wetenschap

Nog lang geen consensus onder klimaatwetenschappers

Wednesday, July 7th, 2010

Door: Tamar Stelling

Klimaatwetenschappers zijn het bijna allemaal met elkaar eens over wie die vermaledijde opwarming van de aarde nu veroorzaakt. Dit opzienbarende nieuws brengt de webredactie van Spits op 22 juni 2010. Volgens zo’n 98% van de klimaatwetenschappers is het toch echt de mens, lezen we in het artikel Klimaatwetenschappers geen sceptici. Nog geen jaar na Climategate lijkt deze  eendracht rond het meest controversiële wetenschappelijke thema van deze tijd toch erg stug. En dat is ook zo: het onderzoek zegt alleen iets over onderzoekers die banden hebben met klimaatpanel IPCC.

Webredacteur T. Wolters refereert in het nieuwsbericht in kwestie aan een paper in het (overigens Amerikaanse i.p.v. Britse) wetenschappelijke tijdschrift PNAS, getiteld ‘Expert credibility in climate change‘: ‘Bijna alle klimaatweten-schappers geloven dat de mens de opwarming van de Aarde veroorzaakt. Uit een onderzoek waarover is gepubliceerd in de Britse Proceedings of the National Academy of Sciences, blijkt dat zo’n 98 procent van de wetenschappers deze mening is toegedaan.’

Nieuws van de BBC

Wolters laat telefonisch weten dat dit onderzoek een meta-analyse betreft, die de geloofwaardigheid en verdiensten van klimaatwetenschappers nagaat, en zegt hierover: “Het is dus niet zomaar een mening van iemand, maar een weten-schappelijk onderzocht ding en dus een feit.” Uit het onderzoek zelf komt ook naar voren wat verder in het Spits nieuwsbericht staat: ‘Klimaatwetenschappers die overtuigd zijn van een menselijke oorzaak, brengen twee keer zoveel weten-schappelijke publicaties uit als klimaatsceptici. Ze worden bovendien veel vaker geciteerd door collega’s dan sceptici. Onderzoeksleider William Anderegg beweert dat de “gelovigen” simpelweg meer verstand hebben van het klimaat.’

Wolters zegt het nieuws van de BBC-website gehaald te hebben, uit het artikel ‘Study examines scientists’ ‘climate credibility‘, een bron waar hij in de laatste alinea van het nieuwsbericht ook naar linkt: ‘In een interview met de BBC zei Anderegg te hopen dat het onderzoek een eind maakt aan het idee dat de weten-schappelijke gemeenschap zou twijfelen over de oorzaak van opwarming van de Aarde.’

Dubieus

Maar gek genoeg maakt het Spits-nieuwsbericht geen vermelding van al het commentaar dat vanuit de wetenschappelijke gemeenschap gekomen is op de onderzoeksmethode achter het in PNAS gepubliceerde artikel, waar de BBC dat wel doet. BBC’s nieuws lijkt juist eerder dat er (weer?) een controversieel artikel uit het IPCC-kamp gekomen is waar volgens ’sceptici’ – of mensen zonden banden met het IPCC – niets van klopt. De tweede alinea van het BBC artikel luidt: ‘But climate sceptics questioned the findings, saying that publication in scientific journals was not a fair test of expertise.’

Een dag voor Spits en de BBC met hun nieuwsberichten kwamen, deed ScienceInsider, verbonden aan het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Science, zelfs uitgebreid uit de doeken wat er zoal dubieus bevonden wordt aan de klimaatpublicatie in PNAS: ‘But the paper, published today in the Proceedings of the National Academy of Sciences, faces criticism on three fronts: how it divides scientists into one of two groups, whether the scientists have been chosen properly, and whether the peer review process stacks the deck in favor of the consensus view. “This is a completely unconvincing analysis,” says climate expert Judith Curry of the Georgia Institute of Technology, who was included in neither group.’

De teneur van het bericht op de Spits-website is duidelijk anders. Waar Spits het doet voorkomen alsof er inmiddels een heel breed draagvlak is voor de mens-warmt-aarde-op-hypothese onder hen ‘die het kunnen weten’, blijkt de vork heel anders in de steel te zitten. Het draagvlak voor deze hypothese is breed onder IPCC-klimaatwetenschappers: iets wat ook al op te maken is uit het onderzoeksartikel zelf, maar nog even helder over het voetlicht wordt gebracht door ScienceInsider. En hoe verwonderlijk is het dat eerdergenoemde hypothese – bestaansreden nummer één voor het IPCC – maximale bijval geniet in haar gelederen? ScienceInsider:

‘Another area of controversy is the authors’ selection of scientists to study. The paper focuses on only scientists who have either participated in the IPCC or signed public statements on the state of the science. Are those the right 1372 scientists to analyze? Scientists who are “unconvinced,” for example, may feel peer pressure not to publish public statements on that view, which might dilute the strength of that view over all. Its decision to include all IPCC contributing authors as “convinced” by that document’s main conclusions is also debatable.’

Buil

Nieuws overnemen van de BBC – daar kun je je toch geen buil aan vallen? Maar dan moet je de nuances wel heel laten – of eerder: het werkelijke nieuws oppakken. Zeker als het gaat om bevindingen over klimaatverandering kun je je als journalist niet permitteren om kritiekloos de conclusies van het zoveelste klimaatpaper voor waar aan te nemen en tot nieuws te promoveren. 

 
 

Voor een goed overzicht van ’sceptische’ geluiden uit de wetenschapswereld in reactie op het PNAS-artikel, zie deze blogentry van wetenschapsjournalist Marcel Crok op Climategate.nl.

Bijbelse plagen niet door natuurramp

Thursday, June 24th, 2010

Door: Alyssa Voorwald

Zijn de tien plagen van Egypte uit het bijbelboek Exodus historische gebeurtenissen? Duitse weten-schappers zijn ervan overtuigd dat Egypte in de tijd van Mozes echt geteisterd is door kikkers, sprinkhanen, hagel en andere rampen: “Biblical plagues really happened, say scientists”, kopte de Daily Telegraph. Oorzaak: niet de wrekende hand van God, maar een aantal grote klimaatveranderingen onder invloed van een vulkaanuitbarsting. De bevindingen van de onderzoekers zijn de wetenschappelijke basis voor de National Geographic-serie Bible Uncovered. Nieuwscheckers gaat op zoek naar de feiten en ontdekt een fout: de vulkaan barstte veel te vroeg uit om de plagen te veroorzaken.

De National Geographic-serie is gebaseerd op klimaatgegevens die verzameld zijn door wetenschappers van de Universiteit van Heidelberg en het Leibniz Instituut in Berlijn. Volgens hen zouden de gegevens erop wijzen dat de Bijbelse plagen 3000 jaar geleden hebben plaatsgevonden in Pi-Ramesse in het Oude Egypte. Deze stad zou op dat moment door alle inwoners verlaten zijn als gevolg van een grote droogte en enkele natuurrampen. Deze natuurrampen zouden op hun beurt de tien plagen kunnen verklaren, zeggen de Duitse wetenschappers tegen de Britse krant The Daily Telegraph.

Groot verschil in tijd

In het artikel wordt gesproken over een gigantische vulkaanuitbarsting op ruim duizend kilometer afstand van de plek waar de plagen plaatsgevonden zouden hebben: de vulkaan Thera op het eiland Santorini. Dat deze vulkaan invloed zou kunnen hebben op het klimaat is logisch. Maar het probleem is het aantal jaren tussen de uitbarsting en de stroom plagen. De plagen zouden volgens de onderzoekers namelijk 3000 jaar geleden hebben plaatsgevonden, de vulkaanuitbarsting 500 jaar daarvoor. Nadine von Blohm, van het Duitse Institut für Physik der Atmosphäre, gelooft dat de vulkanische as de oorzaak was van plaag nummer zeven (heftige aanhoudende hagelbuien), acht (overvloed aan sprinkhanen) en negen (duisternis). Maar kan een vulkanische uitbarsting 500 jaar later nog voor dit soort effecten zorgen?

Prof. Dr. Ir Willie Peijnenburg, verbonden aan het Laboratory for Ecological Risk Assessment van het RIVM en aan de Universiteit Leiden, legt uit: “Het is belangrijk om bij de interpretatie van het verloop van de plagen en de gevolgen voor het Bijbelverhaal in het oog te houden dat de gebeurtenissen in de tijd verschoven kunnen zijn. Er zou dan sprake kunnen zijn van overlevering van ingrijpende gebeurtenissen. Ik denk dat het mogelijk is dat de vulkaan in de relatief directe omgeving het regionale klimaat kan veranderen. Dit zou dan kunnen zorgen voor verduistering, meer kiemen in de lucht die hagel veroorzaken en als gevolg van verandering van het weer sprinkhaanplagen. Maar ik kan me niet voorstellen dat dit alles na 500 jaar optreedt.”

Geen ooggetuigenverslag

Niet alleen natuurwetenschappers zijn sceptisch over de beweringen van de Duitse onderzoekers. Ook Prof. Dr. W.B. Drees, godsdienstfilosoof aan de Universiteit Leiden, vindt het zonde dat Bijbelverhalen door wetenschappers op deze manier verklaard worden: “Ik vind het de benadering die je typisch zou verwachten van ingenieurs of natuurwetenschappers die misschien wel goed in hun vak zijn, maar erg weinig antenne hebben voor historische en andere culturele processen. Voor zover wij weten gaat het in het Exodus-verhaal om verhalen die honderden jaren later zijn opgeschreven. In zo’n situatie is zo’n verhaal primair een literaire vorm waarin een culturele waarheid wordt uitgedrukt. In dit geval een visie op de eigen identiteit, die wordt verhaald door een semi-historisch verhaal. Misschien met elementen die in die tijd bekend waren (sprinkhanen, en zo meer), maar niet alsof het een ooggetuigenverslag is, geschreven als een handboek.”
Ook over de beweringen van de Duitse onderzoekers heeft Drees iets te zeggen: “De religieuze visie wordt erg simplistisch opgevat indien het zou gaan om een verkeerde verklaring voor vreemde gebeurtenissen; het gaat in de geloofspraktijk veel meer om de vorming van gemeenschap en expressie van identiteit, om waarden en houdingen, en zo meer.”

De Duitse onderzoekers hebben niet gereageerd op herhaalde verzoeken om contact op te nemen met Nieuwscheckers.

Junkfood even verslavend als drugs?

Tuesday, May 4th, 2010

Door: Lidewij de Gier, m.m.v. Geert Oosterwijk

IJsjes, hamburgers en patat zijn net zo verslavend als heroïne en cocaïne. Dit berichtten onder andere De Pers en nieuwssites als scientias.nl, evmi.nl en hln.be op basis van een publicatie in Nature Neuroscience. Nieuwscheckers rook onraad en ging op onderzoek uit. Wat blijkt: de onderzoekers zelf hebben nooit gezegd dat junkfood even verslavend is als drugs. En hun proefpersonen waren ratten die niets anders te doen hadden dan spek en cheesecake eten. (more…)

Dom en druk door drop?

Thursday, April 22nd, 2010

Door: Sofie Derks

‘Drop tijdens zwangerschap vergroot kans op gedragsprobleem bij kind’, waarschuwde de nieuwssite psycholoog.net in januari. Snel daarna verschenen ook op Nu.nl en Gezondheidsnet koppen als ‘Veel drop slecht tijdens zwangerschap’. Fins onderzoek had namelijk resultaten opgeleverd waar Nederlandse vrouwen voor gewaarschuwd moesten worden: 100 gram drop eten tijdens de zwangerschap zou al ernstige gevolgen hebben voor IQ en gedrag van het kind. Nieuwscheckers ontdekte echter dat drop pas schadelijk is wanneer zwangere vrouwen er meer van eten dan 250 gram per week.

Fins onderzoek
Het onderzoek van Katri Räikkönen en acht collega’s verscheen al in juli 2009 in het American Journal of Epidemiology. 321 acht-jarige kinderen werden neuropsychologisch onderzocht op gedragsproblemen en IQ. Van al deze kinderen was bekend hoeveel drop hun moeders hadden gegeten tijdens de zwangerschap. De resultaten waren zorgwekkend: hoe meer drop, hoe groter de kans op vermindering van de capaciteiten op visueel-ruimtelijk en verbaal gebied. Tevens zou het de kans op normoverschrijdend gedrag en aandachts- en agressieproblemen vergroten.  De verklaring zoeken de Finse onderzoekers in het natuurlijke bestanddeel glycyrrhizinezuur: 500 milligram van deze stof zou al voldoende zijn om schade toe te brengen aan de ontwikkeling van een kind. Doordat deze stof de functie van de placenta verzwakt, krijgen stresshormonen toegang tot de foetus en beschadigen de hersenen.

Reden genoeg om ook in Nederland de alarmbel te luiden, vond Frank Ruiters, hoofdredacteur van psycholoog.net, die op zijn nieuwssite een breed scala aan informatie aanbiedt over psychische en lichamelijke problemen. Zoals het nieuws over de schadelijke effecten van drop.  De hoeveelheid van 500 milligram glycyrrhizine staat gelijk aan 100 gram drop, aldus het artikel van Ruiters. Nieuwscheckers fronste verbaasd. Dit zou dus betekenen dat het eten van 4 à 5 dropjes gedurende negen maanden zwangerschap al grote gevolgen heeft. De waarschuwing dat ‘veel’ drop eten onverstandig is, lijkt dan bij lange na niet alarmerend genoeg.

Cijfers in het nieuws
Bij het raadplegen van het originele onderzoek uit het American Journal of Epidemiology werd al snel duidelijk dat de schrik niet nodig was. 500 mg. glycyrrhizine is inderdaad niet goed voor zwangere vrouwen, maar het gaat hier om 500 mg. per week. De onderzoeksgroep van 321 kinderen was daarbij als volgt ingedeeld: 211 kinderen die blootgesteld waren aan een laag glycyrrhizineniveau (0-249 mg/week), 46 kinderen die blootgesteld waren aan een gemiddeld glycyrrhizineniveau (250-449 mg/week) en een groep van 64 kinderen die waren blootgesteld aan een hoog glycyrrhizineniveau (>500 mg/week). Bij de laatste groep werden de effecten geconstateerd.

Uit een informatiepakket van Venco Leaf Holland BV blijkt dat de gemiddelde Nederlander zo’n 2 kilo drop per jaar eet. Dit komt neer op 38,46 gram per week. Om een gevaar te vormen voor het eigen kind, moet een zwangere vrouw dus 2,6 keer meer drop eten dan het gemiddelde. Dit lijkt het advies om niet ‘veel’ drop te eten, al redelijk recht te trekken.

Maar de zwangere snoepers onder ons hebben nog meer geluk. Om 500 milligram aan glycyrrhizine binnen te krijgen, is namelijk veel meer drop nodig dan psycholoog.net beweert. Het Finse onderzoek is een voortzetting van het eerdere onderzoek Birth outcome in relation to licorice consumption during pregnancy’. Hierin wordt gesteld dat drop voor 0,2 procent bestaat uit glycyrrhizine. Op deze manier is er ook in dit onderzoek gerekend. Nieuwscheckers rekende het zelf na en kwam tot de conclusie dat 0,2 procent aan glycyrrhizine gelijk staat aan 200 milligram per 100 gram drop. Dit betekent dat vrouwen 250 gram drop moeten eten om 500 mg. aan glycyrrhizine binnen te krijgen. Het Voedingscentrm rapporteerde ook over dit onderwerp en bevestigde onze berekening.

De berichten van Nu.nl en Gezondheidsnet lijken zonder enige controle te zijn overgenomen van psycholoog.net. Ilona Meernik, nieuwsredacteur van Gezondheidsnet, beaamt: ”Onze bron is het artikel op psycholoog.net geweest. Of wij dergelijke artikelen factchecken is puur afhankelijk van tijdsdruk en verschilt dus per bericht.” Ook Frank Ruiters van psycholoog.net heeft er natuurlijk niet bewust voor gekozen om de cijfers zo te presenteren dat ze anders geïnterpreteerd zouden worden:  ”Ik werd toevallig laatst ook over dit artikel gemaild en kon toen ook niet meer zeggen dan dat het onzorgvuldig is geweest. Ik vind het natuurlijk wel belangrijk om alsnog de juiste feiten aan te bieden dus ik ga er zeker ook nog naar kijken.” Ruiters heeft het bericht inmiddels verwijderd.

Zoethoutthee is gevaarlijker
Drop eten tijdens de zwangerschap is dus veel minder gevaarlijk dan ons in eerste instantie is verteld. Om haar ongeboren kind neuropsychologische schade toe te brengen, moet een zwangere vrouw per week 500 mg. aan glycyrrhizine binnen hebben gekregen: minimaal 250 gram drop per week. Terugdenkend aan het Nederlandse gemiddelde van 38,46 gram drop per week, is het nieuws dus absoluut minder zorgwekkend. ‘Veel’ drop eten is volgens de Finse onderzoekers een gevaar voor het kind en dat klopt. Maar het eten van een paar dropjes per maand, per week of zelfs per dag, is ook voor zwangere vrouwen geen verslaving waar ze van af moeten kicken. Dus ‘Nederlanders en Venco’ mogen blijven.
Wel is het belangrijk om ook even stil te staan bij het drinken van zoethoutthee. Hoewel over de consumptie van deze thee in Nederland weinig bekend is, staat wel vast dat de thee ook glycyrrhizine bevat. Vrouwen kunnen uitgaan van 112,5 milligram per mok van 250 milliliter. Ter vergelijking: een rol topdrop bestaat uit tien dropjes van 47,9 gram. Eén zo’n dropje staat gelijk aan 95,8 milligram glycyrrhizine. Als één klein dropje bijna net zo veel schade kan toebrengen als een hele mok thee, klinkt dat niet zo ernstig. Maar bent u toevallig een zwangere vrouw die niet van drop houdt maar wel van een lekkere mok zoethoutthee per dag, pas dan toch maar op!

Dubbele penis blijkt goedkoop lokkertje

Wednesday, April 21st, 2010

Door: Martijn D. Guliker

Hoofd van de nieuwe varaan
“Grote hagedissoort met twee penissen ontdekt”, kopten verschillende media onlangs. Het bericht was in verschillende verschijningsvormen te vinden op de websites van onder andere nu.nl, De Telegraaf, De Volkskrant (hoewel deze later het bericht rectificeerde), het AD en verschillende internationale media. Het ANP, waarop de Nederlandse journalisten zich baseren, noemt de dubbele penis in de kop maar besteedt er in het bericht zelf weinig aandacht meer aan. Met reden: een dubbele penis is allesbehalve uniek in de reptielenwereld: het is gemeengoed onder alle hagedissen en slangen.

Navraag bij het ANP levert op dat dit bericht afkomstig is van een van de vele andere internationale persbureaus: het ANP vertaalt deze meestal blindelings, en er wordt dus niet meer naar het originele persbericht gekeken. Hierin werd de dubbele penis nooit genoemd. Hendriekus Wiltjer van het ANP: “Ik geef u inderdaad gelijk dat het feit van de twee penissen te prominent gebracht is”.

Wanneer de dubbele penis ten tonele is gekomen is een raadsel. De eerste internationale berichten maken nog geen melding van deze zogenaamde curiositeit, waarschijnlijk omdat zij zich baseerden op het originele persbericht dat direct van de wetenschappers kwam. Waarschijnlijk heeft ergens op de wereld een journalist het bijbehorende artikel opgezocht, en daarin vielen de foto’s van de dubbele penis direct op. Het onderscheid tussen varanen wordt namelijk onder andere gemaakt in de vorm van dit orgaan: deze verschilt van soort tot soort. De journalist heeft de dubbele penis als nieuwswaardig beschouwd, anderen hebben dat overgenomen en uiteindelijk is het geslachtsorgaan het eigenlijke nieuws gaan overschaduwen.

Varanus bitatawa met de niet-unieke dubbele penis

Merlijn van Weerd, een van de co-auteurs van het artikel over Varanus bitatawa, zoals de nieuwe soort genoemd wordt, is Nederlands. Ook hij heeft zich afgevraagd hoe die dubbele penis zo’n groot item is geworden: ‘Het staat niet in de persberichten die uitgestuurd zijn. Ik denk wel dat er vrij snel in de berichtgeving melding is gemaakt van de dubbele penis en dat dit daarna is opgepikt door alle andere media.’

Hoe groot de aantrekkelijkheid van zo’n goedkoop lokkertje is, wordt onderstreept door de schrijfster van het stukje op AD.nl. Van Weerd: “Ik werd gebeld door het AD en de verslaggeefster was met name geïnteresseerd in de penis. Ik heb haar verteld dat alle hagedissen een dubbele hebben en daar was ze nogal teleurgesteld over.” Zoals te zien is in het uiteindelijke stuk heeft de schrijfster het opmerkelijke seksfeitje niet los kunnen laten: het staat nog steeds in de titel, hoewel ze van de bron zelf vernomen heeft dat dit allesbehalve uniek was. De internetredactie van het AD bleek niet bereikbaar voor commentaar.

Pim Arntzen, die zich voor Naturalis bezighoudt met onderzoek naar amfibieën en reptielen, veroordeelt de actie van de media, die het bezit van een dubbele penis zo buitenproportioneel hebben vergroot: “Ik vind het jammer dat zo’n spectaculaire ontdekking van zo’n groot dier in zo’n drukbevolkt gebied niet genoeg nieuws op zichzelf is om alle koppen te halen. Dat er dan zo’n kunstgreep moet worden toegepast om het toch nog onder de aandacht te brengen is treurig.”

Van Weerd zelf is minder sceptisch over de dwaling van de media: “Ik vind het op zich niet erg dat er zoveel interesse is voor de nieuwe soort vanwege die dubbele penis. Ik denk dat alle media-aandacht er juist voor gezorgd heeft dat het nieuws ook door de serieuzere media is opgepikt, bijvoorbeeld door de Economist of Noorderlicht. Ik denk dat deze varaan uiteindelijk niet bekend zal staan als de varaan met de dubbele penis maar gewoon als de Bitatawa, een zeldzame, fruitetende varaan die pas in de 21e eeuw ontdekt werd.”

De Telegraaf dikt risico’s aan

Friday, April 9th, 2010

Door: Luke van Velthoven

Smullen! (Jacob Johan via Flickr)‘Grootouders maken kleinkinderen dik’ volgens de Redactie Lifestyle van De Telegraaf-site. Hierbij nemen ze het niet zo nauw met de aangehaalde Britse onderzoeks-resultaten. Het onderzoek zelf blijkt in orde, maar in het Telegraaf-bericht ontbreken de nuances.

Het onderzoek naar de effecten van kinderopvang op obesitas bij driejarige kinderen is gepubliceerd in het International Journal of Obesity. Dit onderzoek is gebaseerd op een bestand van 12.354 Britse kinderen. De data zijn ontleend aan de Millennium Cohort Study: een longitudinaal onderzoek naar kinderen geboren in het Verenigd Koninkrijk tussen september 2000 en januari 2002.

De kinderen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën van opvang: formeel of informeel, parttime of fulltime? Denk bij formele opvang aan crèches en bij informele aan familieleden. Grootouders nemen circa driekwart van de informele zorg voor hun rekening. Ook is bekend hoe dik de kinderen zijn: maar liefst 2.910 van hen dragen te veel kilo’s met zich mee, op basis van hun BMI (body mass index).

Met die data is onderzocht in hoeverre opvang buitenshuis van invloed is op het risico dat je kind te dik wordt. De Telegraaf en andere nieuwssites (zoals Hbvl.be) gebruikten de resultaten van deze risicoanalyse in februari als basis voor een vrij beknopt nieuwsbericht.

Ongenuanceerd en zonder context

Formele opvang is niet noemenswaardig van invloed op de lichaamsomvang, zo meldt ook de Telegraaf.  Informele opvang is dat wel:  de kans dat je kroost last van overgewicht krijgt, is 33 procent groter als opa en oma voor onbepaalde tijd de verzorging op zich nemen, aldus De Telegraaf.  In het onderzoeksrapport staat in de bijbehorende tabel overigens 34 procent, maar dit terzijde.  Wat De Telegraaf weglaat, is dat dit alleen op fulltime zorg slaat. Bij parttime horen slechts percentages van 11 en 15 procent (bijgesteld na uitvlakken van effecten als roken tijdens de zwangerschap en geboortegewicht).

Een laatste punt van kritiek is het niet noemen van studies die de uitspraken van het Britse artikel enigszins relativeren. Niet alle onderzoeken zeggen namelijk hetzelfde en daar beginnen de Britten zelf ook al over.

Zo gaat het nu eenmaal

Professor Catherine Law, aanspreekpunt voor het onderzoek en onder andere werkzaam aan University College London, verbaast zich niet over onze vondsten. “Over de standaard van wetenschapsjournalistiek: wat en hoeveel wordt gebracht hangt van het artikel en de lezers af.” Ze geeft daarnaast eerlijke repliek over haar onderzoek. “De meeste wetenschapsartikelen beantwoorden én creëren nieuwe vragen. Zo heeft ieder onderzoek zijn krachten en zwaktes.” Op de vraag waarom welgestelde ouders meer risico op obesitas veroorzaken, heeft ze geen antwoord.

Deze mening blijkt Martijn Katan, hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit Amsterdam, grotendeels te delen. “Het stukje in De Telegraaf was niet van dien aard dat ik ze daarvoor onmiddellijk aan de schandpaal zou willen nagelen. Ik heb erger gezien. Wel hebben ze dat ene hoogste getal van 34 procent eruit gepikt; in de meeste analyses ging het om een stijging van het risico met 10-15 procent.” Katan zegt ook dat dit soort epidemiologische onderzoeken eerst gereproduceerd dienen te worden. Vinden de grote effecten wederom plaats? “Meestal blijft er dan niets over, maar dat komt niet in de krant.”

Wetenschappers lijken erin te berusten dat de dagbladjournalistiek vrij ongenuanceerd met onderzoek omgaat. Telegraafredacteur Fides Ciblak vindt haar artikel dan ook secuur genoeg: “Die 33 procent heb ik van een Britse site en ik geef duidelijk genoeg aan dat het om een Brits onderzoek gaat.” Toch vinden wij nergens 33, waarschijnlijk een leesfout. Het onderscheid tussen fulltime en parttime zorg vindt Ciblak eveneens helder genoeg gebracht. Toch kan het nog helderder.

NIGZ-cijfers over onzekere en allergische kinderen rammelen

Friday, March 19th, 2010

Door: Danja Theune

huilendkind

“Een op de vijf kinderen is ontevreden met zichzelf”, kopte het ANP op 4 maart. Nu.nl, het ADDe Telegraaf en andere media namen het bericht over.  De bron wekt vertrouwen: het grootschalige Ga voor gezond!-onderzoek van nationaal gezondheidsinstituut NIGZ. Maar hoe serieus moeten we deze cijfers nemen? Nieuwscheckers vroeg het onderzoeksrapport op en ontdekte dat het percentage ontevreden kinderen veel lager is: niet een op de vijf, maar minder dan een op de twintig. Ook de bewering dat een kwart van de kinderen een allergie heeft, is dubieus.

Het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) stuurde een vragenlijst naar 10.550 kinderen van 4 tot en met 12 jaar, 321 leerkrachten en 599 ouders. De stelling “Ik ben blij met wie ik ben” werd alleen voorgelegd aan kinderen van groep 4 tot en met 8. 76,6 procent antwoordde ‘ja!’, 14,5 procent ‘ja, een beetje’ en 8,2 procent  ‘soms wel, soms niet’. Slechts 2,0 procent gaf als antwoord ‘nee, niet echt’ en 2,7 procent zei ‘nee!’. Dit komt er op neer dat 4,7 procent een ontkennend antwoord geeft, terwijl 8,2 procent twijfelt. Daarnaast werd aan leerkrachten de stelling “De kinderen in mijn groep zijn over het algemeen tevreden met zichzelf” voorgelegd. 80,1 procent van de ondervraagden antwoordde hierop positief.

Rekenfoutjes

Bij het narekenen ontdekte Nieuwscheckers echter een foutje. Het onderzoeksrapport bestaat uit vijf kolommen: jongens / meisjes, autochtonen / allochtonen en totaal. Ieder kind hoort dus in drie van deze kolommen te worden meegeteld, maar blijkbaar is dit niet het geval: voor de kinderen uit groep 4 tot en met 8 zijn de totaalaantallen van deze drie groepen respectievelijk 9254, 9245 en 9492.  Ilona de Gouw, projectmanager bij het NIGZ, bevestigt dat het eigenlijke aantal kinderen 9245 is, het totaal van de kolommen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ dus. De cijfers die Nieuwscheckers noemt, zijn daarom afkomstig uit deze twee kolommen.

Afgaande op de antwoorden van de kinderen klopt het dus niet dat maar 80 procent tevreden is met zichzelf: dit moet 87,1 procent zijn. Slechts 4,7 procent is niet echt of helemaal niet tevreden met zichzelf – veel minder dus dan een op de vijf. Volgens De Gouw is er echter voor gekozen om de antwoorden van de leerkrachten ook mee te laten tellen. Maar de vraag die de leerkrachten beantwoorden, gaat over de hele klas. Wanneer in een klas slechts enkele kinderen zitten die erg onzeker over zichzelf zijn, zou een leerkracht dus nog steeds ‘ja’ kunnen invullen. De antwoorden van de ouders daarentegen zijn buiten beschouwing gelaten – en van hen gelooft 91,8% dat zijn of haar kind tevreden is met zichzelf. Op de vraag wat hier de reden van is, is De Gouw helaas niet meer ingegaan.

Kinderen met een allergie

Ook de NIGZ-bewering dat 25 procent van de kinderen een allergie heeft, is dubieus. De antwoorden van kinderen liggen op dit gebied namelijk mijlenver van de antwoorden van de ouders. Ook tussen kinderen van verschillende leeftijdsgroepen bestaan grote verschillen. 14,9 procent van de ouders zegt een kind te hebben met een allergie. Dit steekt mager af bij het oordeel van hun kroost zelf: maar liefst 37 procent van de kinderen uit groep 4 tot en met 8 denkt ergens allergisch voor te zijn, evenals 24,5 procent uit groep 1 tot en met 3. Het gemiddelde van alle kinderen ligt op 35,6 procent. Dit komt dus niet overeen met de conclusies van het NIGZ, dat desondanks het gemiddelde van alle kinderen zegt te hebben genomen.

Volgens Ewoud Dubois, hoogleraar Kinderallergologie aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen, is het moeilijk om exact te zeggen hoeveel mensen een allergie hebben. Hij legt uit dat er een groot verschil is tussen het fenomeen ‘allergie’ en het fenomeen ‘sensibilisatie’. Wie een verhoogde sensibilisatie heeft (volgens Dubois zeker rond de 45 procent van de kinderen), heeft een verhoogde kans om allergisch te worden, maar dit hoeft niet zo te zijn. Daarnaast kunnen overgevoelige reacties ook voorkomen zonder dat er sprake is van een allergie. Dubois beklemtoont dat het erg lastig is om precies te weten te komen hoeveel kinderen er precies een allergie hebben.

In het geval van de test van het NIGZ moesten kinderen zelf invullen of ze al dan niet allergisch waren. Dubois benadrukt dat het voor mensen erg lastig is om aan te geven of ze een allergie hebben of niet. Een onderzoek dat binnenkort gepubliceerd wordt, wees uit dat 10 procent van de jongeren zichzelf onterecht een allergie toebedeelt. Dit onderzoek werd weliswaar uitgevoerd op een middelbare school, maar het is niet waarschijnlijk dat jongere kinderen beter op de hoogte zijn van hun allergieën.

Ook Marjan Kerkhof, epidemiologe aan het UMCG, kan niet met zekerheid zeggen hoeveel kinderen aan een allergie lijden. Percentages spreekt ze zeer voorzichtig en met drie slagen om de arm uit: “15 procent heeft eczeem, 10 procent astma en veel kinderen krijgen vanaf de basisschool hooikoorts.” Het hooikoortspercentage is onder 20-jarigen langzaamaan gestegen tot pakweg 30 à 40 procent. Yola de Vries, secretaris van de Vereniging van Allergiepatiënten, durft wel exacte getallen te noemen, maar die zijn weer veel lager: 4 tot 8 procent.

Reactie van het ANP
Waarom heeft het ANP de twijfelachtige cijfers uit het NIGZ-persbericht overgenomen? Rennie Rijpma, chef van de redactie Binnenland bij het ANP, vertelt dat de schrijfster van het bericht gewoonlijk altijd de onderzoeksrapporten van dergelijke onderzoeken opvraagt en controleert. Dit specifieke bericht kon ze zich helaas niet meer herinneren, maar volgens Rijpma denkt ze dat ze haar gewoonlijke werkwijze heeft gevolgd. Rijpma: “Ze heeft de conclusies van het NIGZ gevolgd en niet haar eigen conclusies getrokken.”

Liefdesalarm gaat te vroeg af

Tuesday, March 16th, 2010

Door: Jeanne Veldwijk

www.loveralert.nl

Een op de vijf jongeren heeft ervaring met geweld in een relatie. Althans, dat concludeert de GGD Rotterdam-Rijnmond uit internationaal onderzoek en een eigen internetenquête. Onder andere De Telegraaf, het AD en verscheidene regionale media hebben dit nieuws van de GGD overgenomen. Maar zijn deze cijfers te vertrouwen? Nieuwscheckers probeert er achter te komen. Dat valt niet mee: ook de GGD zelf weet het niet precies.

“Zo’n 20% van de jongeren bleek op basis van de uitslag in de gevarenzone te zitten met scheve relatieverhoudingen en kreeg het advies om hulp te zoeken”, aldus een persbericht van de GGD Rotterdam-Rijnmond. Zij kunnen het slachtoffer worden van verkeringsgeweld. Om jongeren hierover te informeren worden zij met posters, radiospotjes en flyers geattendeerd op de website loveralert.nl, die sinds eind 2009 in de lucht is. Jongeren kunnen daar informatie inwinnen over relatiegeweld en een test doen om de risicofactor van hun relatie te testen. De resultaten van de eerste 5100 van deze relatietests komen overeen met het gemiddelde dat is aangetoond in internationaal onderzoek, aldus Jetze Janssen, communicatieadviseur bij de GGD. En een op de vijf is volgens zijn collega sowieso “de landelijke maatstaf voor huiselijk geweld.” De afdeling communicatie kan Nieuwscheckers echter niet vertellen uit welk onderzoek dat gebleken is.

Onderzoek

Het internationale onderzoek waar de GGD in het persbericht naar verwijst is, aldus een van de GGD-voorlichters,  “Dating Violence: a critical review of the literature” van de Amerikanen Lewis en Fremouw (Clinical Psychology Review, 2001). Zij bespreken een groot aantal onderzoeken naar verkeringsgeweld. Hun belangrijkste conclusie is echter dat deze elkaar vaak tegenspreken en dat het daarom lastig is om een betrouwbare cijfers te noemen.  Hoewel uit het allereerste onderzoek naar verkeringsgeweld uit 1981 inderdaad bleek dat een op de vijf studenten ervaring heeft gehad met (fysiek) geweld in een relatie, wordt deze uitkomst in dezelfde alinea  in twijfel getrokken. Uit een ander onderzoek (Roscoe & Callahan, 1985) bleek namelijk dat maar 9 procent van de studenten ervaring heeft gehad met relatiegeweld. En in weer een ander onderzoek – dat ook verbale agressie liet meetellen – was dat 65 procent.

Kortom, de cijfers zijn onzeker en de bewering van de GGD dat de resultaten van hun enquête overeenkomen met internationaal onderzoek, is onjuist. De GGD verwijst ons naar een publicatie die de schokkende cijfers – een op de vijf – juist in twijfel trekt. Waarom de GGD zich dan toch op dit artikel baseert, kan communicatiemedewerker Dominique Goedegebuure ons niet vertellen: ”Het is een onderzoek dat landelijk circuleert.”

Ook jongens slachtoffer

Illustratie op loveralert.nlHet is opvallend dat de GGD een studie uit 2001 heeft gebruikt. Er bestaat namelijk ook een meer recente uit 2008, van Shorey, Cornelius en Bell. Nog opvallender is echter dat in een eerder persbericht van de GGD vermeld wordt dat 84 procent van de slachtoffers van verkeringsgeweld vrouw is – jongens lopen dus óók risico.  Zowel de studie van Lewis en Fremouw, als die van Shorey, Cornelius en Bell vermelden namelijk dat er bewijs is gevonden dat vrouwen evenveel (zo niet vaker) de dader zijn van verkeringsgeweld.  De resultaten van de enquête van de GGD komen dus voor een groot deel juist niet overeen met ‘internationaal onderzoek’. De afdeling communicatie – een beleidsmedewerker krijgt Nieuwscheckers nog steeds niet te spreken – houdt zich echter bij het standpunt dat meisjes vaker het slachtoffer zijn van verkeringsgeweld dan jongens.

De test

De relatietest op de website loveralert.nl bestaat uit 12 meerkeuzevragen over het gedrag van de lover in kwestie.  Onder ‘verkeringsgeweld’ volgens de definitie van de GGD vallen zowel lichamelijk  als verbaal geweld en vernedering. Maar een duidelijk signaal van (aankomend) geweld is volgens de GGD ook als je vriendje wel erg snel in de relatie toekomstplannen gaat maken of “Je voelt je niet helemaal OK in je relatie.”

Nergens wordt direct gevraagd of de ‘lover’ je wel eens mishandelt of misbruikt. Goedegebuure: “Dat is omdat wij ons richten op preventie. Uit de test blijkt of er alarmbellen af zouden moeten gaan.” Het persbericht uit november beweert echter: “Uit onderzoek blijkt dat één op de vijf jongeren geconfronteerd wordt met geweld in een relatie, zoals slaan, dwingen tot seks, extreme jaloezie en vernedering in het openbaar.” Maar zulke conclusies kun je niet trekken uit een test die zich alleen concentreert op ‘signalen’.

website loveralert

Aan het eind van de test wordt naar je leeftijd gevraagd. De leeftijd van de geënquêteerde kan 1 tot 100 jaar zijn en heeft geen invloed op de uitkomst. “Dit is omdat we willen weten of er mensen van andere leeftijden zijn die ook behoefte hebben aan een dergelijke campagne”, aldus Goedegebuure. Ook kan je de test een onbeperkt aantal keren doen. De resultaten die gebruikt zijn in het persbericht  zijn afgeleid van de eerste 5100 mensen die de test hebben gedaan. Nieuwscheckers vroeg of de GGD rekening heeft gehouden met vervuiling van de resultaten, bijvoorbeeld door meervoudig invullen of door geënquêteerden die niet in de doelgroep van de campagne vallen. Goedegebuure: “Er is rekening is gehouden met een percentage vervuiling.” Een verantwoording van de gebruikte methode kan de GGD echter niet laten zien.

Rammelen

De relatietest, de conclusies uit deze test en het besluit zich op maar één internationaal onderzoek te baseren, rammelen dus aan alle kanten. Waarom nemen journalisten zo’n zwak verhaal kritiekloos over?  Chantal Antonio van De Telegraaf nam het persbericht van de GGD over voor haar artikel:  “Als het een persbericht is, dus van de instelling zelf, neem je dat aan. Ik zag weinig reden om na te bellen.” Maar juist omdat persberichten vanuit de instelling zelf komen, is de informatie vaak gekleurd. Het had dus geen kwaad gekund als de journalisten met een kritische blik naar de informatie hadden gekeken.

De afdeling communicatie van de GGD Rotterdam-Rijnmond heeft het niet makkelijk met Nieuwscheckers en is slecht voorbereid op vragen van journalisten die het naadje van  de kous willen weten over cijfers en onderzoek. Communicatiemedewerker Martine van Opstal: “Ach, ‘onderzoek’ is een groot woord.” Communicatiemedewerker Dominique Goedegebuure: “Loveralert is geen onderzoek, het is een campagne.”

Van verveling ga je niet dood

Monday, March 15th, 2010

Door: Anika van de Wijngaard

verveling

‘Intense verveling verhoogt sterfkans’, berichtte de wetenschapsrubriek van nu.nl op 10 februari.  Bron: een onderzoek door epidemiologen van London University College,  gepubliceerd in het International Journal of Epidemiology. Zowel Nederlandse als buitenlandse media brachten het nieuws over het gevaar van verveling.  Maar alleen het Algemeen Dagblad meldde dat het onderzoek niet bedoeld was als ’serieuze wetenschap’. “Tot mijn verbazing namen de meeste media het oorspronkelijke bericht klakkeloos over”, aldus AD-journalist Caspar Naber.

Het onderzoek is gebaseerd op een enquête uit de jaren tachtig. Ongeveer 7500 ambtenaren werden ondervraagd over de mate en regelmaat waarmee zij zich verveelden. Hierbij konden zij aangeven of zij zich niet, in lichte mate, redelijk vaak of heel vaak verveelden.

In 2009 zochten de onderzoekers uit hoeveel mensen die de enquête hadden ingevuld nog in leven waren. Hieruit bleek dat de ambtenaren die hadden aangegeven dat zij zich vaak en in sterke mate verveelden, veelal jonger overleden waren dan hun collega’s die zich niet verveelden. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de mensen die zich regelmatig en sterk verveelden 37 procent meer kans hadden om binnen twintig jaar te overlijden. Het onderzoek  bewijst echter niet dat verveling dodelijk is.

Ongezonde levenswijze

Een verhoogde kans op sterfte kan veroorzaakt worden door een ongezonde levenswijze, maar het verband kan ook omgekeerd zijn: een ongezonde levenswijze kan ook de oorzaak zijn van verveling. Verveling en ongezonde levensgewoontes zouden ook, als derde scenario,  gemeenschappelijke oorzaken kunnen hebben, zoals een kansarme leefomgeving of een laag opleidingsniveau. Het is kortom nog niet aangetoond of het causale verband tussen verveling (de oorzaak) en slechte levensgewoontes (het gevolg) correct is. 

Hoogleraar epidemiologie Frits Rosendaal, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum, bevestigt dit: we kunnen niet weten of er een verband is aangetoond tussen verveling en een verhoogde kans om eerder te overlijden. Daarnaast vindt Rosendaal het onderzoek volstrekt oninteressant:  “Het is zeker wel interessant om te weten of slechte gewoontes en verveling samenhangen. Ook is het interessant om te weten of bepaalde slechte gewoontes samenhangen met bepaalde ziekten. Maar de lijn van verveling naar sterfte leidt tot geen enkel dieper inzicht”, aldus Rosendaal.

Het artikel op nu.nl is geschreven door journalist Dennis Rijnvis. Op de vraag waarom er een artikel is geplaatst over het onderzoek, reageerde Rijnvis als volgt: “We plaatsen berichten op nu.nl omdat we ze interessant vinden voor onze doelgroep. Wij maken dezelfde afwegingen als elk nieuwsmedium. In het artikel wordt duidelijk de onderzoeksmethode uitgelegd. Uiteraard is iedereen vrij om het daar mee eens of niet.”
 
Nieuwscheckers nam contact op met Annie Britton, Senior Lecturer in Epidemiology aan University College London . Jullie interpretatie van het onderzoek is absoluut correct” , verklaart Britton. “Het is zeer waarschijnlijk dat het verhoogde risico veroorzaakt wordt door andere factoren, zoals ongezonde leefomgeving of sociaal-economische deprivatie. Wij wilden bekijken of er gegevens te vinden zijn die de uitdrukking ‘doodgaan van verveling’ ondersteunen. Het artikel was niet bedoeld om te serieus te nemen.”

Meisjesblad ontdekt oorzaak eetstoornis: moeders op dieet

Friday, January 8th, 2010

Door Thomas Waning

Moeder op dieet veroorzaakt eetstoornis bij dochter,’ waarschuwt het AD op 29 oktober 2009. Bron: een Brits onderzoek. De werkelijkheid is anders: het gaat om een internetenquête namens het Britse tienermagazine Sugar. Nieuwscheckers probeerde het onderzoek te achterhalen en de cijfers na te rekenen. En ontdekte dat die nog schokkender waren dan het AD beweerde.

Het AD strooit in de eerste alinea met cijfers: ‘Een enquête onder 500 meisjes van 12 tot 18 jaar toonde aan dat 6 procent van hen een eetstoornis heeft. Dat stijgt naar 10 procent bij degenen van wie de moeder op dieet is. Bij 56 procent van de tienermeisjes is de moeder op dieet.’ Dat willen we narekenen. En we willen de vragen van de enquête zien. Maar helaas, Caroline Corcoran, redacteur van Sugar, vertelt dat het onmogelijk is het onderzoek in te zien. Ze wil alleen het originele persbericht geven. Herhaaldelijke pogingen om haar te overtuigen, krijgen geen reactie. Maar wellicht kunnen we met het persbericht de cijfers narekenen.

Onbetrouwbare cijfers

Uit het persbericht blijkt dat 512 meisjes de vragenlijst hebben ingevuld. Zes procent van hen heeft een eetstoornis. Dat zijn in totaal 30 meisjes. Van die 512 heeft 56 procent een moeder die op dieet is, dat betekent dat 287 meisjes een moeder hebben, die op dieet is. En 10 procent van 287 heeft een eetstoornis, dat zijn afgerond 29 meisjes. Het is dus nog sterker dan het AD schrijft: in dit onderzoek hadden op een na alle meisjes met een eetstoornis een moeder die aan de lijn deed! Een aantal beweringen van het artikel zijn bij deze meteen al ontkracht. Zo verdubbelen moeders niet alleen het risico dat hun dochter met een eetstoornis kampt. Ze zijn in bijna alle gevallen de oorzaak. Maar als moeders de oorzaak zijn, dan ligt de oplossing ook voor de hand: nooit meer diëten.

Zo simpel kan het dus zijn, Anita Jansen. Jansen, hoogleraar experimentele psychologie aan de Universiteit Maastricht, houdt zich bezig met onderzoek naar eetstoornissen en overgewicht en is het niet eens met de conclusies van het onderzoek: ‘Er kan nooit beweerd worden dat moeders op dieet eetstoornissen veroorzaken bij hun dochters. Dat is namelijk nooit goed onderzocht. Het is niet bekend wat nu precies eetstoornissen veroorzaakt.’ Ook de overige beweringen van het artikel lijken weinig betrouwbaar, en lastig te verklaren zonder het onderzoek zelf. Het artikel legt vooral een link tussen eetstoornissen en diëten. ‘Een dieet is geen eetstoornis’, aldus Jansen.

Omweg naar Nederlandse krant

Het oorspronkelijke bericht van het Algemeen Dagblad (AD) komt van Het Laatste Nieuws (HLN) uit België. HLN heeft bijna hetzelfde bericht op de site staan en heeft het bericht overgenomen van de Daily Mail. Wat gelijk al opvalt is dat het bericht hier veel langer is en daardoor ook een stuk genuanceerder overkomt. Bovendien is het duidelijk dat het om een internetenquête gaat, niet om een hoogwaardig onderzoek. Het bericht is vertaald en aangepast door Ellen Provoost, die vaker vaker medische berichten van de Daily Mail bewerkt voor HLN. De Nieuwscheckers kennen haar al van een artikel over een wonderpil tegen menstruatiepijn. Ellen Provoost was ook deze keer niet bereikbaar voor commentaar.

Erfelijk

Het echte verhaal achter de oorzaak van eetstoornissen is niet bekend. Wel is uit onderzoek gebleken dat er een samenhang is tussen moeders op dieet en dochters op dieet. ‘Als moeder op een dieet is, is de kans groter dat dochter ook op dieet is’, legt Jansen uit. ‘Maar dat wil niet zeggen dat het een het ander veroorzaakt.’ Ook andere factoren spelen een rol: ‘Een lage zelfwaardering lijkt een risicofactor, en een negatief lichaamsbeeld ook. Verder is er een duidelijk erfelijke component, in dat geval hoeft de moeder niet eens op dieet te zijn.’

Ellen Provoost en het AD hadden even kunnen bellen naar een expert op het gebied van eetstoornissen. Dan hadden ze de lezer van nuttige informatie over eetstoornissen kunnen voorzien. En wie weet had dat ook een mooi verhaal opgeleverd.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (2)
  • archeologie (3)
  • dagelijks leven (13)
  • economie (4)
  • medisch (29)
  • misdaad (7)
  • Multicultureel (1)
  • natuur (6)
  • pedagogiek (2)
  • politiek (3)
  • psychologie (12)
  • Tandheelkunde (1)
  • Technologie (2)
  • Uncategorized (6)
  • verkeer (2)
  • wetenschap (16)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • Toekomst van de Journalistiek
  • Channel 4 FactCheck
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Verdraaide Feiten
  • Snopes