psychologie

Lelijkevrienden-effect bestaat, maar reken er niet op voor een date

Friday, November 4th, 2016

door: Djoeke Bakker en Annick van Kerkum

‘Lelijke vrienden maken je écht knapper’, claimden verschillende media begin oktober 2016. De kop suggereert dat het ‘lelijke vrienden-effect’ -  je lijkt zelf knapper als je je omringt met lelijke mensen – echt bestaat. Verschillende media hebben dit nieuws gevonden op de site van DailyMail. Metro schrijft dat door het lelijke vrienden-effect “Je kansen om iemand aan de haak te slaan in de kroeg [...] significant groter” zijn. Het staat echter niet vast dat je sneller iemand aan de haak slaat wanneer je met lelijke vrienden op stap gaat.

Op verschillende nieuwssites, onder andere Flair, Nu.nl en Linda Nieuws, worden er over hetzelfde onderzoek andere conclusies getrokken. Daardoor blijft het onduidelijk wat precies is onderzocht en hoe dat is gedaan. Daarnaast klinkt het nogal onwaarschijnlijk: lelijke vrienden maken je mooier. Ook sociale status, kleding, en houding bepalen toch of anderen je knap vinden? De nieuwsberichten baseren zich op een onderzoek van dr. Nicholas Furl, psycholoog aan de Royal Holloway University in London, waarin hij concludeert dat gezichten aantrekkelijker worden gevonden als zij naast onaantrekkelijke gezichten worden geportretteerd.

Hoe bepaal je aantrekkelijkheid?

Volgens Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en auteur van een studieboek over dat vak, bepalen drie factoren of we iemand aantrekkelijk vinden: gezicht, lichaamsbouw en manier van bewegen. Wat vrouwen aantrekkelijk vinden, heeft volgens Vonk ook te maken met hoe die vrouwen zelf in elkaar steken: “Zo houden extraverte vrouwen meer van stoere mannen dan introverte vrouwen.” Ook andere zaken, zoals signalen die duiden op maatschappelijk succes, spelen een rol. Mensen laten zich leiden door wat voor hen het hoogst haalbare is. Je zoekt dus iemand die in jouw ‘klassement’ valt, en meet de aantrekkelijkheid van iemand anders aan de hand van je eigen aantrekkelijkheid. Vonk: “Dat heeft ook de meeste kans van slagen.” Verder zet zij kanttekeningen bij het onderzoek van Furl: “De grootte van het verschil is belangrijk. Als er een te klein verschil is, word je ook lelijker.” Furl gaat in zijn onderzoek niet in op de grootte van het verschil in aantrekkelijkheid.

Maar wat ís dan eigenlijk aantrekkelijk? Uit onderzoek, van bijvoorbeeld Fink en collega’s (2006), blijkt dat symmetrie erg belangrijk is in de beoordeling van de aantrekkelijkheid van vrouwelijke gezichten. Daarnaast zijn er voor vrouwen en mannen specifieke kenmerken die het gezicht van de tegenovergestelde sekse aantrekkelijk maken. In het onderzoek van Furl zijn alleen gezichten afgebeeld op foto’s. De andere aspecten van aantrekkelijkheid blijven dus buiten beschouwing.

Kritiek op onderzoeksmethode

Psychologe Maud Nooitgedagt betwijfelt of het mogelijk is om ‘gemiddeldheid’ (‘averageness’) te toetsen. het onderzoek kwalificeert ze als een klein experiment, met slechts 40 deelnemers, en zeker niet nieuwswaardig. “In de sociale psychologie worden constant kleine onderzoekjes gedaan, dat is niets nieuws, maar de manier waarop dit bericht wordt opgeblazen is een ernstige zaak, omdat er onjuiste conclusies aan worden verbonden.” Verder vindt Nooitgedagt het opvallend dat er geen rekening is gehouden met de seksuele voorkeur van de participanten. Dat heeft volgens haar ook invloed op de beoordeling van aantrekkelijkheid.

Reactie onderzoeker

Nieuwscheckers belde met de Engelse onderzoeker om erachter te komen hoe hij de ‘averageness’ heeft gemeten. Furl: “We vroegen de deelnemers om te beoordelen in welke mate de gezichten eruit zagen als ieder ander ten opzichte van in welke mate de gezichten afweken van de meeste andere gezichten. Vervolgens waren de deelnemers vrij om zelf te bepalen wat zij als gemiddeld beschouwen. Eerder onderzoek toont aan dat mensen de neiging hebben om meer gemiddelde gezichten als aantrekkelijk te kiezen. Dus we dachten dat dit een goede controle zou zijn voor aantrekkelijkheid.”

Furl vindt het leuk dat zoveel media interesse hebben getoond in zijn onderzoek. “Ik hoop altijd dat de wetenschap vertaald kan worden in real-life toepassingen die mensen beïnvloeden.” Volgens Furl begreep het grootste deel van de media de kerngedachte van zijn onderzoek, al redeneerden journalisten soms wat te kort door de bocht. “De onaantrekkelijke vriend maakt dat mensen kieskeuriger of kritischer zijn over wie ze willen. Zo snijdt het mes aan twee kanten wanneer er meer aantrekkelijke gezichten zijn. Zo kun je als ‘knappe vriend’ minder knap lijken wanneer er meer ‘knappe vrienden’ zijn.”

Reactie Metro

We vroegen de schrijfster van het artikel in Metro, Ingelise de Vries, om een reactie: “Ik heb het artikel vertaald van Daily Mail online, daar verwijs ik in het artikel ook naar. Ik heb verder niemand nagebeld of gecontacteerd. Hoe graag ik het onderzoek ook zou lezen, daar hebben we helaas geen tijd voor. Voor je door zo’n onderzoek heen bent, ben je vaak een halve dag verder.”

Conclusie

Het is waar dat afbeeldingen van gezichten naast afbeeldingen van lelijke gezichten als knapper worden beoordeeld. Nieuwsmedia hebben deze uitkomst gretig opgepikt en niet genuanceerd door hem te vergelijken met ander onderzoek. Het is niet bewezen dat je sneller iemand aan de haak slaat wanneer je met lelijke vrienden op stap gaat: of iemand je aantrekkeijk vindt, hangt af van meer dan je gezicht. Het lelijkevriendeneffect bestaat, maar reken er niet op voor een date.

Foto: Lana_aka_BADGRL (Flickr, CC BY 2.0)

Zien droevige mensen minder kleuren?

Wednesday, November 4th, 2015

Door: Joline Cramer & Yuri Noordam

Verdrietige mensen zouden minder goed kleuren kunnen onderscheiden, meldde NU.nl op 3 september 2015. Is dit wel zo? Nieuwscheckers nam dit nieuws onder de loep en ontdekte een aantal haken en ogen. Andere onderzoekers leveren heftige kritiek: het onderzoek zou moeten worden teruggetrokken, vinden zij.

Het artikel van NU.nl is gebaseerd op een onderzoek van de Amerikaanse universiteit van Rochester, waarvoor de emoties van proefpersonen werden gemanipuleerd. Een deel van hen werd blootgesteld aan beelden die een trieste emotie moesten oproepen. Zij bekeken een fragment uit de Disneyfilm The Lion King: de vader van leeuwenwelp Simba, die van een rots naar beneden valt en Simba die huilend naast het levenloze lichaam van zijn vader staat.

Het andere deel van de proefpersonen kregen een video te zien die vrolijke emoties moest triggeren. Zij zagen een fragment van een populaire cabaretier die grappen vertelt aan een lachend publiek. Daarna kregen de proefpersonen een aantal kleurvlakken te zien, waarvan de intensiteit (saturatie) per vlak verschilde. Deze kleuren moesten zij benoemen. Een tweede groep proefpersonen kreeg dezelfde opdracht, alleen zagen zij een emotioneel neutraal beeld van een screensaver in grijstonen en het fragment uit The Lion King. De video van de cabaretier ontbrak.

Niet alle kleuren

Een blik op het originele onderzoek geeft al meer duidelijkheid. Het artikel ‘Sadness Impairs Color Perception’ is gepubliceerd in Psychological Science, een bekend wetenschappelijk tijdschrift. In de samenvatting van het artikel schrijft hoofdauteur Christopher Thorstenson: “The results of both experiments showed that sadness impaired color perception along the blue-yellow color axis but not along the red-green color axis.” Thorstenson concludeert dus dat droevigheid effect heeft op de waarneming van de kleuren blauw tot geel in het kleurenspectrum, maar niet op de kleuren tussen rood en groen. Verdrietige mensen nemen dus niet alle kleuren minder goed waar, maar een aantal kleuren rondom een specifieke as.

Interactie

Het onderzoek van Thorstenson staat in een gerenommeerd tijdschrift. Dit veronderstelt dat het artikel voor plaatsing door een aantal experts in het vakgebied is bekeken. Toch is er vanuit de wetenschappelijke wereld veel kritiek geleverd op het onderzoek. Volgens Daniël Lakens, universitair docent toegepaste cognitieve psychologie aan de Universiteit Eindhoven, is de kritiek vooral gericht op de statistische onnauwkeurigheid van de onderzoekers.Lakens zegt dat de conclusies van het onderzoek niet worden ondersteund door de data: ze zijn niet te trekken op grond van de toets die de onderzoekers gebruiken. Hierbij verwijst hij naar een aantal peer-reviews op de website PubPeer, een online community waarop gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek onder de loep genomen wordt.

Significantie

Thorstenson maakt gebruik van een t-test met twee onafhankelijke steekproeven. De hypothese was dat de leden van de ‘droevige film-groep’ gemiddeld slechter zouden zijn in het onderscheiden van kleuren dan die van de ‘grijze screensaver’-groep en de ‘cabaretier’-groep.

De onderzoekers claimen dat droevigheid invloed heeft op het waarnemen van kleuren op de blauw-geel as, maar niet op de perceptie van kleuren op de rood-groen as. Volgens de critici op PubPeer zeggen de data iets anders: dat de onderzoekers een effect op de ene as hebben gemeten, maar niet op de andere as betekent niet dat er geconcludeerd kan worden dat droevige mensen bepaalde kleuren minder goed waarnemen. Om die conclusie te kunnen trekken moet ook nog een statistisch significante interactie tussen de twee effecten gemeten worden. Hiermee kunnen de onderzoekers aantonen dat het resultaat niet op toeval berust.

Volgens een anonieme onderzoeker op PubPeer (Peer 1) is de interactie in het eerste experiment ‘marginaal’ significant. Dat wil zeggen dat het net niet aan de vereiste grens van 0.05 komt, een gebruikelijke grens om te bepalen of een effect wel of niet op toeval berust. De uitkomst is niet overduidelijk: de kans bestaat dat de uitkomst van het onderzoek anders is wanneer het (meerdere keren) herhaald wordt. Voor nu zouden de resultaten te zwak zijn om er harde conclusies aan te kunnen verbinden. Het tweede experiment zou volgens de anonieme onderzoeker in geen geval significant zijn. De conclusie dat er een effect is van droevigheid op perceptie van kleur is daarom onjuist, benadrukt deze.

Happy condition

De critici op PubPeer zijn eensgezind: het onderzoek moet worden teruggetrokken. Maarten Frens, als neurowetenschapper verbonden aan het Erasmus MC, is positiever. Hij vindt het experiment er solide uitzien. Frens: “Jammer dat er geen happy condition in experiment 2 zit, maar dat doet aan de conclusies niks af.” In het tweede experiment zijn alleen droevige en neutrale emoties gemeten: de video van de cabaretier is hier niet getoond. Volgens Frens heeft dat echter geen effect op de uitkomst van het onderzoek.

Alles bij elkaar opgeteld kunnen er vraagtekens worden gezet bij het effect van droevigheid op de waarneming van kleuren. Thorstenson heeft niet gereageerd op een verzoek voor commentaar.

Zelfreinigend vermogen

Terug naar het artikel op NU.nl. Hierin staat: “Als mensen droevig zijn, heeft dat invloed op de manier waarop zij kleuren waarnemen. In een slechte bui zijn mensen minder goed in het onderscheiden van kleuren dan wanneer zij blij zijn.” Een kanttekening is hier wel op zijn plaats: verdrietige mensen nemen niet alle kleuren minder goed waar, alleen kleuren rondom een specifieke as. NU.nl trekt dus een te stellige conclusie. De auteur van het artikel was niet bereikbaar voor een reactie.

Of de conclusies van Thorstenson echt goed onderbouwd zijn, is een tweede vraag. Die laten we over aan het zelfreinigende vermogen van de wetenschap.

UPDATE: Inmiddels is het artikel ‘Sadness Impairs Color Perception’ teruggetrokken door de auteurs. De onderzoekers lichten hun besluit toe op de website van SAGE Journals.

Foto: Gary Ullah (Flickr, CC BY 2.0)

Ouders opgelet: seks toch niet onbelangrijk voor jongeren

Wednesday, November 4th, 2015

Door: Esha Metiary & Joyce Nafzger

“Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks,” berichtten verschillende nieuwsmedia op 11 september. Uit een studie van de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit Groningen zou blijken dat jongeren meer waarde hechten aan romantiek dan aan seks. Dagboekanalyses van 183 tieners zouden uitwijzen dat ouders zich veel minder zorgen hoeven te maken dan tot nu toe de traditie was. Maar kun je aan de hand van opgeschreven hersenspinsels met zekerheid stellen dat seks een ondergeschikte rol speelt bij tieners? En komt de kop wel overeen met de uitkomst van het onderzoek?

Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks, meldden NU.nl, Metro, AD.nl en vele andere media op 11 september. Bron was een ANP-bericht, gebaseerd op een presentatie van het project ‘Studies on Trajectories of Adolescent Relationships and Sexuality’ (STARS). Maar in hoeverre is een dagboek, in het bijzonder een tienerdagboek, een betrouwbare bron als het gaat om het openlijk uiten van gevoelens?

Dagboekanalyse betrouwbaar?

Marianne Cense, onderzoeker naar de seksuele gezondheid van jongeren bij kenniscentrum voor seksualiteit Rutgers, stelt dat seksualiteit te privé en te beladen is met taboes om er openlijk over te schrijven. “Als het gaat om zelfrapportage van jongeren over seksualiteit, kun je in het algemeen wel stellen dat jongeren (of volwassen) vast niet alles opschrijven of melden wat ze denken/fantaseren/doen op dit gebied.”

Oral historica Marie-Louisse Janssen, gespecialiseerd in gender en seksualiteit aan de Universiteit van Amsterdam, acht het juist wel waarschijnlijk dat jongeren hun seksuele gedachten en gevoelens uiten in onderzoeksdagboeken. Wel betwijfelt zij, net als Cense, of deze overeenkomen met de werkelijkheid. “De belangrijkste valkuil is dat wat mensen in een dagboek schrijven vaak gebaseerd is op wensen, verzinsels, fantasie, dromen en verlangens die lang niet altijd, of zelfs meestal niet, overeenkomen met de werkelijkheid en werkelijk gedrag. Dan wordt het een soort pornografie.” Op de vraag of zij de analyse van 183 tienerdagboeken ‘watervast’ genoeg vindt om de gekopte conclusie te trekken, antwoordt zij stellig: “Natuurlijk niet”.

Wieke Dalenberg van Project STARS verbaast zich over deze reacties. Zij beaamt dat seksualiteit een privacygevoelig onderwerp is, maar meent dat in de dagboekstudie juist getracht is een veilige setting te creëren. Bovendien hielden de adolescenten in kwestie geen traditioneel dagboek bij, maar een onderzoeksdagboek waarin expliciete vragen gesteld werden over seksualiteit. De vergelijking tussen de dagboeken en pornografie ziet Dalenberg niet. Zij acht de adolescenten capabel om hun gedrag en fantasieën van elkaar te onderscheiden: “De dagboekuitingen die ik gelezen heb, laten zich niet als ‘pornografisch’ omschrijven.”

(On)terechte bezorgdheid ouders

NU.nl stelt dat ouders zich minder zorgen hoeven te maken dan ze traditioneel deden. Cense vindt dat “nogal een aanname”. De conclusie dat ouders zich geen zorgen moeten maken, lijkt haar dan ook “niet iets wat de onderzoekers geconcludeerd zullen hebben, maar meer iets uit de koker van de journalist.”

Cense merkt in contact met leraren “dat ze verbaasd zijn dat de leeftijd waarop Nederlandse jongeren geslachtsgemeenschap hebben, nauwelijks zakt de afgelopen twintig jaar. Dat blijft rond de 17 jaar.” Een bevinding die het idee ‘de jeugd van tegenwoordig doet het steeds eerder en roekelozer’ tegenspreekt.

Volgens Dalenberg van Project STARS kan uit het onderzoek inderdaad niet de conclusie worden getrokken dat bezorgdheid van ouders onterecht is. Volgens haar is mogelijke bezorgdheid afhankelijk van iedere individuele situatie. “Voor sommige ouders is het gegrond om je zorgen te maken om je kind en andere ouders hoeven zich minder zorgen te maken, afhankelijk van het kind.”

Foutieve interpretatie

Er zijn nog meer kinken in de kabel van het nieuwsbericht. De kop komt volgens Dalenberg niet voort uit het volledige onderzoek, maar is gebaseerd op het deelonderzoek onder 300, dus niet 183, jongeren in verschillende deelstudies, waarvan de uitkomst is gemisinterpreteerd. Bovendien hebben er ‘slechts’ 1.300 en niet 13.000 jongeren deelgenomen aan het totale onderzoek. Deze numerieke onjuistheid in het oorspronkelijke ANP-bericht en de daarop gebaseerde nieuwsberichten is intussen aangepast.

Uit de resultaten blijkt niet dat voor jongeren ‘romantiek belangrijker is dan seks’, wel dat ze in de onderzoeksdagboeken relatief veel over romantiek schrijven. Dalenberg: “We zagen dat alle jongeren in bijna elke dagboekrapportage een onderwerp over de romantische aspecten van seksualiteit hebben beschreven. De jongeren die niet seksueel actief waren, rapporteerden geen onderwerpen over seksueel gedrag. De jongeren die wel seksueel actief waren, rapporteerden wel onderwerpen over seksueel gedrag, maar de frequentie was alsnog vrij laag in vergelijking met romantische onderwerpen.”

Seksueel actief of niet, adolescenten leggen in hun zelfrapportage eerder de nadruk op de romantische aspecten dan op seksueel gedrag zelf. Niet verrassend, volgens Dalenberg. “Seksueel gedrag gebeurt regelmatig in de context van een romantische relatie. Het is dus niet gek dat de dagelijkse beleving van jongeren meer bestaat uit romantische aspecten van seksualiteit.” Het waardeoordeel ‘romantiek voor jongeren belangrijker dan seks’ komt dus niet voort uit het onderzoek, maar is door de media toegekend.

Romantiek en seksualiteit beide van belang

Jawel, romantiek staat in relatie tot seksualiteit. En jawel, in zelfrapportage leggen jongeren de nadruk op de romantische aspecten, maar het STARS-onderzoek geeft geen uitsluitsel over het waardeoordeel van adolescenten. Nieuwsmedia trokken de overhaaste en foutieve conclusie dat romantiek belangrijker is voor jongeren dan seks. Dus nee ouders, helaas. Seksualiteit is tóch niet onbelangrijk voor uw jonge telgen. Maar wees gerustgesteld: hun dagboeken gaan eerder over een onschuldige eerste kus dan over de door u gevreesde ‘eerste keer’.

Foto: Luis Llerena (Stocksnap, CCo)

Selfie-plaatsende mannen zijn helemaal niet zo psychopathisch

Monday, November 2nd, 2015

Door: Natascha Ditzel en Rick Jacobs

Mannen die veel selfies plaatsen, vertonen meer psychopathische trekjes”, luidt een blockquote in het AD. Deze uitspraak van neurowetenschapper dr. Roeland Dietvorst in een interview over Facebookverslaving is zo geplaatst dat hij alle aandacht van het artikel opeist. Nieuwscheckers zoekt de nuance. “Je kunt niet zomaar zeggen dat iemand bij bepaald gedrag automatisch een psychopaat is.”

Andere media berichtten eerder over de uitspraak die het AD op 12 september zo prominent in beeld bracht. Zo publiceerde Quest begin 2015 een artikel met de kop: “Mannen die veel selfies maken hebben psychopathische trekjes.” Ook AD.nl meldde al in januari: “Man die veel selfies post, wordt sneller psychopaat.” Dit zou blijken uit een onderzoek van Ohio State University waarvoor 800 mannen een online enquête invulden. Hierbij werd onderzocht welk verband er bestaat tussen het plaatsen en bewerken van selfies en persoonlijkheidsstoornissen zoals narcisme en psychopathie.

Grijs gebied

“Je kunt niet zomaar zeggen dat iemand bij bepaald gedrag automatisch een psychopaat is”, zegt dr. Marije Keulen-de Vos, wetenschappelijk onderzoekster binnen de forensische psychiatrie in Venray.  Zij deed onderzoek naar de effectiviteit van behandeling van tbs-patiënten, onder wie patiënten met een hoge mate van psychopathie.  Er moet volgens Keulen-de Vos meer onderzoek gedaan worden dan iemand een bepaald lijstje in te laten vullen waaruit geconcludeerd kan worden dat iemand psychopathische kenmerken vertoont.

Ze legt uit dat eerst een dossieronderzoek wordt gedaan, gevolgd door een interview waarbij op verschillende factoren een score wordt toegewezen. “Bij een score van zesentwintig kun je ervan uitgaan dat iemand psychopathische trekken vertoont. Maar dat wil niet zeggen dat iemand met een score van vierentwintig geen psychopathische kenmerken kan vertonen. Het is niet zwart wit, je bent psychopaat of je bent het niet, het is een grijs gebied.”

Ook op het onderzoek van Ohio State heeft Keulen- de Vos kritiek. “Als je het onderzoek goed leest, staat er eigenlijk dat psychopathie geen voorspellende waarde is ten opzichte van het plaatsen van selfies en het aanpassen van je foto’s. In de studie was narcisme een voorspeller, maar ook dat vind ik nog wat ver gaan. Want wat iemand op internet laat zien, is dat ook per definitie zijn werkelijke zelf?”

Ook Herm Kisjes, deskundige op het gebied van mediaverslaving in Eindhoven, ervaart het onderzoek als nogal overtrokken, omdat er op dit moment nog te weinig onderzoek is gedaan naar de effecten van het posten van foto’s op sociale media. “Veel mensen zijn actief op sociale media, maar hoeven geen psychopathische trekjes te vertonen. Andersom geldt dat er psychopaten zijn die weinig tot geen gebruik maken van sociale media”, aldus Kisjes.

Maatschappelijke druk

Ook volgens Gijs Bakkum, directeur van Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, is het impulsief posten van foto’s op Facebook geen typisch psychopathisch kenmerk. “Niet ieder persoon die veel foto’s post is iemand met méér psychopathische trekjes.” Kisjes geeft aan dat we door psychologisch onderzoek weten dat mensen het prettig vinden om gezien te worden en met anderen in contact te treden. “En ja, als je nergens bij hoort, dan voel je je ongelukkiger. Mensen zijn vaak onzeker met als gevolg dat ze naar bevestiging zoeken. Het kan hen een digitale boost geven als zij veel likes ontvangen. Dit staat totaal los van psychopathisch gedrag”, aldus Kisjes

Daarnaast is er volgens hem een maatschappelijke druk om selfies te posten. “Honderd jaar geleden vonden mensen het eng om op een foto te staan en dertig jaar geleden moest je toestemming vragen om een foto openbaar te maken. Nu is het een maatschappelijke trend om foto’s te sharen om daarbij gezien te worden en bevestiging te zoeken.” Er zijn volgens Kisjes dus meerdere factoren die spelen bij het posten van selfies en er is een groot verschil tussen mannen en vrouwen in het gebruik van sociale media.

Tenslotte oppert Keulen-de Vos een gedachte-experiment: “Stel nou dat het waar is dat mannen die veel selfies plaatsen psychopathische trekjes vertonen, is dat dan erg?” Bij een psychopaat denken mensen vaak aan Hannibal Lector, terwijl dit beeld verkeerd is volgens haar. “De meeste psychopaten zijn totaal niet Hannibal Lector-achtig, bovendien zijn er psychopaten die prima functioneren en waar niemand direct last van heeft. Zo zijn er beroepen waar dit soort kenmerken een pré zijn. Denk bijvoorbeeld aan het bedrijfsleven, als je bepaalde deals moet sluiten is het fijn als je een gladde prater bent en niet zoveel last hebt van je geweten.”

Genuanceerde blik

Karolien Koolhof, schrijfster van het artikel (online versie), heeft er al meer vragen over gehad: “De bewuste quote is gedaan door de geïnterviewde die zich had gebaseerd op het onderzoek van Ohio State University, door Jesse Fox. Ik heb dat onderzoek doorgenomen en aan de hand daarvan was mijn conclusie dat de quote klopt. De eindredactie heeft vervolgens de quote uitgelicht, omdat hij nogal opvallend is.”

Dr. Roeland Dietvorst, die de bewuste quote heeft uitgesproken, was verrast door het stuk in de krant. “Het artikel is wat overtrokken. Toen ik de titel las dacht ik: ‘Oh mijn god, dit wordt een interessante week.’ Ik werd vervolgens door allerlei media gebeld. Het is een gepopulariseerd artikel geworden waarbij ik maar een klein deel ervan heb kunnen checken, niet eens de titel. Het artikel heeft veel aandacht gekregen, maar het mist dan ook wat nuances. Maar naar mijn mening mist óók het originele wetenschappelijke artikel de nodige nuances. Ik vind het daarom begrijpelijk dat journalisten de quote overnemen”, aldus Dietvorst.

Beeld: Natascha Ditzel, op basis van foto’s Michele M.F. (Flickr, CC BY-SA 2.0) en Mattcc716 (Anthony Hopkins bij Madame Tussaud, Flickr, CC BY-SA 2.0).

‘Man die veel selfies post, wordt sneller psychopaat’

Huilen maakt minder gelukkig dan wordt beweerd

Thursday, October 8th, 2015

Door: Kristy Arets en Lisa Vos

Eind augustus meldden verschillende media dat huilen een positief effect heeft op de gemoedstoestand. Na het huilen zou de stemming binnen ongeveer negentig minuten verbeteren. Hoe serieus moeten we dit nemen? Is er reden om direct The Titanic en The Shawshank Redemption op te zetten? Deze factcheck toont aan dat je daar nog even mee kunt wachten. Het ligt namelijk allemaal een stuk gecompliceerder.

Een internationaal onderzoeksteam onder leiding van Ad Vingerhoets, hoogleraar psychologie aan de universiteit Tilburg, meldt in het wetenschappelijk tijdschrift Emotion dat men zich na een huilbui doorgaans beter voelt dan daarvoor.

De wetenschappers verzamelden zestig proefpersonen en lieten ze in een laboratorium twee films zien die bekend staan als echte tranentrekkers: Hachi – A Dog’s Tale en La vita è bella. Voordat de film startte, vroegen de onderzoekers de respondenten hun gemoedstoestand een rapportcijfer te geven. Na afloop werd dat nog drie keer gevraagd: direct na de film, twintig minuten later en negentig minuten later.

Tijdens de voorstelling moesten 28 deelnemers aan het experiment huilen. De overige deelnemers hielden het droog. De huilers gingen door een emotionele achtbaan. Direct nadat de film was afgelopen voelden ze zich gemiddeld genomen minder goed dan ervoor. Echter, na twintig minuten was hun stemming vrijwel elke keer weer op het zelfde niveau als voor de film. Na negentig minuten voelden zij zich zelfs beter dan voor de film startte! Dit in tegenstelling tot de mensen die niet hadden gehuild tijdens de film: hun stemming bleef constant.

Hé huil eens! Dat maakt gelukkig
De resultaten van het onderzoek werden al snel opgepikt door de media. ‘Huilen heeft positief effect op de stemming’, kopt nu.nl. Helemaal stellig is RTLnieuws: de kop ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’ zet bijna aan tot huilen. Maar, klopt dit wel? Is huilen goed  voor onze stemming?

Wat de meeste berichten achterwege laten, is dat er aan een positieve stemmingsverandering een opgelucht gevoel vooraf moet gaan. Dit gevoel is afhankelijk van een aantal factoren, aldus Vingerhoets. Allereerst is van eigenschappen van degene die huilt: “Mensen die zich depressief voelen, die echt niet lekker in hun vel zitten, die rapporteren doorgaans minder opluchting na een huilbui dan anderen.” Ook de reactie van omgeving is belangrijk: “Wanneer je wordt getroost, lucht huilen meer op dan wanneer je wordt uitgelachen”, aldus Vingerhoets. Tot slot en in dit onderzoek het meest van belang: de specifieke aanleiding van het huilen. Tranen bij een controleerbare en tijdelijke situatie luchten meer op dan bij een oncontroleerbare situatie. “Wanneer de aanleiding tot het huilen is gelegen in iets dat onbeheersbaar is, zoals het overlijden van een naaste, dan is de kans dat iemand zich beter voelt na het huilen minder groot dan wanneer iemand de situatie kan beïnvloeden.”

Je zou dus de vraag kunnen stellen of je met dit onderzoek, dat alleen kijkt naar huilen naar aanleiding van een film, kunt stellen dat op en huilbui altijd een stemmingsverbetering volgt.

Haken en ogen
“Het onderzoek ziet er op het eerste gezicht goed uit”, zegt Dylan Molenaar, universitair docent Psychometrie bij de afdeling Psychological Methods aan de Universiteit van Amsterdam. “Maar er zitten behoorlijk wat haken en ogen aan.” Omdat de onderzoeksresultaten gebaseerd zijn op 60 onderzoekspersonen, van wie 39 vrouw en iedereen student, twijfelt hij aan de representativiteit. “Bij een andere steekproef hadden de resultaten heel anders kunnen uitpakken. Tevens wordt nergens de keuze voor deze steekproef verantwoord.” Maakt huilen gelukkig? Molenaar: “Dat vraagt om enige nuance, enkel het gebruik van film als testmethode is voor een uitspraak als deze niet voldoende”.

Ook Chris Hartgerink, promovendus in Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Tilburg, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. Volgens Hartgerink leent deze kleine steekproef zich niet voor zulke sterke conclusies, het kan hoogstens een mogelijk effect signaleren dat vervolgens in een herhaling met meer proefpersonen bevestigd dient te worden. Daarnaast maken de onderzoekers volgens Hartgerink een cruciale fout: het is onduidelijk hoe ze de achttien metingen van negatieve emoties hebben samengevoegd. Het lijkt erop dat ze de som of het gemiddelde hebben genomen. “Dit is een zeer sterke assumptie, aangezien het redelijk is om aan te nemen dat bepaalde emoties sterker zijn dan andere. Ik voel me over het algemeen slechter als ik miserabel ben dan wanneer ik nerveus ben.”

Het is inderdaad een gemiddelde, legt onderzoeker Ad Vingerhoets uit. “Wij hebben een bepaalde maat die we in dat soort gevallen berekenen, namelijk Cronbachs Alpha. Wanneer deze een waarde heeft groter dan .70 mag je de afzonderlijke vragen beschouwen als metingen van dezelfde onderliggende dimensie.”

Conclusie
Lucht huilen op, of word je er zelfs gelukkig van? Nieuwscheckers concludeert dat de berichten over het huilonderzoek overdreven zijn. Vooral dat van RTL Nieuws: ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’. De redactie van RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om toelichting. Wat betreft het onderzoek: in de toekomst zal het herhaald moeten worden onder verschillende omstandigheden en met meer proefpersonen. The Titanic kunnen we dus nog even in de kast laten liggen.

Foto: Alena Navarro-Whyte (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Strenge opvoeding maakt kind minder ongelukkig dan beweerd

Thursday, October 1st, 2015

Door: Ingeborg Veen en Iris Verhulsdonk

‘Zorgende ouders maken kind blijer als volwassene dan controlerende ouders,’ kopt Nu.nl op 4 september 2015. Een strenge opvoeding zorgt voor minder gelukkige volwassenen, aldus het bericht. De schade zou gelijk staan aan de impact van een sterfgeval in de naaste omgeving. Kunnen ouders de strenge opvoedtechnieken beter aan de wilgen hangen? Uit onderzoek van Nieuwscheckers.nl blijkt dat dat niet nodig is.

Nu.nl is niet het enige nieuwsmedium dat aandacht heeft besteed aan dit onderwerp. Ook AD.nl, RTL Nieuws en Ouders van Nu schreven over ongelukkige kinderen ten gevolge van een strenge opvoeding. In al deze berichten wordt verwezen naar een artikel van The Telegraph.

Waar is het op gebaseerd?

De claim dat kinderen met minder strenge ouders een gelukkiger leven leiden, komt van Dr Mai Stafford (University College London). In een persbericht over haar onderzoek stelt zij dat kinderen die hun ouders tijdens hun jeugd als ‘psychologically controlling’ hebben ervaren, op latere leeftijd een verminderde mentale gezondheid hebben.

Deze conclusie is gebaseerd op een onderdeel van een onderzoek waarvoor 5.362 mensen vanaf hun geboorte in 1946 zijn gevolgd. Van deze groep worden er nog altijd 2.800 in de gaten gehouden. Aan de hand van een vragenlijst is de participanten in dit onderdeel gevraagd hoe zij zich de opvoedstijl van hun ouders van voor hun zestiende levensjaar herinneren. Dit is vergeleken met hun mentale gezondheid, die ook via zelfrapportage is gemeten.

Bemoeien ouders zich met psyche of gedrag?

Het bericht van Nu.nl is gebaseerd op het artikel van The Telegraph. Bij de vertaling is de inhoud van Staffords claim aanzienlijk veranderd. Zo heeft Nu.nl het over ‘controlerende ouders’, wat de indruk wekt dat ouders bijvoorbeeld controleren wat hun kind doet en waar het is. In Staffords onderzoek gaat het echter over de mate waarin ouders controle uitoefenen over de psyche of het gedrag van hun kind. ‘Overheersende’ of ‘beheersende’ ouder zou daarom een betere vertaling zijn.

Stafford maakt onderscheid tussen twee vormen van beheersing: ‘psychological control’ en ‘behavioural control’. Ouders zijn ‘psychologically controlling’ wanneer zij de privacy van hun kind afnemen of hun kind verbieden om eigen beslissingen te maken. Hierdoor blijft het kind afhankelijk van zijn ouders. Onder ‘behavioural control’ valt bijvoorbeeld het kind niet altijd zijn zin geven door hem eens te verbieden om naar vrienden te gaan.

Dit onderscheid leidt tot de tweede fout in het artikel: de verschillende vormen van beheersing worden door elkaar gebruikt. Zo staat in het artikel van Nu.nl:

Wanneer ouders hun kinderen verbieden naar vrienden te gaan, of zich op een andere manier met het privéleven van het kind bemoeien, kan dat schadelijke gevolgen hebben.

Deze fout is cruciaal, omdat uit Staffords onderzoek blijkt dat ‘psychological control’ wel van invloed is op de geestelijke gezondheid van het kind en ‘behavioural control’ niet. Deze fout wordt in vrijwel alle berichten rondom dit onderzoek gemaakt.

Reactie NU.nl

Hoe kan het dat dit soort fouten in de berichtgeving sluipen? Michiel Baars, stagiair bij Nu.nl en auteur van het artikel, heeft daar een simpele verklaring voor. Hij stelt dat er enige haast geboden is bij het schrijven van een nieuwsbericht, omdat “je bij Nu.nl nou eenmaal niet de halve dag krijgt om één artikel voor de ‘Lifestyle’-sectie te schrijven”. Baars geeft dan ook aan ongeveer een half uur aan het artikel te hebben gewerkt, waarbij hij het origineel onderzoek globaal doorlas en het artikel van The Telegraph als basis gebruikte. Achteraf gezien, zegt hij, had hij er meer tijd voor moeten nemen.

Doordat er maar een dunne lijn zit tussen ‘psychological control’ en ‘behavioural control’, heeft hij het verschil niet opgemerkt, aldus Baars. Verder verklaart Baars dat er bij het gebruik van wetenschappelijke termen rekening gehouden moet worden met de doelgroep: “Er zijn woorden die je dan anders moet kiezen, terwijl je zelf misschien een mooier woord wilt gebruiken. Je moet het redelijk simpel houden.”

Het onderzoek versus het persbericht

Daarmee is de kous nog niet af, want ook het originele onderzoek en persbericht roepen vragen op. Zo stelt het persbericht dat de impact van een ‘controlling parent’ even groot is als het verliezen van een vriend of naast familielid. Volgens Marinus van IJzendoorn, hoogleraar gezinspedagogiek aan de Universiteit Leiden, is het vreemd dat deze conclusie getrokken wordt: “Het lijkt mij een onderschatting van het effect dat een sterfgeval in de naaste omgeving kan hebben.”

Verder is het opmerkelijk dat juist het onderwerp ‘controlling parents’ breed wordt uitgemeten in het persbericht, gezien dit maar één variabele in een groot onderzoek is. Daarbij stelt Van IJzendoorn dat het effect van een overbeschermende ouder “niet heel groot” is. Hij legt uit dat alleen overprotectie door de moeder van invloed is op de mentale gezondheid van het kind. De hoogleraar noemt deze invloed beperkt, omdat het slechts 3% van de verschillen in welbevinden bij kinderen verklaart. Dit betekent dat de rol van een overheersende ouder dus maar bij een klein gedeelte van de respondenten echt invloed heeft gehad op hun geluk in het latere leven.

Ook zet Van IJzendoorn zijn vraagtekens bij de methodologie: “Hoewel het sterk is dat verschillende bevolkingsgroepen zijn meegenomen in het onderzoek, zijn er enkele zwaktes.” Als voorbeeld noemt de hoogleraar dat de enquêtes over hoe de respondenten hun opvoeding hebben ervaren zijn afgenomen toen zij in de veertig waren. De enquêtes die de mentale gezondheid van de participanten meet, zijn twintig jaar later afgenomen. Volgens Van IJzendoorn zou het beter zijn als de enquêtes over de opvoeding ook daadwerkelijk in de kindertijd afgenomen zouden zijn. Hij stelt dat de resultaten nu zijn beïnvloed door hoe de deelnemers hun welzijn als kind achteraf beschouwen.

Dr Mai Stafford was niet bereikbaar voor commentaar.

Conclusie

Zowel bij het artikel van Nu.nl als bij het onderzoek van Stafford zijn dus kanttekeningen te plaatsen. Strenge ouders hoeven zich daarom niet direct zorgen te maken over de mentale gezondheid van hun kind. Een tiener zal misschien een dag chagrijnig zijn wanneer hij niet met vrienden uit mag, maar een ongelukkige volwassene zal hij er niet van worden.

Gaat de helft van Nederland vreemd?

Thursday, October 16th, 2014


door: Daan Jongen en Inge Schouten

Je mag blij zijn als je een partner hebt die trouw blijft. ‘De helft van Nederland gaat vreemd’, meldde RTL Nieuws naar aanleiding van onderzoek door Psychologie Magazine. Maar een journalist die verder kijkt dan het toegestuurde persbericht en bijvoegde uitleg, concludeert dat het veel genuanceerder ligt: mannen zijn niet veel overspeliger dan vrouwen en ook niet de helft van Nederland gaat vreemd.

Wat onderzoekster en auteur van het oorspronkelijke artikel in Psychologie Magazine Saskia Decorte al voorzag, blijkt ook uit de werkwijze van RTL: de opvallendste resultaten uit het persbericht en bijgevoegd artikel zijn overgenomen. Ze stelde Nieuwscheckers het bestand met ruwe data ter beschikking. En dat riep vragen op. Waar komt bijvoorbeeld ‘de helft van de Nederlanders’ vandaan? Er staan vragen tussen als: ‘Is uw partner wel eens vreemd gegaan of heeft u dat ooit vermoed?’ Als dat ‘vermoeden’ bij die helft is inbegrepen, kun je nooit spreken over harde cijfers. Decorte verklaart dat het percentage is berekend op de eerste vraag van het onderzoek: ‘Bent u ooit vreemd gegaan?’ Daar zitten dus geen vermoedens in.

Persbericht Psychologie Magazine

Andere cijfers
Seksuoloog Astrid Kremers helpt in haar eigen praktijk veel mensen die worstelen met hun seksleven. Zij heeft dit onderzoek ingezien en legt uit waarom de uitkomsten moeilijk generaliseerbaar zijn: “Psychologie Magazine stelt een brede vraag: ‘Ben je ooit vreemd gegaan?’ Het onderzoek is daarom niet afgebakend, waardoor je er weinig over kunt zeggen.”

Rutgers WPF, het kenniscentrum voor seksualiteit, dat elke drie jaar gedegen onderzoek doet naar vreemdgaan, presenteerde in 2009 andere cijfers dan Psychologie Magazine: 3 procent van de vrouwen en 9 procent van de mannen gaf toen aan in de afgelopen zes maanden te zijn vreemdgegaan. Voor dit onderzoek werden 6500 mannen en vrouwen tussen de 15 en 70 jaar ondervraagd. De respondenten geven een representatief beeld van de Nederlandse bevolking. Rutgers WPF concludeert dat vreemdgaan in alle leeftijdsgroepen vaak voorkomt. Etnische minderheden (13 procent), mensen in sterk stedelijke gebieden (12 procent) en vrouwen in een LAT-relatie (11 procent) gaan het vaakst vreemd. Hieruit blijkt dat toch vooral vrouwen niet trouw aan hun partner zijn.

Eenzijdig onderzoek
In het artikel van RTL Nieuws is niets te vinden over het aantal respondenten of de vraagstelling in het onderzoek van Psychologie Magazine. Er wordt alleen gelinkt naar de website van Psychologie Magazine. Een korte blik op het opgevraagde onderzoek geeft het inzicht dat in totaal 2284 mensen daaraan meededen. 1815 vrouwen en 469 mannen. Daarnaast blijkt ook dat de respondenten allemaal lezers van Psychologie Magazine zijn of lezers van het blad Runner’s World. Een specifieke groep die niet heel Nederland weerspiegelt.

Niet te generaliseren
Onderzoekster Decorte heeft in het artikel in Psychologie Magazine voortdurend de generaliseerbaarheid genuanceerd: “In het artikel spreken we steeds in termen als: ’50% van de ondervraagde mensen’. Als ik vervolgens naar de verschillende artikelen in de media kijk, staat er ’50% van de Nederlanders’, en dat klopt gewoon niet.”

Reactie RTL Nieuws

De betrokken RTL-auteur vertelt dat er in nieuwskoppen snel gegeneraliseerd wordt. In het bericht wordt de kop vervolgens genuanceerd: “Als het om een webtekst gaat, is het bericht korter dan in de krant en dat kan ten koste gaan van de nuance. Er is minder ruimte voor mits en maar.” In het artikel wordt de nieuwskop inderdaad uitgelegd met: ‘Bijna de helft van de mensen zegt ooit in zijn leven bedrogen te zijn door een partner.’ Deze nuancering strookt weinig met de titel. De auteur benadrukt dat er altijd keuzes gemaakt worden en de nuance niet altijd wegvalt.

Hoe had RTL het artikel volgens Nieuwscheckers beter kunnen schrijven?
Onderzoek Psychologie Magazine: “50% van de mensen is ooit vreemd gegaan”

De helft van alle ondervraagden in een onderzoek van Psychologie Magazine is ooit vreemd gegaan. Psychologie Magazine deed een onderzoek onder 2284 lezers van het eigen blad en sportmagazine Runner’s World. Hoewel er meer vrouwen dan mannen aan het onderzoek meededen, bleek dat mannen niet (veel) vaker vreemd gaan dan vrouwen.

Ook gaf een kwart van de deelnemers aan dat hun huidige partner vreemd gaat of dat zij dat vermoeden. Dat de helft van Nederland vreemd gaat, valt niet te zeggen gezien de beperkte omvang van het onderzoek, maar de uitkomst is opmerkelijk hoger dan die van gerenommeerde onderzoeksbureaus als Rutgers WPF. In die onderzoeken zegt 3 procent van de vrouwen en 9 procent van de mannen in de afgelopen zes maanden te zijn vreemd gegaan.

Jongeren, stress en sociale media: expert is ook maar een mens

Tuesday, October 7th, 2014

door: Jessica Jonker en Malou Stoop

Ruim driekwart van de tieners heeft zoveel stress dat een burn-out op de loer ligt, aldus het AD op 11 september 2014. Het nieuws werd onder meer overgenomen door NU.nl en De Telegraaf. Sociale media zijn een grote oorzaak van de stress, beweert het AD op basis van een onderzoek en de uitspraken van een deskundige. Maar in het onderzoek gaf 78 procent van de tieners juist aan vrijwel nooit stress te hebben door sociale media. Bovendien zegt de opgevoerde burn-outspecialist tegen Nieuwscheckers geen expert te zijn op het gebied van burn-outs bij kinderen of door sociale media.

Het onderzoek naar stress is gedaan bij het jongerenpanel van EenVandaag. NRC Next checkte dit nieuws al eerder bij de onderzoekers, een opiniepeiler van EenVandaag en psycholoog Ybe Meesters. Uit het artikel van NRC Next en het rapport van EenVandaag komen al een aantal opvallende dingen naar voren. Uit het onderzoek blijkt dat 76 procent van de jongeren wel eens een hoge prestatiedruk ervaart, maar volgens klinisch psycholoog Meesters is dit niet hetzelfde als een burn-out.

Daarnaast blijkt uit het onderzoeksrapport niet dat driekwart van de jongeren stress ervaart door sociale media. ”Slechts één op de tien (9%) deelnemers zegt hier wekelijks stress van te ondervinden. Wel geeft ruim een derde (34%) aan dat hun leven een stuk relaxter zou zijn zonder sociale media’’, aldus NRC Next. Hoewel dit laatste resultaat duidt op negatieve gevolgen van sociale media, geeft 78 procent van de respondenten aan vrijwel nooit stress te hebben door sociale media.

Sociale media

Maar dat is niet het enige wat er mis is met dit nieuws. Volgens het AD beweert Carol van Velzen, klinisch psycholoog bij het ‘burnoutprogramma’ van het Universitair Medisch Centrum in Groningen, dat sociale media voor een belangrijk deel bijdragen aan een burn-out. Waar baseert zij deze uitspraken op? Van Velzen stond Nieuwscheckers graag te woord, omdat het artikel in het AD haar in negatieve zin verrast had: de krant heeft alleen de twee opmerkingen gebruikt die ze had gemaakt als leek. ”De opmerking over sociale media was een lekenuitspraak. Dat is mijn expertise helemaal niet, die opmerking maakte ik vanuit persoonlijke ervaring”, aldus Van Velzen.

Ook is de klinisch psycholoog het niet eens met de laatste alinea van het AD, die begint met de zinnen: ‘Om jongeren voor deze ellende te behoeden ziet Van Velzen nadrukkelijk een rol voor de ouders. “Leer kinderen af en toe nee te zeggen en hoe ze moeten ontspannen.”‘ Van Velzen: “Het lijkt nu alsof ik een grote rol voor ouders zie, maar het was gewoon een antwoord op de vraag of ouders eventueel een rol zouden kunnen spelen bij de stress van hun kinderen.” Ook bij deze uitspraak heeft Van Velzen naar eigen zeggen benadrukt dat ze als moeder sprak en niet als expert.

Burn-outs bij jongeren

Carien Karsten is psychotherapeut en coach op het gebied van burn-outs en heeft verschillende jongeren in haar praktijk. Er bestaat geen rechtstreeks verband tussen sociale media en een burn-out zegt zij: “Sociale media kunnen op zichzelf geen burn-out veroorzaken, maar als iemand zich voelt buitengesloten, dan kan diegene mogelijk stress ervaren bij het zien van sociale foto’s van anderen.” Maar die stress kan ook ervaren worden door bijvoorbeeld gezinssituaties, vriendschappen en schoolprestaties. Bovendien wil Karsten benadrukken dat stress niet hetzelfde is als een burn-out.

Jongeren en sociale media: moeilijk nieuws

Het AD beweert dat sociale media negatieve invloed hebben op stress bij tieners, zonder hier de juiste bronnen voor te gebruiken. Het medium trok verkeerde conclusies uit het onderzoek van EenVandaag en gebruikte de lekenuitspraken van iemand die expert is op het gebied van burn-outs bij volwassenen. Zowel de onlineredactie als de nieuwsredactie van het AD hebben niet gereageerd op verzoeken om commentaar.

Het AD is overigens niet het eerste medium dat blundert met berichtgeving over onderzoek naar jongeren en sociale media. Zo toonde Linda Duits twee jaar geleden al aan dat onder andere het NOS Journaal een lang en kritiekloos item had gemaakt over de negatieve gevolgen van sociale media, op basis van een PR-stunt.

Horrorfilms: de nieuwe afslanktip?

Wednesday, November 21st, 2012

door: Willem de Gelder en Kim-Lan Jong Baw

Van kijken naar horrorfilms kun je afslanken. Dat maakte de Engelse universiteit van Westminster bekend op 28 oktober. Horrorfilms zijn eng, dus het lichaam maakt adrenaline aan. Dit vermindert de eetlust en leidt tot afvallen, aldus hoofdonderzoeker Richard Mackenzie. The Shining zou zo’n 184 calorieën schelen. Wie echter verder leest dan de kop, komt te weten dat er in het onderzoek slechts tien proefpersonen waren die tien films keken. En 184 calorieën, die zitten er met één bolletje kaas weer aan.

Op 29 oktober namen verschillende Nederlandse media, o.a. NOS en Elsevier, het persbericht over het onderzoek over van het ANP. Uit het onderzoek bleek dat de tien proefpersonen gemiddeld 113 calorieën verbrandden tijdens anderhalf uur horror. De onderzoekers hebben onder meer gekeken naar de hartslag en zuurstofopname van de proefpersonen. Richard Mackenzie: “Bij het bekijken van alle tien de films gingen de harten van onze tien proefpersonen sneller kloppen. Als dat gebeurt, wordt het bloed sneller door het lichaam gepompt waardoor het lichaam een adrenalinestoot ervaart.” Geen slecht resultaat voor online videotheek LOVEFiLM, de opdrachtgever van het onderzoek.

Onvindbare bronnen
De website van NOS en andere media verwijzen naar het ANP als bron. Maar daar blijkt het nieuwsbericht onvindbaar. “Ik kan me zeker herinneren dat we dit bericht gepubliceerd hebben, maar ik kan het niet meer vinden,” aldus een medewerker. Een virus is de oorzaak, zo wordt gegokt. Ook het Engelse onderzoek zelf bleek niet te pakken te krijgen. Zowel de onderzoeker zelf als de universiteit van Westminster als opdrachtgever LOVEFiLM waren niet bereid het onderzoek vrij te geven of reageerden niet op ons verzoek. LOVEFiLM heeft echter zelf ook een persbericht gepubliceerd over het onderzoek en heeft ons dit opgestuurd. Hier zijn we dan ook mee aan de slag gegaan.

Deskundigen aan het woord
Dr. Jaap Fogteloo, internist bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), heeft verschillende artikelen gepubliceerd over overgewicht en gewichtsverlies. Volgens hem zijn de conclusies van dit onderzoek niet zo eenvoudig als de onderzoekers doen geloven. “Er zijn heel weinig goede data over relaties tussen psychisch-lichamelijke angst en energiegebruik omdat energiegebruik bij mensen gewoon heel moeilijk te meten is.”

Ook dr. Aart Velthuijsen van de Universiteit van Amsterdam, specialist in invloed van media op het menselijk lichaam, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. “Ze lieten tien mensen kijken naar tien horrorfilms. Dit zijn wel erg weinig proefpersonen om individuele verschillen tussen mensen via statistiek te controleren.” Daarnaast maakt de onderzoeker volgens Velthuijsen een cruciale fout: hij gooit stress en angst op één hoop. “Natuurlijk kun je een film of scène wel eng vinden, maar daar ga je heus geen adrenaline van aanmaken.” En dat is nu juist de redenering van dit onderzoek: door de aanmaak van adrenaline als gevolg van stress zou je afvallen.

113 calorieën voor anderhalf uur, zo indrukwekkend is dat verder niet. Met één bolletje kaas (188 kcal) zit The Shining er al weer ruimschoots aan, meldt het Voedingscentrum. Met een flinke zak popcorn maak je nog bonter: met een zak van 80 gram werk je meer dan 300 calorieën naar binnen. Daarnaast verbrandt het gemiddeld menselijk lichaam al zo’n 100 calorieën door anderhalf uur rechtop te zitten, schrijft The Telegraph in een kritisch commentaar. Het effect van de film is dus nog kleiner dan wordt voorgesteld.

Conclusie
Methode en conclusies van het horrordieetonderzoek zijn discutabel. De resultaten zijn niet representatief, de gesuggereerde verbanden niet overtuigend. Helaas voor de luie types onder ons, het is erg onwaarschijnlijk dat je 184 calorieën verliest van een avondje griezelen met The Shining. “Bovendien,” zegt Velthuijsen, “als men naar horrorfilms kijkt en daardoor stress ondervindt, gaan mensen juist vaak proberen dit ‘weg te eten’. Ik zou dus het tegenovergestelde voorspellen.”

Psychopaten kunnen slecht ruiken: onderzoek met een luchtje

Friday, October 12th, 2012

door: Cathinca van Sprundel en Samantha Stroombergen

Psychopaten herkennen wordt een stuk makkelijker: zij hebben een afwijking in hun hersenen waardoor ze het verschil tussen bijvoorbeeld koffie, sinaasappels en leer amper kunnen ruiken. Dit ontdekten Australische onderzoekers die 79 jonge niet-criminele psychopaten een reuktest lieten doen. Althans, dat is wat onder andere de Volkskrant, Trouw en het AD berichtten op basis van een nieuwsbericht van het ANP. Nieuwscheckers ontdekte dat die 79 ‘psychopaten’ gewone studenten waren, die misschien een verstopte neus hadden.

Het onderzoek, door Mehmet K. Mahmut en Richard J. Stevenson van de Australische Macquarie University, is gepubliceerd in het vakblad Chemosensory Perception. Heeft het ANP het nieuws opgeklopt? De schrijver van het bericht, ANP-redacteur Kees Bos, heeft het onderzoek zelf niet gelezen: “We hebben het vertaald van een ander persbureau. We controleren eigenlijk nooit, daar hebben we geen tijd voor.” Daarom besloot Nieuwscheckers om die controle te doen.

Steekproef

Het ANP heeft de 79 ‘psychopaten’ waarschijnlijk overgenomen van persbureau AFP; in artikelen die rechtstreeks zijn gebaseerd op een persbericht van het vakblad (bijvoorbeeld dit) ontbreekt de verwarring. Kennelijk heeft de AFP-redacteur niet begrepen wat een ‘community sample’ is: een steekproef uit de algemene populatie, in tegenstelling tot een ‘klinische steekproef’, dat wil zeggen uit mensen die onder behandeling zijn of vastzitten. En zo werden gewone studenten die vragenlijsten invulden voor extra studiepunten ‘psychopaths [who] lived in the community’.

Maar er is nog meer mis met het nieuws. Zo wijzen de onderzoekers erop dat ze niet goed hebben gekeken of de kandidaten neusinfecties hadden en zijn er onderzoeken die juist tegenovergestelde resultaten hebben. Ook de vragenlijsten zijn misschien niet de beste.

Zelftest en snuifstokjes
De studenten moesten de ‘Self-Report Psychopathy scale IV’ invullen om erachter te komen hoeveel psychopathische trekjes ze vertonen. Deze zelftest bestaat uit vragen als ‘Ik probeer mensen bewust te vleien om ze aan mijn kant te krijgen’ en ‘Mensen zeggen soms dat ik van steen ben’. Op het eerste gezicht lijkt het makkelijk om zulke resultaten te beïnvloeden. Iemand die een beetje manipulatief is, kan de sociaal gewenste antwoorden invullen. Het kan ook dat een student zijn docenten wil plezieren of ergeren door extreme antwoorden in te vullen. In het rapport verklaren de onderzoekers zelf dat ze in eerste instantie 82 proefpersonen hadden. Een viel af omdat hij een strafblad had, twee anderen telden niet mee omdat ze zulke afwijkende resultaten hadden. Daarmee zou alle ruis verdwenen zijn.

Maar in hoeverre is de test betrouwbaar? “De test waarvoor de onderzoekers kozen is relatief nieuw”, legt drs. Inti Brazil uit, cognitief psycholoog van het Donders Instituut in Nijmegen. Hij is als onderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Pompe-stichting, een TBS-kliniek. Hij onderzocht onder andere de rol van foutenverwerking in het brein van psychopaten. “Er zijn verschillende soorten instrumenten om ‘psychopathische trekjes’ te meten. Deze test is niet een van de mainstream instrumenten. Het is een keuze om deze te gebruiken, in plaats van testen die al meer dan 25 jaar bestaan. Er is geen Nederlandse versie van en het is niet zeker of deze test over tien jaar nog hetzelfde doet of op dezelfde wijze meet.”

Nadat de proefpersonen de test hadden ingevuld, moesten ze aan een aantal stokjes ruiken en telkens kiezen uit vier geuren. De onderzoekers concludeerden dat er een duidelijk verband te zien was: de personen die meer psychopathische trekjes hadden, hadden de geuren vaker fout geïdentificeerd.

Wie is psychopaat?
Hoeveel van die 79 studenten zijn nou eigenlijk gelabeld als psychopaat? In het onderzoek staat dat nergens aangegeven. “Die grens is er ook niet”, zegt Brazil. “In dit onderzoek is de schaal, de ‘range’, nu tussen de 80 en de 210, maar als je dit onderzoek uitvoert op een andere universiteit met een andere groep studenten kan die ‘range’ heel anders zijn. Het zou kunnen dat de persoon die in dit onderzoek de meeste psychopathische trekjes heeft, daar in de middenmoot zou vallen.” (Zie ook deze nieuwscheck over psychopathietests.)

De onderzoekers kozen ervoor om 79 ‘gezonde’ mensen te nemen en ze te beoordelen op psychopathische trekjes. Ze schrijven dat ze dit doen omdat het moeilijk is om aan een grote groep psychopaten te komen, maar ook omdat velen daarvan een crimineel verleden hebben. En die hebben weer meer kans dat ze verwondingen in het gezicht hebben en drugs gebruiken, wat hun reukvermogen zou kunnen aantasten. “Ze maakten het zich makkelijker door proefpersonen uit de ‘gezonde populatie’ te nemen”, vervolgt Brazil. “Het zijn alleen geen echte psychopaten. De ‘trekjes’ waarop getest wordt, vind je zowel bij zieke als gezonde mensen die geen criminele dingen doen. Iedereen heeft ze. Een echte psychopaat is heel anders en dat maakt het onderscheid moeilijk. Psychopathische trekjes zijn normale trekjes die pas psychopathisch worden als ze heel hoog zijn. Het komt bij iedereen voor.”

Bijdrage aan de wetenschap
Zowel in het artikel op onder andere de website van de Volkskrant als in het onderzoek zelf staat dat de ‘ontdekking’ kan helpen om beter vast te stellen ‘wie een psychopaat is’. Brazil: “Die conclusie is enorm kort door de bocht. Het klopt wel dat het orbito-frontale complex in het brein van psychopaten niet goed werkt. Dat werkt ook zo bij geuren. Daarbij is het een ideaal scenario. Het liefst wil je dat er een test komt waarbij je kan concluderen dat iemand een psychopaat is als hij vier van de tien geuren fout heeft, maar dat kan niet. Je kan niet persoonlijk beoordelen hoe iemand geuren ervaart. Het is een subjectieve beleving. Misschien hebben ze over tien jaar een coole geurtest die het wel doet, maar dat lijkt me erg onwaarschijnlijk.”

Prullenbak
Inti Brazil wil het onderzoek toch niet helemaal naar de prullenbak verwijzen. “Er waren eerst twee onderzoeken. Eentje die het verband tussen psychopaten en een verminderd reukvermogen aantoonde en een ander die het weerlegde. Nu staat het dus 2-1 voor het verband”, zegt hij. Toch zijn er voldoende redenen om te concluderen dat het onderzoek flink wat haken en ogen heeft. De studenten konden verkouden zijn, of sociaal gewenste antwoorden invullen. “Dat psychopaten een opmerkelijk slecht reukvermogen hebben, is te kort door de bocht”, concludeert Brazil. “Er zit dus wel een kleine kern van waarheid in, maar toch. Aandacht voor onderzoek in de media is altijd goed, maar het wordt hier dus wat spannender weergegeven dan het eigenlijk is.”

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes