieuwscheckers dat zij dit nooit zo heeft gezegd. “RTL heeft het mij nooit laten teruglezen. Je mag natuurlijk nooit op die manier generaliseren. Het geldt nooit voor iedereen en het is natuurlijk een gemiddelde dat je onderzoekt.”  De proef toont volgens De Jong-Lenters slechts een verband aan. Het ene is niet per se een gevolg van het andere en de volgende stap is om te onderzoeken of de uitkomsten bij een groter vervolgonderzoek hetzelfde zullen zijn.

Streng of positieve opvoedstijl?
Ook in de conclusie van het onderzoek valt iets op. In plaats van ‘vaak strenge ouders’ of ouders die ‘strenger’ zijn, is het vaak een combinatie van factoren die ervoor kunnen zorgen dat kinderen gaatjes hebben. Zo staat er in het laatste hoofdstuk van het proefschrift dat, naast de manier van disciplineren van de ouder, ook de warmte die een ouder geeft aan een kind een rol speelt bij de ontwikkeling van gaatjes. Bij de uitslagen van de video-analyses is ook te lezen dat kinderen zonder gaatjes ook een hogere score hadden op positieve betrokkenheid, aanmoediging, probleemoplossing en relatie. Het zegt dus dat kinderen van ouders die hun kind positief opvoeden minder kans hebben op gaatjes en niet iets over dat andere ouders meteen ‘strenger’ zijn.

“Een positieve opvoedstijl heeft altijd direct of indirect wel invloed op het hele gedrag”, licht universitair docent Gezinspedagogiek Shelley van der Veek (Universiteit Leiden) toe. “De manier van opvoeden is van belang, maar het temperament van het kind speelt ook een rol, dus hoe iemand reageert op iets.” Daarnaast is sociaal-economische status van belang, wat overigens ook in het proefschrift staat beschreven.

Wat is streng?
Dan is er een andere vraag: wat is streng en hoe meet je dat? Een ‘getrainde onderzoeker’ bekeek en beoordeelde interactie tussen het kind en de ouders tijdens het uitvoeren van een aantal simpele taken, zoals samen iets leuks bedenken om te doen in het weekend. Onder andere de criteria ‘dwingend disciplineren’ en ‘discipline’ werden beoordeeld door deze onderzoeker. De mate van ‘dwingend disciplineren’ verschilde in de twee groepen, de mate van discipline week niet duidelijk af. Dit gaat over het aangeven van grenzen, consistentie en een duidelijke manier van aanwijzingen geven aan het kind. Dit is weer een nuanceverschil dat niet duidelijk wordt omschreven in het artikel.

“Streng is niet hetzelfde als consequent zijn”, legt De Jong-Lenters uit. “Als je benadrukt wat je wel wilt zien in plaats van wat je niet wilt zien, merk je dat het slechte gedrag uitdooft.” Het woord ‘streng’ in het artikel is dus niet per se hetzelfde als wat er in de conclusie van het proefschrift wordt besproken.

Wie test wie?
In het persbericht van de UvA staat daarnaast het volgende: ‘In haar kindertandartspraktijk viel het De Jong-Lenters op dat de ouders van kinderen met flinke gebitsproblemen hun kinderen vaak net iets anders benaderen dan andere ouders dat doen.’ In dezelfde doorverwijspraktijk werd de testgroep samengesteld. Is het mogelijk dat de onderzoekster misschien bewust of onbewust de kinderen en hun ouders die volgens haar al ander gedrag vertoonden, uitkoos? De onderzoekster is daar niet bang voor. “Alle kinderen met vier of meer gaatjes in de praktijk zijn gevraagd. Ik denk zelfs dat de mensen die mee hebben gedaan relatief beter deden dan de mensen die niet mee wilden doen. Het verschil zou dan denk ik nog duidelijker zijn geworden.” Bovendien wisten degenen die de video’s moesten beoordelen niet wie er in de onderzoeksgroep (met gaatjes) en in de controlegroep (zonder gaatjes) zaten.

Opvoedadvies van een opvoedkundige
Pedagoge Van der Veek was eerst wat sceptisch over het onderzoek, toen zij het nieuwsbericht las: “Maar toen ik het proefschrift beter ging lezen, werd ik steeds meer overtuigd van de kwaliteit. De methode die ze heeft gebruikt, het analyseren van videobeelden, is een goede manier om de opvoedstijl te meten. Vaak wordt dit alleen met vragenlijsten onderzocht, maar je kunt daarmee moeilijk meten hoe een ouder is in de  interactie met zijn kind. Dus ik vind dit goed gedaan.”

Maar bij een ding zet zij haar vraagtekens. In het artikel wordt door De Jong-Lenters een advies gegeven aan ouders: ‘Zeg nooit meer nee tegen kinderen. Vragen ze om een snoepje? Zeg dan: ‘Ja lekker hè! Dat mag je straks, na het eten.’ Vaak hoor je een kind er dan de hele middag niet meer over. Dit opvoedadvies is volgens Van der Veek onzin. “Het zou best kunnen dat je kinderen dan de hele middag niet meer over dat snoepje hoort, maar dat je nooit meer nee mag zeggen tegen kinderen is onzin. Nooit meer nee zeggen staat niet gelijk aan een positieve opvoedstijl. Dat is iets anders. Je moet als ouder vooral sensitief zijn, op de juiste manier reageren. Dit betekent echter niet dat je kinderen altijd hun zin moet geven, je moet vooral consequent zijn.  Ik vind deze uitspraak dus te kort door de bocht en uit zijn verband getrokken door RTL nieuws. Het is wel zo dat het vaak helpt om een alternatief te bieden, maar kinderen moeten ook gewoon leren wat ze wel en niet mogen.”

RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om commentaar.

Conclusie
Nieuwscheckers concludeert dat het artikel geen nonsens is, maar een verhaal zonder nuance. Zo is de steekproef te klein en niet divers genoeg om te generaliseren. Daarnaast is het vaak een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat kinderen gaatjes krijgen. Wat betreft het voorkomen van gaatjes, geeft zowel de tandheelkundige als de pedagoge aan dat consequentie op nummer één staat. Of dat onder de noemer ‘streng’ kan worden geschaard, is wellicht een kwestie van persoonlijke voorkeur.

Foto: Sean Donohue (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Groot hoofd zegt weinig over intellect baby

Tuesday, October 11th, 2016

door: Jamie Schemkes en Marlies Vording

“Baby’s met een groot hoofd zijn later echt slimmer”, kopte Metro Nieuws op 19 september 2016. Gevolgd door een geruststellende alinea waarin wordt uitgelegd dat mensen gelijk hebben, wanneer ze stellen dat ze een groot hoofd hebben door de enorme hoeveelheid hersenen die erin huist. Een nieuw Brits onderzoek zou namelijk uitwijzen dat baby’s met een groter hoofd een succesvolle toekomst tegemoet gaan. In ieder geval succesvoller dan kinderen met een klein exemplaar. Onjuist, concludeert Nieuwscheckers.

Het artikel van Metro Nieuws is gebaseerd op een onderzoek van the University of Edinburgh in samenwerking met de UK Biobank. Het onderzoeksteam heeft data van zo’n 100.000 mensen uit de UK Biobank gebruikt om de genomen van proefpersonen naast hun scores op cognitieve testen te leggen. “We ontdekten dat sommige eigenschappen die gelinkt zijn aan cognitieve vaardigheden een genetische overlap hebben met bepaalde lichamelijke en mentale ziektes. Maar ook dat cognitieve vaardigheden genetische overlap hebben met grootte van het brein, lichaamsmaten en opleidingsniveau”, aldus hoofdonderzoeker Ian Deary van de Universiteit van Edinburgh.

Succesvollere toekomst?

Volgens Metro Nieuws is ‘het nieuwe bewijs zelfs zo sterk dat de experts zeggen dat ze binnenkort aan het DNA van een baby kunnen zien of het later naar de universiteit zal gaan of niet’. Die beweringen zijn echter noch terug te vinden in het persbericht van de Universiteit van Edinburgh, noch in het onderzoek zelf. Nieuwscheckers legde het bericht van Metro Nieuws voor aan Saskia Hagenaars, een Nederlandse promovenda die als onderzoeker betrokken was bij het project. Zij kan zich niet vinden in de berichtgeving: “Wij hebben niet onderzocht of mensen met een groter hoofd intelligenter zijn of later naar de universiteit gaan. Wij hebben onder andere onderzocht of mensen met meer genetische varianten voor een bepaalde eigenschap (zoals hoofdomvang) beter scoren op intelligentietesten.” Ook heeft Metro Nieuws geen contact gezocht met een van de onderzoekers om het artikel te verifiëren. Hagenaars: “Helaas worden voorzichtige claims uit onderzoek vaak overdreven door de media.”

Waar heeft Metro Nieuws deze claims dan vandaan? Het onderzoek en het bijbehorende persbericht zijn al in januari 2016 naar buiten gebracht, terwijl het bericht van Metro van 19 september dateert. Alle andere berichtgeving stamt uit de periode waarin het onderzoek ook daadwerkelijk uitkwam. Op één uitzondering na: een bericht van The Independent, van 19 september 2016, waarin precies dezelfde uitspraken worden gedaan als in het bericht van Metro Nieuws. De suggestie dat Metro Nieuws louter het bericht van The Independent gebruikt heeft als bron, ligt uiteraard voor de hand. Helaas wilde Metro Nieuws niet reageren.

Uitbijters

Er kunnen echter ook  vraagtekens gezet worden bij het onderzoek zelf. De onderzoekers geven toe dat het zó breed is, dat er ‘met zoveel verschillende conclusies weinig ruimte is om dieper op de afzonderlijke vlakken in te gaan’. Zijn de ontdekte correlaties dan wel zo veelzeggend?

Mijna Hadders-Algra, hoogleraar ontwikkelingsneurologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, verklaart dat er inderdaad een verband bestaat tussen omtrek van de schedel en cognitief functioneren. Dit zou echter alleen voor de groep ‘uitbijters’ gelden: de baby’s die in hun latere leven te kampen krijgen met ontwikkelingsstoornissen. “Kinderen met een relatief groot of klein hoofd hebben een grotere kans op cognitieve problemen’’, legt ze uit.

Dat betekent echter niet dat hoofdomvang ook een goede voorspeller is voor ontwikkeling van intellect bij kinderen zonder dergelijke problemen. “Wanneer je de uitbijters niet meerekent, wordt het verband tussen hoofdomvang en cognitief functioneren een stuk minder’’, aldus de hoogleraar. “Het is het dan ook een slechte indicator.’’

Omgevingsfactoren

Ontwikkelingspsycholoog Caspar van Lissa geeft een alternatieve verklaring voor ontwikkeling van intellect bij kinderen. Volgens hem moeten we rekening houden met zaken die niet in een gen opgeslagen liggen, zoals selectie-effecten en omgevingsfactoren. “Mensen uit bepaalde sociale kringen hebben beter voedsel, betere prenatale zorg, betere scholen en betere toegang tot universiteiten.’’

Van Lissa gaat verder: “Diezelfde selectie-effecten kunnen echter ook invloed hebben op de hoofdomtrek van kinderen bij de geboorte en het latere IQ.’’ Dat zou kunnen impliceren dat we te maken hebben met een vicieuze cirkel: mensen uit een goed milieu hebben betere voeding tot hun beschikking en krijgen daardoor sneller kinderen met grotere lichaamsmaten dan de lagere klassen. Deze groep heeft door factoren als een gunstige sociaaleconomische achtergrond meer kans om op de universiteit terecht te komen dan een kind uit een Afrikaans bergdorpje. Hoofdomtrek lijkt in dit licht eerder een product van welvaart dan een indicator van intellect.

Conclusie

Of genetische eigenschappen als hoofdomvang iets zeggen over later cognitief functioneren, daar zijn de meningen kortom behoorlijk over verdeeld. Feit blijft echter dat de conclusies uit de studie van de Universiteit van Edinburgh een stuk voorzichtiger en genuanceerder zijn dan Metro Nieuws doet voorkomen.

Foto: Rumpleteaser (Flickr, CC BY 2.0)

Ouders opgelet: seks toch niet onbelangrijk voor jongeren

Wednesday, November 4th, 2015

Door: Esha Metiary & Joyce Nafzger

“Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks,” berichtten verschillende nieuwsmedia op 11 september. Uit een studie van de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit Groningen zou blijken dat jongeren meer waarde hechten aan romantiek dan aan seks. Dagboekanalyses van 183 tieners zouden uitwijzen dat ouders zich veel minder zorgen hoeven te maken dan tot nu toe de traditie was. Maar kun je aan de hand van opgeschreven hersenspinsels met zekerheid stellen dat seks een ondergeschikte rol speelt bij tieners? En komt de kop wel overeen met de uitkomst van het onderzoek?

Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks, meldden NU.nl, Metro, AD.nl en vele andere media op 11 september. Bron was een ANP-bericht, gebaseerd op een presentatie van het project ‘Studies on Trajectories of Adolescent Relationships and Sexuality’ (STARS). Maar in hoeverre is een dagboek, in het bijzonder een tienerdagboek, een betrouwbare bron als het gaat om het openlijk uiten van gevoelens?

Dagboekanalyse betrouwbaar?

Marianne Cense, onderzoeker naar de seksuele gezondheid van jongeren bij kenniscentrum voor seksualiteit Rutgers, stelt dat seksualiteit te privé en te beladen is met taboes om er openlijk over te schrijven. “Als het gaat om zelfrapportage van jongeren over seksualiteit, kun je in het algemeen wel stellen dat jongeren (of volwassen) vast niet alles opschrijven of melden wat ze denken/fantaseren/doen op dit gebied.”

Oral historica Marie-Louisse Janssen, gespecialiseerd in gender en seksualiteit aan de Universiteit van Amsterdam, acht het juist wel waarschijnlijk dat jongeren hun seksuele gedachten en gevoelens uiten in onderzoeksdagboeken. Wel betwijfelt zij, net als Cense, of deze overeenkomen met de werkelijkheid. “De belangrijkste valkuil is dat wat mensen in een dagboek schrijven vaak gebaseerd is op wensen, verzinsels, fantasie, dromen en verlangens die lang niet altijd, of zelfs meestal niet, overeenkomen met de werkelijkheid en werkelijk gedrag. Dan wordt het een soort pornografie.” Op de vraag of zij de analyse van 183 tienerdagboeken ‘watervast’ genoeg vindt om de gekopte conclusie te trekken, antwoordt zij stellig: “Natuurlijk niet”.

Wieke Dalenberg van Project STARS verbaast zich over deze reacties. Zij beaamt dat seksualiteit een privacygevoelig onderwerp is, maar meent dat in de dagboekstudie juist getracht is een veilige setting te creëren. Bovendien hielden de adolescenten in kwestie geen traditioneel dagboek bij, maar een onderzoeksdagboek waarin expliciete vragen gesteld werden over seksualiteit. De vergelijking tussen de dagboeken en pornografie ziet Dalenberg niet. Zij acht de adolescenten capabel om hun gedrag en fantasieën van elkaar te onderscheiden: “De dagboekuitingen die ik gelezen heb, laten zich niet als ‘pornografisch’ omschrijven.”

(On)terechte bezorgdheid ouders

NU.nl stelt dat ouders zich minder zorgen hoeven te maken dan ze traditioneel deden. Cense vindt dat “nogal een aanname”. De conclusie dat ouders zich geen zorgen moeten maken, lijkt haar dan ook “niet iets wat de onderzoekers geconcludeerd zullen hebben, maar meer iets uit de koker van de journalist.”

Cense merkt in contact met leraren “dat ze verbaasd zijn dat de leeftijd waarop Nederlandse jongeren geslachtsgemeenschap hebben, nauwelijks zakt de afgelopen twintig jaar. Dat blijft rond de 17 jaar.” Een bevinding die het idee ‘de jeugd van tegenwoordig doet het steeds eerder en roekelozer’ tegenspreekt.

Volgens Dalenberg van Project STARS kan uit het onderzoek inderdaad niet de conclusie worden getrokken dat bezorgdheid van ouders onterecht is. Volgens haar is mogelijke bezorgdheid afhankelijk van iedere individuele situatie. “Voor sommige ouders is het gegrond om je zorgen te maken om je kind en andere ouders hoeven zich minder zorgen te maken, afhankelijk van het kind.”

Foutieve interpretatie

Er zijn nog meer kinken in de kabel van het nieuwsbericht. De kop komt volgens Dalenberg niet voort uit het volledige onderzoek, maar is gebaseerd op het deelonderzoek onder 300, dus niet 183, jongeren in verschillende deelstudies, waarvan de uitkomst is gemisinterpreteerd. Bovendien hebben er ‘slechts’ 1.300 en niet 13.000 jongeren deelgenomen aan het totale onderzoek. Deze numerieke onjuistheid in het oorspronkelijke ANP-bericht en de daarop gebaseerde nieuwsberichten is intussen aangepast.

Uit de resultaten blijkt niet dat voor jongeren ‘romantiek belangrijker is dan seks’, wel dat ze in de onderzoeksdagboeken relatief veel over romantiek schrijven. Dalenberg: “We zagen dat alle jongeren in bijna elke dagboekrapportage een onderwerp over de romantische aspecten van seksualiteit hebben beschreven. De jongeren die niet seksueel actief waren, rapporteerden geen onderwerpen over seksueel gedrag. De jongeren die wel seksueel actief waren, rapporteerden wel onderwerpen over seksueel gedrag, maar de frequentie was alsnog vrij laag in vergelijking met romantische onderwerpen.”

Seksueel actief of niet, adolescenten leggen in hun zelfrapportage eerder de nadruk op de romantische aspecten dan op seksueel gedrag zelf. Niet verrassend, volgens Dalenberg. “Seksueel gedrag gebeurt regelmatig in de context van een romantische relatie. Het is dus niet gek dat de dagelijkse beleving van jongeren meer bestaat uit romantische aspecten van seksualiteit.” Het waardeoordeel ‘romantiek voor jongeren belangrijker dan seks’ komt dus niet voort uit het onderzoek, maar is door de media toegekend.

Romantiek en seksualiteit beide van belang

Jawel, romantiek staat in relatie tot seksualiteit. En jawel, in zelfrapportage leggen jongeren de nadruk op de romantische aspecten, maar het STARS-onderzoek geeft geen uitsluitsel over het waardeoordeel van adolescenten. Nieuwsmedia trokken de overhaaste en foutieve conclusie dat romantiek belangrijker is voor jongeren dan seks. Dus nee ouders, helaas. Seksualiteit is tóch niet onbelangrijk voor uw jonge telgen. Maar wees gerustgesteld: hun dagboeken gaan eerder over een onschuldige eerste kus dan over de door u gevreesde ‘eerste keer’.

Foto: Luis Llerena (Stocksnap, CCo)

Zittenblijven niet altijd en enige oplossing voor kinderen met leerprobleem

Tuesday, October 6th, 2015

Door: Jana van Mierlo en Esther Villerius

“Vaker zittenblijven helpt kinderen met leerprobleem”, kopte Trouw op 7 september 2015. Doubleren kan voor middelbare scholieren met leer- en gedragsproblemen soms een goede manier zijn om niet thuis te blijven zitten, aldus Trouw. De Amsterdamse fractievoorzitters van D66 en SP willen het probleem van de thuiszittende kinderen oplossen en dienden hierover een initiatiefvoorstel in. Daarin bieden zij oplossingen, waarvan het flexibeler toepassen van de regels omtrent zittenblijven er één is. Maar helpt doubleren kinderen met een leerprobleem wel? Deskundigen zijn sceptisch.

Op 1 augustus 2014 is de ‘Wet Passend Onderwijs’ ingevoerd. Deze moet ervoor zorgen dat zoveel mogelijk kinderen met een speciale zorgbehoefte een plek krijgen in het reguliere onderwijs. Helaas zijn er alsnog zo’n 2300 kinderen die niet naar school gaan. Ook schoolleiders zijn niet tevreden over de werking van de wet, zo bleek uit de uitkomsten van het onderzoek door de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS).

De Amsterdamse fractievoorzitter Jan Paternotte van D66 en SP-fractievoorzitter Erik Flentge ontwikkelden hun aanpak in samenspraak met ouderverenigingen, deskundigen, jeugdhulpinstellingen en scholen. In het initiatiefvoorstel staat dat zittenblijven een oplossing kan zijn voor kinderen met leer- en gedragsproblematiek, zoals autisme. Behalve doubleren noemen zij nog vier andere  oplossingen, namelijk: preventie middels een levenscoach (verreweg de belangrijkste oplossing, aldus D66), beter zicht houden op thuiszitters, perverse financiële prikkels wegnemen en heldere afspraken maken.

De bronnen

Het Trouw-artikel kwam tot stand door een telefoontje van D66’er Jan Paternotte naar de redactie. Paternotte wilde  in het bijzonder het  levenscoaches-idee delen met de krant. Tijdens het gesprek merkte hij dat onderwijsredacteur Laura van Baars, auteur van het Trouw-artikel, vooral geïnteresseerd was in het onderdeel ‘doubleren’. Paternotte begreep haar bijzondere interesse hierin goed. Wel verbaasde de kop van het artikel hem, omdat “het initiatiefvoorstel ook andere oplossingen voor het probleem aandraagt”.

Een andere bron van de Trouw-journaliste is universitair hoofddocent dr. Hans Luyten van de Universiteit Twente. Doubleren is een van zijn expertises. “Zittenblijven is niet bepaald een wondermiddel om kinderen met leerproblemen te helpen. In de inhoud van het bericht wordt dat goed uitgelegd, alleen de kop dekt het niet.” Volgens de deskundige is onderwijs op maat een betere oplossing dan doubleren.

Een andere expert die geraadpleegd kan worden naast Luyten, is een specialist in (het doubleren van) kinderen met leerproblemen – maar die specialisten blijken schaars. Reacties als “Ik ben geen specialist!”, “Sorry, ik kan hier niets over zeggen” en “Bij mijn weten is daar geen onderzoek naar gedaan!” geven aan dat zittenblijven in combinatie met leer- en gedragsproblematiek geen groot thema is. Na het benaderen van twaalf hoogleraren moest Nieuwscheckers concluderen dat deze zoektocht nagenoeg vruchteloos was. Met de disclaimer “mijn expertise ligt eigenlijk op een ander gebied” gaf prof. dr. Paul van den Broek, hoogleraar pedagogische en onderwijswetenschappen aan de Universiteit Leiden, toch een reactie. Zijn oordeel is vergelijkbaar metdat van Luyten. Van den Broek: “Daaraan zou ik toevoegen dat ingrepen zoals het structureel veranderen van (school)beleid vaak een enorme impact hebben op het persoonlijke leven van de betrokken kinderen en dat het derhalve zeer belangrijk is dat besluitvormers zich baseren op solide empirisch bewijs dat de voorgestelde verandering ook daadwerkelijk helpt. Of de geciteerde politici zulk bewijs hebben, komt niet uit het artikel naar voren.” Onder andere daarom heeft Van den Broek kritiek op de kop: “Die stelt een feit, zonder dat er in het artikel bewijs voor wordt geciteerd. Anders gezegd, op grond van het artikel is deze statement over zittenblijven niet meer dan een mening van de geciteerde politici.”

Volgens de redacteur

Laura van Baars geeft aan dat ze bewust koos voor de invalshoek waarbij de nadruk ligt op zittenblijven en niet op de andere oplossingen die in het initiatiefvoorstel naar voren kwamen. Als onderwijsredacteur is ze op de hoogte van de moeizaamheid waarmee de invoering van de Wet Passend Onderwijs gepaard gaat, en doubleren als oplossing aandragen is volgens haar een opvallend punt. Dit omstreden idee wilde ze belichten: “Je moet eruit pikken wat interessant is. Daar ben je als journalist op een gegeven moment ook op getraind.”

Hoewel Paternotte het levenscoach-idee wilde bespreken, voer Van Baars haar eigen kritische koers. Op haar vraag aan Paternotte over hoe dit levenscoaches-idee bekostigd gaat worden, gaf de politicus aan dat het nog niet duidelijk is of er een financieel draagvlak vanuit de gemeente gecreëerd kan worden. Van Baars: “Dus ik dacht, ik ga dat luchtballonnetje niet oplaten”.

De kop van het artikel bedacht de journaliste overigens niet zelf, maar werd gemaakt door de eindredacteur: “Ik vind de kop zelf niet heel flitsend en had eerder gekozen voor iets als ‘Amsterdam spoort aan tot zittenblijven’.”

Is zittenblijven de oplossing?

De aanpak van Van Baars is inhoudelijk gezien solide: ze raadpleegde gedegen bronnen en haar invalshoek is relevant. Hoewel deze specifiek was, en de redacteur daarmee enkele nuances impliciet hield, handelde zij hiermee tactisch. Behalve dat ze met deze kritische houding voorkomen heeft dat Trouw reclame maakt voor een politiek plan van D66 en SP, is ook de discussie over thuiszitters weer aangezwengeld. Dit blijkt uit het hoofdredactioneel commentaar dat Trouw de volgende dag publiceerde met de uitgesproken kop: “Zittenblijven is noodmaatregel, ook voor kinderen met een beperking”.

Nieuwscheckers concludeert dat het Trouw-artikel een inhoudelijk sterk bericht is met een kop die snel en simpel gehouden is. En dat is waar de crux zit. Want hoewel Luyten zegt de keuze te begrijpen (“de kop moet pakkend zijn”), plaatst Nieuwscheckers hier vraagtekens bij. De kop mag dan aantrekkelijk klinken, de stelling is ongenuanceerd: vaker zittenblijven helpt kinderen met een leerprobleem niet altijd.

Foto: Hepingting (Flickr, CC BY-SA 2.0)

Strenge opvoeding maakt kind minder ongelukkig dan beweerd

Thursday, October 1st, 2015

Door: Ingeborg Veen en Iris Verhulsdonk

‘Zorgende ouders maken kind blijer als volwassene dan controlerende ouders,’ kopt Nu.nl op 4 september 2015. Een strenge opvoeding zorgt voor minder gelukkige volwassenen, aldus het bericht. De schade zou gelijk staan aan de impact van een sterfgeval in de naaste omgeving. Kunnen ouders de strenge opvoedtechnieken beter aan de wilgen hangen? Uit onderzoek van Nieuwscheckers.nl blijkt dat dat niet nodig is.

Nu.nl is niet het enige nieuwsmedium dat aandacht heeft besteed aan dit onderwerp. Ook AD.nl, RTL Nieuws en Ouders van Nu schreven over ongelukkige kinderen ten gevolge van een strenge opvoeding. In al deze berichten wordt verwezen naar een artikel van The Telegraph.

Waar is het op gebaseerd?

De claim dat kinderen met minder strenge ouders een gelukkiger leven leiden, komt van Dr Mai Stafford (University College London). In een persbericht over haar onderzoek stelt zij dat kinderen die hun ouders tijdens hun jeugd als ‘psychologically controlling’ hebben ervaren, op latere leeftijd een verminderde mentale gezondheid hebben.

Deze conclusie is gebaseerd op een onderdeel van een onderzoek waarvoor 5.362 mensen vanaf hun geboorte in 1946 zijn gevolgd. Van deze groep worden er nog altijd 2.800 in de gaten gehouden. Aan de hand van een vragenlijst is de participanten in dit onderdeel gevraagd hoe zij zich de opvoedstijl van hun ouders van voor hun zestiende levensjaar herinneren. Dit is vergeleken met hun mentale gezondheid, die ook via zelfrapportage is gemeten.

Bemoeien ouders zich met psyche of gedrag?

Het bericht van Nu.nl is gebaseerd op het artikel van The Telegraph. Bij de vertaling is de inhoud van Staffords claim aanzienlijk veranderd. Zo heeft Nu.nl het over ‘controlerende ouders’, wat de indruk wekt dat ouders bijvoorbeeld controleren wat hun kind doet en waar het is. In Staffords onderzoek gaat het echter over de mate waarin ouders controle uitoefenen over de psyche of het gedrag van hun kind. ‘Overheersende’ of ‘beheersende’ ouder zou daarom een betere vertaling zijn.

Stafford maakt onderscheid tussen twee vormen van beheersing: ‘psychological control’ en ‘behavioural control’. Ouders zijn ‘psychologically controlling’ wanneer zij de privacy van hun kind afnemen of hun kind verbieden om eigen beslissingen te maken. Hierdoor blijft het kind afhankelijk van zijn ouders. Onder ‘behavioural control’ valt bijvoorbeeld het kind niet altijd zijn zin geven door hem eens te verbieden om naar vrienden te gaan.

Dit onderscheid leidt tot de tweede fout in het artikel: de verschillende vormen van beheersing worden door elkaar gebruikt. Zo staat in het artikel van Nu.nl:

Wanneer ouders hun kinderen verbieden naar vrienden te gaan, of zich op een andere manier met het privéleven van het kind bemoeien, kan dat schadelijke gevolgen hebben.

Deze fout is cruciaal, omdat uit Staffords onderzoek blijkt dat ‘psychological control’ wel van invloed is op de geestelijke gezondheid van het kind en ‘behavioural control’ niet. Deze fout wordt in vrijwel alle berichten rondom dit onderzoek gemaakt.

Reactie NU.nl

Hoe kan het dat dit soort fouten in de berichtgeving sluipen? Michiel Baars, stagiair bij Nu.nl en auteur van het artikel, heeft daar een simpele verklaring voor. Hij stelt dat er enige haast geboden is bij het schrijven van een nieuwsbericht, omdat “je bij Nu.nl nou eenmaal niet de halve dag krijgt om één artikel voor de ‘Lifestyle’-sectie te schrijven”. Baars geeft dan ook aan ongeveer een half uur aan het artikel te hebben gewerkt, waarbij hij het origineel onderzoek globaal doorlas en het artikel van The Telegraph als basis gebruikte. Achteraf gezien, zegt hij, had hij er meer tijd voor moeten nemen.

Doordat er maar een dunne lijn zit tussen ‘psychological control’ en ‘behavioural control’, heeft hij het verschil niet opgemerkt, aldus Baars. Verder verklaart Baars dat er bij het gebruik van wetenschappelijke termen rekening gehouden moet worden met de doelgroep: “Er zijn woorden die je dan anders moet kiezen, terwijl je zelf misschien een mooier woord wilt gebruiken. Je moet het redelijk simpel houden.”

Het onderzoek versus het persbericht

Daarmee is de kous nog niet af, want ook het originele onderzoek en persbericht roepen vragen op. Zo stelt het persbericht dat de impact van een ‘controlling parent’ even groot is als het verliezen van een vriend of naast familielid. Volgens Marinus van IJzendoorn, hoogleraar gezinspedagogiek aan de Universiteit Leiden, is het vreemd dat deze conclusie getrokken wordt: “Het lijkt mij een onderschatting van het effect dat een sterfgeval in de naaste omgeving kan hebben.”

Verder is het opmerkelijk dat juist het onderwerp ‘controlling parents’ breed wordt uitgemeten in het persbericht, gezien dit maar één variabele in een groot onderzoek is. Daarbij stelt Van IJzendoorn dat het effect van een overbeschermende ouder “niet heel groot” is. Hij legt uit dat alleen overprotectie door de moeder van invloed is op de mentale gezondheid van het kind. De hoogleraar noemt deze invloed beperkt, omdat het slechts 3% van de verschillen in welbevinden bij kinderen verklaart. Dit betekent dat de rol van een overheersende ouder dus maar bij een klein gedeelte van de respondenten echt invloed heeft gehad op hun geluk in het latere leven.

Ook zet Van IJzendoorn zijn vraagtekens bij de methodologie: “Hoewel het sterk is dat verschillende bevolkingsgroepen zijn meegenomen in het onderzoek, zijn er enkele zwaktes.” Als voorbeeld noemt de hoogleraar dat de enquêtes over hoe de respondenten hun opvoeding hebben ervaren zijn afgenomen toen zij in de veertig waren. De enquêtes die de mentale gezondheid van de participanten meet, zijn twintig jaar later afgenomen. Volgens Van IJzendoorn zou het beter zijn als de enquêtes over de opvoeding ook daadwerkelijk in de kindertijd afgenomen zouden zijn. Hij stelt dat de resultaten nu zijn beïnvloed door hoe de deelnemers hun welzijn als kind achteraf beschouwen.

Dr Mai Stafford was niet bereikbaar voor commentaar.

Conclusie

Zowel bij het artikel van Nu.nl als bij het onderzoek van Stafford zijn dus kanttekeningen te plaatsen. Strenge ouders hoeven zich daarom niet direct zorgen te maken over de mentale gezondheid van hun kind. Een tiener zal misschien een dag chagrijnig zijn wanneer hij niet met vrienden uit mag, maar een ongelukkige volwassene zal hij er niet van worden.

Linkshandigen dom, slim, creatief, rijker, onhandig en eerder dood

Monday, June 27th, 2011

Door: Petra Meijer

‘Linkshandigen zijn slechter af’, kopte Nu.nl op 8 juni: linkshandigen zijn minder getalenteerd dan rechtshandigen en presteren slechter in groepen. Dit blijkt uit nieuw Australisch onderzoek, dat afrekent met de mythe dat linkshandigen juist creatiever of slimmer zijn dan rechtshandigen. Nieuwscheckers ont-dekte overhaaste conclusies in een slecht vertaald nieuwsbericht over een twee jaar oud onderzoek.

Het begon allemaal op de website van Flinders University (Adelaide), waar de afdeling Marketing & Communications een nieuwsberichtje plaatste over de onderzoeksresultaten van Mike Nicholls, het net nieuw aangestelde hoofd van de afdeling Brain & Cognition. Volgens het nieuwsbericht bleek uit zijn onderzoek dat het met het cognitieve vermogen van linkshandigen slechter gesteld was dan met dat van rechtshandigen: bij het maken van een IQ-test scoorden linkshandigen gemiddeld genomen lager.

Oud nieuws

De daarop volgende dagen dook het bericht overal op in de Australische media en uiteindelijk belandde het via Bitsofscience.org ook op nu.nl. Alhoewel de meeste berichten getuigden van veelvoudig knip- en plakwerk verscheen er ook nieuwe informatie. Sprak het nieuwsbericht van Flinders University nog over cognitief vermogen en IQ-testen, in de diverse media werden er conclusies getrokken over de creativiteit van linkshandigen. Bovendien beweerde Nu.nl dat linkshandige kinderen die in groepen samenwerkten, slechter presteerden dan hun rechtshandige klasgenoten, terwijl er in Australische nieuwsberichten niet over groepsopdrachten gesproken werd.

Enigszins in de war ging Nieuwscheckers daarom op zoek naar het onderzoeksrapport. Maar vreemd genoeg werd in geen van de berichten verwezen naar de oorspronkelijke publicatie. Volgens nu.nl-journalist Jorn van Dooren betrof het een nog niet gepubliceerd onderzoek. Na een e-mail naar de Australische onderzoeker Mike Nicholls had Nieuwscheckers het artikel echter binnen een uur in handen. De in de media warm onthaalde onderzoeksresultaten bleken twee jaar oud te zijn: het onderzoek was gepubliceerd in 2009.

Kleurplaat

Het onderzoek was gebaseerd op een in 2004 vrijgegeven dataset afkomstig uit de Longitudinal Study of Australian Children. Nicholls en zijn team maakten gebruik van de gegevens van bijna vijfduizend kinderen van vier en vijf jaar oud. Tien procent van de kinderen was linkshandig. Vervolgens vergeleken ze de scores van rechts- en linkshandige kinderen op een vocabulairetest en een IQ-test. De derde bron van informatie over de ontwikkeling van het kind waren hun leerkrachten. Zij beantwoordden vragen over het leervermogen, de motorische vaardigheden en taalvaardigheden en de sociale en emotionele ontwikkeling van het kind. Op alle punten werden significante verschillen gevonden tussen links- en rechtshandige kinderen, behalve op het gebied van taalvaardigheid (zoals aangegeven door de docenten en de vocabulairetest). De onderzoekers corrigeerden voor eventuele onderliggende factoren, maar de resultaten bleven nagenoeg gelijk.

‘Het onderzoek toont aan dat linkshandige kinderen in cognitieve ontwikkeling achterblijven op rechtshandige kinderen,’ verklaart Nicholls. Hij geeft toe dat het onderzoek niets zegt over creativiteit. De in de media veel geplaatste foto van een linkshandig kindje dat een kleurplaat inkleurt is dan ook misleidend. Ook gaat het onderzoek niet in op het werken in groepen. De bewering daarover op nu.nl is waarschijnlijk een vertaalfout. ‘Left-handers tend to do worse as a group than right-handers,’ lezen we in de Australische Herald Sun: gemiddeld presteren linkshandigen slechter. ‘Als de linkshandige kinderen in groepen samenwerkten presteerden ze slechter dan hun rechtshandige klasgenoten’, denkt Nu.nl.

Het onderzoek zegt dus niets over creativiteit of samenwerken. Maar welke conclusies kunnen we wel aan dit onderzoek verbinden? ‘Dat er iets behoorlijk mis is gegaan’, zegt Rik Smits, wetenschapsjournalist en schrijver van een boek over linkshandigheid. ‘De uitkomsten van dit onderzoek zijn zo dramatisch en raar dat we de verschillen tussen links- en rechtshandigen overal terug zouden moeten vinden in het straatbeeld en in het onderwijs. Maar dat is niet het geval.’

Lelijk handschrift

Volgens Smits bestaan er de gekste studies naar linkshandigen. Zo blijkt uit onderzoek dat linkshandigen slimmer zijn, maar ook dat ze dommer zijn. Ze zijn onhandig, gaan eerder dood, schrijven lelijk en verdienen meer geld. Hij is dan ook uiterst sceptisch als het om zulke nieuwsberichten gaat. ‘De resultaten van onderzoeken naar linkshandigheid zijn totaal niet consistent en vertonen vaak geen enkele overeenkomst met de praktijk’, zegt Smits.

Hoe het komt dat onderzoeksresultaten van twee jaar oud ineens in het nieuws verschenen? Nicholls laat weten dat er twee jaar geleden ook al een persbericht uit is gegaan. Toen werd het niet door de media opgepakt. Een belangrijke les voor alle wetenschappers die weinig aandacht krijgen voor hun bevindingen: probeer het twee jaar later nog een keer.

Effectiviteit strafregels vooralsnog verre van bewezen

Tuesday, December 7th, 2010

Door: Daniëlle van Veen en Nina Verhaaren

Straf helpt niet, strafregels wel’, kopte Metro op 26 oktober. Strafregels werken, zegt orthopedagoge Astrid Boon: verschillende Nederlandse scholen hebben ze met succes weer ingevoerd. Het leverde haar veel positieve publiciteit op. Maar Boons beroepsgroep is sceptisch, de cijfers van een school zijn geheim en de andere twijfelt:  “Strafregels worden nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Sinds de publicatie van haar boek Straf/Regels pleit Astrid Boon voor de herinvoering van ‘slimme strafregels’ op middelbare scholen. Bijvoorbeeld: “Hè, wat jammer nou dat ik mijn boeken vergeten ben. Nou kan ik niet meedoen met de les. Volgende keer neem ik mijn boeken mee, dan hoef ik dit nooit meer te schrijven”. Zulke regels zouden niet alleen ongewenst gedrag tegengaan, maar leerlingen tegelijkertijd het gewenste gedrag inprenten. Belangrijk is ook dat de leraar precies weet hoe de sanctie uit te delen: eerst een vriendelijke waarschuwing, dan een duidelijke concrete waarschuwing, dan de straf. 

Momenteel werkt Boon met een statisticus aan cijfers over de effectiviteit van haar strafregels, maar vooralsnog baseert ze zich op ervaring: “Ik heb de laatste dertig jaar gewerkt met lastige pubers op scholen, en zij hebben mij wijzer gemaakt over wat wel en niet werkt.” En strafregels, die werken ‘als een soort paardenmiddel’, vertelde ze in diverse media (Editie NL, De Telegraaf, Trouw, AD, en op de radio onder meer bij Goedemorgen Nederland). Maar is dat ook zo?

Wachten op officiële cijfers

Dat de strafregels werken, wordt volgens Metro nu ook ondersteund door cijfers uit de praktijk. Op het Amsterdamse Sweelinck College zijn Boons strafregels begin 2009 schoolbreed ingevoerd. Dagelijks wordt geregistreerd hoeveel leerlingen te laat komen en de klas uit worden gestuurd. Samen met een statisticus heeft Boon deze cijfers onderzocht. Ze zegt dat het aantal schorsingen op het Sweelinck College na de kerst normaal gesproken met gemiddeld 37 procent toeneemt. Na invoering van de strafregels dáálde het aantal schorsingen na de kerst juist, met maar liefst 57 procent. Omdat ze momenteel bezig is de resultaten gepubliceerd te krijgen, mocht Nieuwscheckers de cijfers niet inzien.

Het Metro-artikel noemde andere cijfers bij het Sweelinck College: te laat komen zou met twintig procent gekelderd zijn, en uit de klas sturen met zeventig procent. Navraag bij journalist Niels Rigter leert dat die cijfers afkomstig zijn van het Sweelinck College zelf. Martine Uleman, teamleider bovenbouw op het Sweelinck, vertelt dat de cijfers gebaseerd zijn op het registratiesysteem dat Boon ook noemde: “We kunnen niet precíés zeggen dat het om een daling van zeventig procent gaat, maar we houden deze gegevens dagelijks bij en dan zien we dat het aantal leerlingen dat moet terugkomen nu drie is, in plaats van tien.” Uleman gelooft dat de invoering van de strafregels de oorzaak is van de dalende cijfers. Omdat wetenschappelijk onderzoek nog ontbreekt, kan invloed van andere factoren echter niet worden uitgesloten.

Vooralsnog is het dus nog wachten op de officiële statistieken van Boon, pas dan kunnen echt uitspraken gedaan worden over de effectiviteit van strafregels op het Sweelinck College. Metro-journalist Rigter erkent ook dat zijn stuk ongetwijfeld steviger had gestaan als het onderzoek van Boon er al was geweest.

‘Je moet leerlingen toch serieus nemen’

Ook Scholengemeenschap ’t Groene Hart in Alphen aan de Rijn zou volgens Metro baat hebben gehad bij de invoering van Boons strafregels. Spijbelgedrag zou er ‘drastisch’ door verminderd zijn. Dat blijkt wel erg ongenuanceerd. P.K. Jansen, lid van het college van bestuur van de Scope Scholengroep, waartoe de Groene Hart Scholengemeenschap behoort, meldt Nieuwscheckers dat ze een aantal jaren geleden inderdaad een probleem hebben gehad met spijbelgedrag, en dat daar toen met een aantal deskundigen naar gekeken is. “Uiteindelijk hebben we toen meerdere maatregelen ingevoerd, waaronder de strafregels.” Of er een direct verband bestaat tussen de strafregels en de daling in spijbelgedrag, is niet onderzocht. “Het lijkt erop dat het ons toen geholpen heeft, maar het is ook niet meer dan dat”, aldus Jansen. “We willen ook niet dat mensen denken dat wij ‘strafregels’ opnieuw hebben ingevoerd of zoiets. Het wordt nu ook nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Journalist Niels Rigter vindt niet dat hij een misser heeft gemaakt door de resultaten van de scholen te publiceren zoals hij dat gedaan heeft. “Je kunt inderdaad niet zeggen dat er een duidelijke oorzaak-gevolgrelatie is, dat dóór de maatregelen het spijbelen met zoveel procent naar beneden is gegaan. Je kunt daarentegen wel zeggen dat sínds de invoering van de strafregels het verzuim naar beneden is gegaan met een bepaald aandeel. Dat heb ik gedaan.” Hij heeft opgeschreven wat de scholen hem hebben verteld. “Je gaat ervan uit dat als een school jou dat soort informatie geeft, dat die informatie ook klopt. En als jullie dan ineens naar bewijzen komen vragen, gaan ze de boel nuanceren.” Wel geeft hij toe dat hij misschien wat kritischer had kunnen zijn en bijvoorbeeld absentielijsten had kunnen opvragen. “Maar ja…”

Geloofskwesties

Nog afgezien van de dubieuze cijfers over de effectiviteit van de strafregels, is de beroepsgroep van Boon sceptisch over de vraag of straffen wel de beste optie is bij het stimuleren van gedragsverandering. Metro merkt zelf op dat ‘pedagogen het er inmiddels wel over eens zijn dat straffen nauwelijks tot gedragsverandering leidt’ (in het kaderartikel ‘Vroeger, toen de meester nog sloeg’, niet online). Vanuit het behaviorisme is het heersende idee dat het belonen van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag vaak de beste manier is om gedrag te beïnvloeden.

“Het interesseert me niets als er pedagogen zijn die zeggen dat het niet werkt”, zegt Boon. “Het werkt namelijk wel. Iedereen zegt maar dat belonen beter werkt, maar er is al dertig jaar geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van straffen.” Meningen over de relatieve effectiviteit van straffen en belonen zouden daardoor pure ‘geloofskwesties’ zijn geworden. Om te laten zien dat haar strafregels werken, is ze haar eigen onderzoek begonnen.

Versimpeling

Gezinus Wolters, universitair hoofddocent cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, noemt deze uitspraken ‘een versimpeling van de werkelijkheid’: “Er wordt wel degelijk ontzettend veel onderzoek gedaan naar straffen en belonen, maar dat is geen makkelijk onderzoek en resultaten zijn onduidelijk. Uit allerlei onderzoek is gebleken dat zowel straffen als belonen kan werken bij gedragsbeïnvloeding.” Kijk je naar praktijksituaties, dan wordt het ingewikkelder, aldus Wolters. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van opvoedingsproblemen in het gezin. “Dan is het niet meer simpelweg de vraag of  er beloond of gestraft moet worden, dan moet je voor die specifieke situatie de meest effectieve manier zien te vinden.”

De strafregels van Boon kunnen in principe ongewenst gedrag van leerlingen verminderen, denkt Wolters. “De beloning op slecht gedrag wordt weggenomen, en daarmee het motief om dat gedrag te vertonen”, legt hij uit. “Jongeren kunnen heel vervelend gedrag vertonen, en zijn dan stoer in de ogen van hun collegajongeren. Door de leerling als een klein kind strafregels te laten schrijven, valt die beloning weg. In die zin kunnen de strafregels prima werken.” Dat strafregels bovendien het gewenste gedrag inprenten, gelooft hij niet: “Door de leerling vrije tijd of stoerheid af te nemen met strafregels, zal hij het ongewenste gedrag in de toekomst misschien laten, maar wat je ze laat schrijven, maakt niet uit. Het is gewoon een alternatief soort straf, het werkt niet om positief gedrag te versterken. Je kunt ze ook laten nablijven of het schoolplein laten vegen, dat is net zo effectief.”

Het Centrum Educatieve Dienstverlening Rotterdam merkte in 2007 in een brief aan het NRC (niet online) op dat de positieve gedragsinstructie in de strafregels wél van belang is, omdat dan duidelijk wordt hoe de leerling zich zou moeten gedragen. Belangrijker vindt het Centrum echter nog dat de leraar precies weet hoe de sanctie uitgedeeld wordt: twee keer waarschuwen, dan strafregels opleggen. “Dat voorkomt ellenlange aandacht voor negatief gedrag en maakt tijd en ruimte vrij om aandacht te geven aan gewenst gedrag.” Vooral het geheel van duidelijke, positieve gedragsregels, waarbij gewenst gedrag prettiger gevolgen heeft voor de leerlingen dan ongewenst gedrag, zou effectief zijn. Niet de strafregels op zich.

Elastiek

Rigter liet in zijn Metro-artikel naast Boon geen andere deskundige aan het woord, al onderkent hij dat dat zijn stuk wel sterker zou hebben gemaakt. “Tuurlijk, hoe meer mensen je aan het woord laat, hoe beter je stuk. Maar ja, op een gegeven moment moet je stoppen met schrijven. De pagina’s zijn nu eenmaal niet van elastiek, hè.”  

Misbruikcijfers verstandelijk gehandicapten blijken wilde schatting

Friday, November 27th, 2009

Door Renée Peels en Loes Reijmer

netwerkZes op de tien verstandelijk gehandicapten in Nederland worden minimaal één maal in hun leven het slachtoffer van seksueel misbruik. Dat beweerde pedagoge Aafke Scharloo op 22 september in een indringende reportage van Netwerk:  “Het probleem is enorm. Gezien de cijfers kun je er niet omheen.” Nieuwscheckers schrok van dit percentage, en ging op zoek naar die cijfers. Wat bleek: die zijn er niet. Ook opmerkelijk: Scharloo baseert zich op openbare bronnen, maar vertelt niet welke dat zijn.

Onderzoek

“Er is in Nederland nog nooit grootschalig onderzoek gedaan naar de prevalentie (in dit geval: heeft iemand het gedurende zijn of haar leven meegemaakt? red.) van seksueel misbruik onder verstandelijk gehandicapten”, vertelt Willy van Berlo, verbonden aan de Rutgers Nisso Groep en autoriteit op het gebied vanKnipsel seksueel misbruik bij mensen met een beperking. Volgens Van Berlo is er wel eens kleinschalig onderzoek gedaan naar seksueel misbruik onder jongeren in een residentiële inrichting, maar dit is volgens haar niet representatief: “Jongeren in een residentiële inrichting kampen al met gedragsproblemen, en vormen dus een erg specifieke groep. De resultaten mogen niet geprojecteerd worden op alle verstandelijk gehandicapten. Daarnaast was het onderzoek te kleinschalig.” Een ander onderzoek uit 1995 van Van Berlo zelf was gericht op incidentie: “Bij incidentie kijk je alleen naar een afgebakende periode. Het percentage ligt dan logischerwijs lager, in dit geval 1,2 procent.”

3 maal 20 is 60

Aafke Scharloo is zelfstandig klinisch psycholoog en orthopedagoog. Diagnostiek en behandeling van seksueel misbruik van gehandicapten is een van haar specialisaties.  Met de schokkende cijfers die ze in september in Netwerk noemde, is ze al jaren veelgevraagd mediadeskundige. Ze presenteerde ze sinds 2004 onder meer in een eerdere uitzending van Netwerk, en in Tubantia, de Volkskrant, Volkskrant Magazine, het Nederlands Dagblad en het EO-programma ‘t Zal je maar gebeuren.  Nieuwscheckers is in al die jaren kennelijk de eerste die doorvraagt naar de bronnen.

Scharloo erkent desgevraagd dat de 60 procent die ze in Netwerk noemde niet stoelt op Nederlands onderzoek. Ze doet er ook zelf geen onderzoek naar. “Het zijn inderdaad geen harde cijfers. Internationaal onderzoek laat echter zien dat het percentage drie tot vijf keer hoger ligt dan seksueel misbruik bij mensen zonder verstandelijke beperking. Dat percentage kennen we wel, namelijk 20 procent. Drie keer zoveel is 60 procent.”

“Zo kan ik het ook”, reageert Joop Hoekman van de Universiteit Leiden, orthopedagoog en onderzoeker op het gebied van zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook hij is van mening dat seksueel misbruik van mensen met een verstandelijke handicap te vaak voorkomt, en ook hij vermoedt dat het vaker gebeurt dan bij de rest van de bevolking. “Maar ik houd er niet van om maar wat willekeurige getallen in de lucht te gooien.”

Deze ‘willekeurige getallen’ ontleent Scharloo aan buitenlands onderzoek. Het is de vraag of deze percentages zonder omhaal geprojecteerd kunnen worden op de Nederlandse situatie. Scharloo: “Het percentage komt naar voren uit verschillende onderzoeken, onder meer uit de VS, Australië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Waarom zou het voor Nederland niet gelden?” Welke onderzoeken zijn dat precies? Op die vraag geeft Scharloo ondanks herhaald aandringen van Nieuwscheckers geen antwoord.

Andere deskundigen zijn een stuk terughoudender: “Je moet voorzichtig zijn met je uitspraken”, vindt Hoekman, “kletspraat is er al genoeg.” Volgens hem verschillen landen in de organisatie van zorg, waardoor de percentages niet zomaar op Nederland toegepast kunnen worden. “Zo wonen verstandelijk gehandicapten in Scandinavische landen bijvoorbeeld veel meer in de samenleving, terwijl in Nederland nog veel gehandicapten in gezinsvervangende tehuizen of internaten wonen.” Volgens de orthopedagoog was ook de gezondheidszorg in landen zoals de VS en het Verenigd Koninkrijk nog niet zo lang geleden anders georganiseerd dan in ons land. Van Berlo beaamt dit, en voegt een belangrijke kanttekening toe: “Naast een ander zorgsysteem, wordt er in sommige landen ook heel anders omgegaan met seksualiteit, denk bijvoorbeeld aan de VS.”

Netwerk

Had Netwerk niet eveneens een andere deskundige aan het woord moeten laten om de percentages van Scharloo te nuanceren? Tenco van der Hee, eindredacteur EO-netwerk, vindt van niet,  want als journalist moet je keuzes maken: “Volledig zijn is onmogelijk. Zelfs het meest uitgebreide boek over een bepaald thema zal onvolledig zijn op bepaalde punten. Je maakt altijd keuzes.” Zo ook met Aafke Scharloo: “Aafke Scharloo beschouwt deze buitenlandse cijfers, op basis van haar expertise, als representatief voor de Nederlandse situatie. Ze kunnen weliswaar niet een-op-een  worden overgenomen, maar de strekking en tendens wel. Die bewering presenteren wij niet als “de waarheid” maar als haar deskundige mening. Overigens is Scharloo zeker niet de enige met deze zienswijze. Toen de misbruikzaak rond Benno L. aan het licht kwam, werden deze cijfers ook door verschillende andere deskundigen in de media aangehaald. Er zullen waarschijnlijk bij elk thema dat Netwerk behandelt ook deskundigen zijn die er anders over denken. Zo ook bij dit onderwerp.”  

Schrikken

Rutgers Nisso-onderzoekster Van Berlo werkt momenteel samen met Movisie in opdracht van het ministerie van VWS aan een grootschalig onderzoek naar seksueel misbruik bij mensen met alle soorten beperkingen (lichamelijk, zintuiglijk en verstandelijk). De resultaten worden september 2010 verwacht. Er is momenteel dus nog opvallend weinig kennis over dit belangrijke thema. “Seksualiteit van mensen met een beperking is lang taboe geweest, laat staan seksueel misbruik van gehandicapte mensen” vertelt Van Berlo.  “Daarom heeft het zo lang geduurd voordat er onderzoek naar gedaan werd.”

Over één ding zijn alle deskundigen het eens: het vermoeden dat seksueel misbruik vaker voorkomt bij mensen met een verstandelijke beperking, dan bij mensen zonder verstandelijke beperking. Ze zijn het echter oneens over wat er met dit onbevestigde vermoeden gedaan moet worden. Wat zijn de consequenties van schokkende beeldvorming die, zo blijkt, op zeer weinig onderzoek gebaseerd is?

“Ik hoop dat mensen ervan schrikken”, verklaart Scharloo. Van Berlo en Hoekman willen ook aandacht voor het probleem, maar vinden overdrijving om het probleem op de politieke en maatschappelijke agenda te zetten not done. Hoekman: “Bovendien snijd je jezelf in vingers. Doordat je het niet kan bewijzen, maak je jezelf zeer ontvankelijk voor kritiek. Je bewering wordt makkelijk onderuit gehaald en voor je het weet is het thema weer van de agenda afgevoerd. Je moet zorgvuldig en terughoudend zijn. Het probleem is immers ernstig genoeg.”

‘Crèches hebben hbo’ers nodig.’ Toch?

Thursday, November 26th, 2009

Door Eveline de Ruiter en Thom Stokkel

baby_daycare‘Crèches hebben hbo’ers nodig’, kopt de Volkskrant op 13 oktober 2009. In Scandinavië is dat veel beter geregeld. De prikkelende uitspraken zijn van Louis Tavecchio, hoogleraar kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam. Ze lijken gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, maar blijken bij navraag eerder persoonlijke meningen van Tavecchio. Andere deskundigen, die in de Volkskrant niet aan het woord werden gelaten, blijken er heel anders over te denken. Bovendien klopt de vergelijking met Scandinavië niet. Vindt ook Tavecchio.

(more…)

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes