psychologie

Charmant? Ja! Psychopaat? Misschien…

Monday, December 5th, 2011

door: Anchrit Edelaar en Anne Gotink

Eén op de 25 topfiguren is een psychopaat, aldus een artikel van 3 september 2011 op de websites van Trouw, AD en HLN.be. Nieuwscheckers zet daar vraagtekens bij: het is gebaseerd op onderzoek naar niet meer dan 203 Amerikaanse topmanagers. En bovendien: wanneer is iemand een psychopaat? Een hoogleraar psychologie: “Het past in de algemene trend van medicaliseren, elkaar bang maken voor anderen, en verdachtmaking van managers.’’

Dat één op de 25 topfiguren een psychopaat zou zijn, is gebaseerd op het onderzoek ‘Corporate Psychopathy: Talking the Walk‘, van de bekende psychologen Paul Babiak en Robert Hare. Het verscheen in april 2010 in het tijdschrift Behavioral Sciences & the Law. Beide psychologen zijn bekend van het boek Snakes in Suits, over de manier waarop psychopaten in hun werkomgeving functioneren.

Psychopathy Check List

Het onderzoek is uitgevoerd in Amerika, er werkten 203 deelnemers aan mee, die werkzaam waren in zeven verschillende bedrijven. Als één op de 25 topfiguren psychopaat zou zijn, houdt dat in dat er van die 203 deelnemers in Amerika maar acht psychopaat zijn. Is dit representatief voor de hele wereld? Trudy Dehue, hoogleraar psychologie in Groningen, maakt een aantal kanttekeningen bij de onderzoeksmethode van Babiak en Hare. Zij gebruiken de door Hare ontwikkelde Psychopathy Check List (PCL), een vragenlijst over de mate waarin iemand zonder veel schuldgevoel neigt tot manipulatie, leugenachtigheid en impulsiviteit. In de VS wordt deze lijst anders gebruikt dan in Europa, aldus Dehue: “In de VS ben je met een uitkomst van 13 op de PCL een psychopaat, in Europa pas met 18.’’ Aangezien de onderzoeken in de Verenigde Staten zijn uitgevoerd, kunnen de uitkomsten ervan weinig tot niets zeggen over het percentage psychopaten onder topfiguren in Nederland.

Bang maken

De artikelen op de nieuwssites schrijven psychopathen charmes toe die zij in het bedrijfsleven in de strijd zouden gooien om hun superieuren te misleiden: “Kenmerkend voor psychopaten is dat ze eigenlijk slechte managers zijn maar dat ze die zwakte goed verborgen kunnen houden voor hun eigen oversten dankzij hun charmes.’’ Maar wanneer ben je een psychopaat? Is dat vast te stellen door middel van een vragenlijst? Volgens Dehue kan je een vragenlijst als de PCL niet zomaar gebruiken om vast te stellen of iemand een psychopaat is of niet: “Een beetje aspirant-psychopaat manipuleert natuurlijk, helemaal als het gaat om gewenste uitkomsten op een test.’’ Met andere woorden: er  kan niet bewezen worden of de gegeven antwoorden oprecht zijn, vandaar dat er ook geen (objectieve) conclusie aan die antwoorden verbonden kan worden. Dehue doet het verband topfiguur-psychopaat af als onzin: “Het past in de algemene trend van medicaliseren, elkaar bang maken voor anderen, en verdachtmaking van managers. Natuurlijk zijn er managers die niet goed functioneren en die niet het beste voor hebben met hun personeel. Maar wat schieten we ermee op om een woord voor hen te gebruiken dat we normaal in verband brengen met serie-verkrachters en moordenaars?’’

De rol van de Persgroep

Metro publiceerde op 26 september 2011 over hetzelfde onderzoek onder de kop ‘Die vreselijke baas is écht een psychopaat’. Dit artikel, overgenomen van het Engelse zusterbedrijf van Metro, is iets voorzichtiger dan het stuk op de sites van Trouw, AD en HLN.be, en laat ook een van de onderzoekers, Paul Babiak, aan het woord. Metro hoort als enige van de vier genoemde mediakanalen niet bij de Persgroep Nederland, een samenwerkingsverband tussen Belgë en Nederland.

In 2009 heeft de Persgroep NV, een Vlaams mediabedrijf, de Nederlandse persgroep PCM Uitgevers overgenomen, eigenaar van onder meer AD en Trouw. Eén redactie levert berichten voor de verschillende nieuwssites.  Hierdoor is op de sites van AD, Trouw en HLN.be drie maal hetzelfde, ongecheckte bericht gepubliceerd. De algemene redactie van Persgroep Nederland verwees ons voor commentaar door naar  België, alwaar de telefoon niet opgenomen werd en we geen reactie kregen op door ons verstuurde e-mails.

Linkshandigen dom, slim, creatief, rijker, onhandig en eerder dood

Monday, June 27th, 2011

Door: Petra Meijer

‘Linkshandigen zijn slechter af’, kopte Nu.nl op 8 juni: linkshandigen zijn minder getalenteerd dan rechtshandigen en presteren slechter in groepen. Dit blijkt uit nieuw Australisch onderzoek, dat afrekent met de mythe dat linkshandigen juist creatiever of slimmer zijn dan rechtshandigen. Nieuwscheckers ont-dekte overhaaste conclusies in een slecht vertaald nieuwsbericht over een twee jaar oud onderzoek.

Het begon allemaal op de website van Flinders University (Adelaide), waar de afdeling Marketing & Communications een nieuwsberichtje plaatste over de onderzoeksresultaten van Mike Nicholls, het net nieuw aangestelde hoofd van de afdeling Brain & Cognition. Volgens het nieuwsbericht bleek uit zijn onderzoek dat het met het cognitieve vermogen van linkshandigen slechter gesteld was dan met dat van rechtshandigen: bij het maken van een IQ-test scoorden linkshandigen gemiddeld genomen lager.

Oud nieuws

De daarop volgende dagen dook het bericht overal op in de Australische media en uiteindelijk belandde het via Bitsofscience.org ook op nu.nl. Alhoewel de meeste berichten getuigden van veelvoudig knip- en plakwerk verscheen er ook nieuwe informatie. Sprak het nieuwsbericht van Flinders University nog over cognitief vermogen en IQ-testen, in de diverse media werden er conclusies getrokken over de creativiteit van linkshandigen. Bovendien beweerde Nu.nl dat linkshandige kinderen die in groepen samenwerkten, slechter presteerden dan hun rechtshandige klasgenoten, terwijl er in Australische nieuwsberichten niet over groepsopdrachten gesproken werd.

Enigszins in de war ging Nieuwscheckers daarom op zoek naar het onderzoeksrapport. Maar vreemd genoeg werd in geen van de berichten verwezen naar de oorspronkelijke publicatie. Volgens nu.nl-journalist Jorn van Dooren betrof het een nog niet gepubliceerd onderzoek. Na een e-mail naar de Australische onderzoeker Mike Nicholls had Nieuwscheckers het artikel echter binnen een uur in handen. De in de media warm onthaalde onderzoeksresultaten bleken twee jaar oud te zijn: het onderzoek was gepubliceerd in 2009.

Kleurplaat

Het onderzoek was gebaseerd op een in 2004 vrijgegeven dataset afkomstig uit de Longitudinal Study of Australian Children. Nicholls en zijn team maakten gebruik van de gegevens van bijna vijfduizend kinderen van vier en vijf jaar oud. Tien procent van de kinderen was linkshandig. Vervolgens vergeleken ze de scores van rechts- en linkshandige kinderen op een vocabulairetest en een IQ-test. De derde bron van informatie over de ontwikkeling van het kind waren hun leerkrachten. Zij beantwoordden vragen over het leervermogen, de motorische vaardigheden en taalvaardigheden en de sociale en emotionele ontwikkeling van het kind. Op alle punten werden significante verschillen gevonden tussen links- en rechtshandige kinderen, behalve op het gebied van taalvaardigheid (zoals aangegeven door de docenten en de vocabulairetest). De onderzoekers corrigeerden voor eventuele onderliggende factoren, maar de resultaten bleven nagenoeg gelijk.

‘Het onderzoek toont aan dat linkshandige kinderen in cognitieve ontwikkeling achterblijven op rechtshandige kinderen,’ verklaart Nicholls. Hij geeft toe dat het onderzoek niets zegt over creativiteit. De in de media veel geplaatste foto van een linkshandig kindje dat een kleurplaat inkleurt is dan ook misleidend. Ook gaat het onderzoek niet in op het werken in groepen. De bewering daarover op nu.nl is waarschijnlijk een vertaalfout. ‘Left-handers tend to do worse as a group than right-handers,’ lezen we in de Australische Herald Sun: gemiddeld presteren linkshandigen slechter. ‘Als de linkshandige kinderen in groepen samenwerkten presteerden ze slechter dan hun rechtshandige klasgenoten’, denkt Nu.nl.

Het onderzoek zegt dus niets over creativiteit of samenwerken. Maar welke conclusies kunnen we wel aan dit onderzoek verbinden? ‘Dat er iets behoorlijk mis is gegaan’, zegt Rik Smits, wetenschapsjournalist en schrijver van een boek over linkshandigheid. ‘De uitkomsten van dit onderzoek zijn zo dramatisch en raar dat we de verschillen tussen links- en rechtshandigen overal terug zouden moeten vinden in het straatbeeld en in het onderwijs. Maar dat is niet het geval.’

Lelijk handschrift

Volgens Smits bestaan er de gekste studies naar linkshandigen. Zo blijkt uit onderzoek dat linkshandigen slimmer zijn, maar ook dat ze dommer zijn. Ze zijn onhandig, gaan eerder dood, schrijven lelijk en verdienen meer geld. Hij is dan ook uiterst sceptisch als het om zulke nieuwsberichten gaat. ‘De resultaten van onderzoeken naar linkshandigheid zijn totaal niet consistent en vertonen vaak geen enkele overeenkomst met de praktijk’, zegt Smits.

Hoe het komt dat onderzoeksresultaten van twee jaar oud ineens in het nieuws verschenen? Nicholls laat weten dat er twee jaar geleden ook al een persbericht uit is gegaan. Toen werd het niet door de media opgepakt. Een belangrijke les voor alle wetenschappers die weinig aandacht krijgen voor hun bevindingen: probeer het twee jaar later nog een keer.

Waakhond blaft niet: pers slikt link dierenbeul met huiselijk geweld

Thursday, April 14th, 2011

Door: Marissa van Wonderen

Foto: Mark Watson via Flickr

Mannen die dieren mishandelen, plegen vaak ook huiselijk geweld, aldus de psychologe Marie-José Enders. Daarom moeten dierenartsen het melden als zij dierenmishandeling vermoeden. En daarom is het ook voor mensen goed dat er een dierenpolitie komt. Het onderzoek van Enders naar dit verband was in februari volop in het nieuws. Programma’s als Brandpunt en Hart van Nederland besteedden er aandacht aan, en de Volkskrant plaatste een interview onder de kop ‘Geweld tegen dieren signaal van meer agressie.’ Maar zo sterk is dat signaal helemaal niet. Terwijl andere media berichtten over doorgesneden lammetjes en seriemoordenaars, keek Nieuwscheckers naar tabellen en literatuurverwijzingen.

Het onderzoek Cirkel van geweld is uitgevoerd door Marie-José Enders en Mark Janssen (onderzoeksbureau Adsearch). Enders is psychologe en was voorzitter van de Dierenbescherming. Haar rapport betoogt dat er een verband bestaat tussen dierenmishandeling en huiselijk geweld, internationaal bekend als de cruelty link.  Die houdt in dat kinderen die dieren mishandelen als ze ouder worden vaak ook geweld plegen tegen mensen, dat dierenmishandelaars in hun jeugd vaak zelf mishandeld zijn, en dat dierenmishandelaars vaak ook huiselijk geweld plegen.  Omdat er in Nederland nog geen onderzoek naar is gedaan, moet een enquête onder dierenartsen aantonen dat het verband ook in ons land bestaat.

Enquête: weinig animo
Uit die rondvraag onder dierenartsen blijkt dat in veertig procent van de gevallen van dierenmishandeling waarschijnlijk ook sprake is van (huiselijk) geweld, aldus Enders in de Volkskrant. Maar de respons was uiterst mager: van de 1.012 aangeschreven dierenartsen hebben er 108 gereageerd, dus maar tien procent.  De enquêtes waren daarbij niet in alle gevallen helemaal ingevuld. Het was ook wetenschapsjournalist Hans van Maanen niet ontgaan dat de respons wel erg laag lag. In een column die tien dagen na het Volkskrant-interview met Enders in dezelfde krant verscheen, levert Van Maanen kritiek op het feit dat het interview daar niet over zei. Bovendien vindt hij de vraagstelling van de enquête te sturend. Van Maanen ontkent niet dat er een verband kan zijn tussen dierenmishandeling en geweld, maar, zegt hij:  “Een behoorlijk cijfer valt er met het onderzoek van Enders niet aan te hangen.”

Methoden en technieken
Cirkel van geweld bevat ook een uitgebreide literatuurstudie. Op de cijfers daarin en op de volledigheid ervan valt het een en ander aan te merken.  Zo is er bijvoorbeeld  vastgesteld dat ruim de helft (50,5%) van de partners van mishandelde vrouwen ook het huisdier heeft mishandeld. Dit lijkt heftig, maar uit de gegevens blijkt dat die 50,5 procent het gemiddelde is van dertien studies, waarin de percentages uiteenlopen van 24 tot 79. Door ze te middelen maak je die verschillen onzichtbaar. Hoogleraar epidemiologie Frits Rosendaal (LUMC) zegt daarover het volgende:  “Op zich lijken de getallen wel hoog, maar er wordt weinig gezegd over de representativiteit van de verschillende studies: als die onderzoekers net zo ‘bevlogen’ waren als deze, zou het misschien wel allemaal een beetje overdreven zijn. Bovendien is de conclusie dat dit ‘duidelijk een verband aantoont’ methodologisch onjuist, want we weten niet hoe vaak dierenmishandeling in andere gezinnen voorkomt.”

Een andere indrukwekkende maar dubieuze statistiek uit het onderzoek is:  ”De helft van de daders van beruchte schietpartijen op scholen in de USA had daarvoor dieren mishandeld.” Deze conclusie is gebaseerd op één onderzoek naar elf personen van wie er vijf dieren hadden mishandeld. Dat is niet de helft, maar nog belangrijker, het is een conclusie van maar één onderzoek.  Enders plaatst overigens zelf ook kanttekeningen: “Controlegroepen waren slechts in twee van de twaalf onderzoeken aanwezig.”

Kritische studies
Cirkel van geweld stelt het verband tussen dierenmishandeling en huiselijk geweld voor als  een vaststaand feit.  Dat is het niet: er is ook kritiek uit wetenschappelijke hoek.  Verwijzingen daarnaar ontbreken echter in het rapport.  Een van de critici is de criminologe Janine Janssen,  die in 2005 al de methodologische problemen van dit soort onderzoek aankaartte in haar artikel ‘De cruelty link nader bekeken’  (Tijdschrift voor Veiligheid en Veiligheidszorg, niet online). Een andere scepticus is de Engelse sociologe Heather Piper, die al sinds 2001 in haar onderzoek  de link tussen (huiselijk) geweld en dierenmishandeling  in twijfel trekt.

“Piper? Nee, die ken ik niet”, aldus Enders.  Een van de zaken die Piper bekritiseert, is de definitie van dierenmishandeling. Is het strooien van zout op slakken bijvoorbeeld dierenmishandeling? Bovendien, vraagt Piper zich af, hoe het zit het met culturele verschillen?  Zijn kinderen die opgegroeid zijn met jagen agressiever tegen dieren dan kinderen met een andere achtergrond?  Enders: “Het is zeker zo dat culturele verschillen het soms moeilijk maken dierenmishandeling te definiëren. Maar dat is van een andere grootte dan waar ik het over heb.”

In een aantal van de onderzoeken werd aan geweldplegers gevraagd of zij zich in hun verleden schuldig hadden gemaakt aan dierenmishandeling.  Zowel Piper als Janssen betogen dat dergelijke reconstructies onbetrouwbaar zijn: iemands herinnering kan na verloop van tijd vertekend zijn, of mensen vertellen niet de waarheid.

Dat het bovendien niet zo hoeft te zijn dat mensen met een gewelddadig verleden ook dieren hebben mishandeld, toont Piper in haar onderzoek. Zij heeft in een van haar studies  een tabel opgenomen met gevallen van dierenmishandeling verdeeld in twee verschillende groepen: mannen met en mannen zonder een gewelddadig verleden. In deze tabel zijn een aantal onderzoeken opgenomen die ook in het rapport van Enders zijn te vinden. Een simpele rekensom laat zien dat het aantal gevallen van dierenmishandeling bij deze  verschillende groepen gelijk ligt, sterker nog: de mannen die geen gewelddadig verleden hebben maar toch een dier hebben mishandeld, zijn in de meerderheid.

Net als Janssen wijst Piper erop dat er in veel onderzoeken naar de ‘cruelty link’  te veel wordt gefocust op anekdotes en extreme voorbeelden. In het rapport Cirkel van geweld komen regelmatig dit soort anekdotes aan bod, eveneens als in het interview met de Volkskrant. Leunen op dit soort voorbeelden leidt volgens Piper tot drogredenen van het type: een seriemoordenaar heeft als kind dieren mishandeld, dus alle kinderen die dieren mishandelen worden seriemoordenaars.

Reactie de Volkskrant
In het Volkskrant-interview zijn nauwelijks kritische vragen gesteld over het onderzoek – die werden in diezelfde krant geformuleerd door Hans van Maanen.  Interviewster Maud Effting:  “Ik begrijp de kritiek van Hans van Maanen. Die tien procent respons bij de enquête onder dierenartsen is natuurlijk niet hoog, dus het is de vraag wat deze cijfers waard zijn. Ik heb het rapport van Enders snel doorgelezen, dat had ik achteraf wel wat grondiger mogen doen. Tijdens het lezen heb ik wel bedacht dat ik vragen zou kunnen stellen over die tien procent. Dat heb ik niet gedaan en dat is jammer. Aan de andere kant ging het stuk niet over de juistheid van haar cijfers.”

Conclusie
Het onderzoek naar dierenmishandeling als signaal voor huiselijk geweld is minder zeker dan journalisten het hebben gepresenteerd. Een deel van de kritische kanttekeningen staat in het onderzoek, andere vragen hadden journalisten zelf kunnen bedenken.  Behalve Hans van Maanen heeft echter geen journalist dat gedaan.  De waakhonden hebben niet geblaft.

Spijt van seks

Friday, March 25th, 2011

Door: Lara van Dijken

‘Christelijke student trouw in seksuele relaties’:  dat concludeerde het Nederlands Dagblad op basis van eigen onderzoek.  Veel sites, met name christelijke, namen het nieuws over. Het klinkt ook als nieuws dat christelijke lezers willen horen, vandaar dat de vraag rijst: hoe betrouwbaar zijn deze resultaten? Nieuwscheckers verdiept zich in de valkuilen van onderzoek met vragen-lijsten.

Volgens dr. Mark Spiering, methodologiedocent bij Klinische Psychologie en Seksuologie van de Universiteit van Amsterdam, is er genoeg reden om vraagtekens te zetten bij het onderzoek. “Het Nederlands Dagblad kan makkelijk zo’n onderzoek naar eigen voordeel draaien.” Om te beginnen gaat het onderzoek helemaal niet over trouw of ontrouw, maar over het aantal seksuele relaties dat de christelijke studenten hebben gehad en hoe zij daarop terugkijken. Bijvoorbeeld of zij seks in strijd vinden met hun geloofsbeleving. Van de zestienhonderd ondervraagden hebben er 493 (30,8%) al wel eens seks gehad, waarvan 143 (8,9%) met meerdere personen.  Bijna negen procent van de ondervraagden heeft dus seks gehad met meerdere partners, maar of dit binnen of buiten een relatie was wordt buiten beschouwing gelaten.

De vragenlijst legt de nadruk op spijt: waar veel mensen geen verband zullen leggen tussen seks en spijt, wordt de vraag zo geformuleerd dat het lijkt of er een verband tussen die twee zou moeten bestaan. De vraag luidt: ‘Hoe kijk je er op terug dat je met je vriend / vriendin naar bed bent geweest?’ De antwoordkeuzen zijn: ‘Ik heb er spijt van, ik zou er niet weer voor kiezen’ of ‘ik heb er geen spijt van, ik zou er weer voor kiezen’. Wat als iemand wel spijt heeft van de seks, maar alleen omdat het met de verkeerde persoon was? En er dus met een ander zo weer voor zou kiezen?

Seksuele voorlichting in het digitale tijdperk
De volgende valkuil zit in de vraag: ‘Van wie heb je het meeste geleerd over seksualiteit?’ De te kiezen antwoorden zijn: vrienden, partner, ouders, iemand uit de kerk, docent. Lezen christelijke studenten geen boeken, kijken ze geen televisie, en – vooral – hebben ze geen internet? Respondenten kunnnen zich laten leiden door dit soort gedwongen keuzes, zegt Spiering:  ‘Dit kan een verdraaid beeld opleveren.’

Openheid en seksueel gedrag
Volgens Spiering zitten er nog wel meer haken en ogen aan het onderzoek. Zo is het ook moeilijk om te meten hoe religieus de ondervraagden zijn. ‘Ze komen allemaal van christelijke hogescholen en/of studentenverenigingen. De groep is dus vrij homogeen, terwijl de christelijke groep in werkelijkheid veel heterogener is.’ Of het ND dus echt mag spreken over dé christelijke student is nog maar de vraag. Bovendien zijn de mensen die vragenlijsten invullen vaak ook de mensen die een duidelijke mening over het onderwerp hebben. Spiering: ‘Het is beter om een anonieme, willekeurige steekproef te doen, want mensen die enquêtes wel en niet invullen zijn daadwerkelijk andere mensen. Degenen die meer seksueel zijn aangelegd, zullen eerder geneigd zijn zo’n enquête in te vullen omdat zij een opener karakter hebben dan mensen die dat liever niet doen.’ Wat een vertekend beeld zou kunnen opleveren van het seksuele gedrag van de hele groep. 

Geen spijt
Het Nederlands Dagblad-onderzoek naar studentenseks is dus een eenzijdig onderzoek waarin slechts wordt gekeken naar de dingen die voor het publiek van die krant gewenst zijn. Desgevraagd geeft Stephan Bol, een van de onderzoekers, toe dat sommige delen van niet helemaal kloppen. “We zijn ons bewust dat er meer christelijke studenten zijn en dat hun seksuele gedrag kan afwijken van dat van studenten die naar een vereniging gaan. De scholen en verenigingen waren de enige groepen waarvan we zeker wisten dat we er een representatief beeld van konden schetsen.”

Maar hij is het niet op alle punten met de kritiek eens.  Bol vraagt zich af of de resultaten echt anders waren geweest als hij christelijke studenten die geen lid zijn van een vereniging had meegewogen: “De studenten van de Christelijke Hogeschool Ede  zijn wel vrij representatief voor de christelijke student en hun resultaten wijken niet af van die van de studenten die naar verenigingen gaan.” Met de sturende vragen over spijt heeft hij ook geen problemen: wie geen spijt heeft, kan gewoon voor dat antwoord kiezen. “Dit is gewoon een ja/nee-vraag zoals er in enquêtes vele worden gesteld.”

Geen hard bewijs voor groeiende psychische nood onder studenten

Monday, January 3rd, 2011

Door: Laura van Dijck

Studenten bezoeken massaal de psycholoog, blijkt uit Het Parool van 9 oktober 2010. Bij sommige universiteiten gaat het volgens het bericht om een toename van wel tien procent ten opzichte van 2009. Maar harde cijfers komen in het artikel niet aan bod, tendensen op de lange termijn evenmin. Is het aantal studenten in ‘psychische nood’ echt toegenomen?

Navraag bij de krant leert dat het bericht is overgenomen van de Geassocieerde Pers Diensten (GPD). Het is geschreven door journalist Jan ter Harmsel. Het Parool heeft het GPD bericht voor publicatie niet nagetrokken op juistheden: “Dat is de taak van het GPD zelf. We vertrouwen erop dat het klopt”, zegt verantwoordelijk eindredacteur Gerard Verdaasdonk.

Summier
In het bericht is te lezen dat bijna drie procent van de universitaire studenten hulp zoekt bij de studentpsycholoog. Bij een totaal aantal studenten van 230.000 zijn dat zevenduizend mensen. Maar dit getal zegt niets over een toename in de afgelopen jaren. De cijfers zijn wat summier, geeft auteur Ter Harmsel toe: “Ik noem niet alle universiteiten bij naam met hun exacte cijfers, dat had duidelijker gekund.” Wie zelf op zoek gaat, vindt alleen cijfers over studenten van de Erasmus Universiteit. Volgens het Erasmus Magazine gaan jaarlijks rond de 400 studenten naar een Rotterdamse studentenpsycholoog. Er is sprake van een stijging van 10 procent maar het is niet duidelijk ten opzichte waarvan.

In het bericht van de GPD komt Ton Boekhorst, studentenpsycholoog bij de Universiteit Groningen en tevens lid van het Nederlands Instituut van Psychologen, aan het woord. Per mail laat Boekhorst weten dat hij de landelijke cijfers van studentenbezoek aan de psycholoog “helaas” niet kan geven. Ook de cijfers voor Groningen worden niet prijsgegeven. Wel schrijft hij dat de laatste jaren per jaar gemiddeld 2,5 à 3 procent van de studenten zich meldt bij de studentenpsycholoog.

In het bericht noemt Boekhorst de toenemende maatschappelijke acceptatie van psychologische hulp als een verklaring voor de vermeende stijging van het aantal bezoeken: “Ook is er meer aandacht voor in de media door tv-programma’s als In Therapie”. Maar dit programma werd uitgezonden in de zomer van 2010 terwijl de cijfers betrekking lijken te hebben op de periode daarvoor. In tweede instantie legt Boekhorst uit: “Het programma In Therapie is door mij genoemd als een recent voorbeeld van aandacht voor therapie in de media, natuurlijk niet als directe aanjager van aanmeldingen in een jaar voordat het programma te zien was!” In het bericht ontbreekt deze nuancering en lijkt het wel of het uitzenden van In Therapie wordt gezien als een directe verklaring van de stijging.

Stigma
Ook Hans van Gelder, studentenpsycholoog aan de Universiteit Twente, is door de GPD geïnterviewd. Hij bevestigt dat het aantal studenten dat naar de studentenpsycholoog gaat toeneemt. In 2009 kwamen 654 Twentse studenten naar de psycholoog, tegenover 596 in 2008. Het aantal studenten op de universiteit steeg hetzelfde jaar met minder dan 10%.

Van Gelder ziet de verhoogde studiedruk als een van de oorzaken van de toenemende hulpvraag: “Er is meer druk op de studie. Het activisme onder studenten loopt terug, het is moeilijker om studenten te vinden voor commissies en besturen.” Ook bevestigt hij de verlaagde drempel voor een bezoek aan de psycholoog. “De laatste tien jaar heeft therapie minder last van een stigma. Studenten realiseren zich beter dat het zin heeft.”

Journalist Ter Harmsel zegt “meerdere universiteiten” te hebben gesproken, maar enkel de cijfers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Twente zijn te achterhalen, de aantallen op de overige universiteiten blijven in het ongewis. Ook na herhaaldelijke verzoeken blijkt Ter Harmsel niet in staat deze cijfers terug te vinden. Daardoor blijft het onduidelijk of er daadwerkelijk een toename is in het aantal bezoeken aan de psycholoog onder Nederlandse studenten. De stijging is door twee universiteiten bevestigd, maar voor een landelijke stijging ontbreekt het bewijs.

Effectiviteit strafregels vooralsnog verre van bewezen

Tuesday, December 7th, 2010

Door: Daniëlle van Veen en Nina Verhaaren

Straf helpt niet, strafregels wel’, kopte Metro op 26 oktober. Strafregels werken, zegt orthopedagoge Astrid Boon: verschillende Nederlandse scholen hebben ze met succes weer ingevoerd. Het leverde haar veel positieve publiciteit op. Maar Boons beroepsgroep is sceptisch, de cijfers van een school zijn geheim en de andere twijfelt:  “Strafregels worden nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Sinds de publicatie van haar boek Straf/Regels pleit Astrid Boon voor de herinvoering van ‘slimme strafregels’ op middelbare scholen. Bijvoorbeeld: “Hè, wat jammer nou dat ik mijn boeken vergeten ben. Nou kan ik niet meedoen met de les. Volgende keer neem ik mijn boeken mee, dan hoef ik dit nooit meer te schrijven”. Zulke regels zouden niet alleen ongewenst gedrag tegengaan, maar leerlingen tegelijkertijd het gewenste gedrag inprenten. Belangrijk is ook dat de leraar precies weet hoe de sanctie uit te delen: eerst een vriendelijke waarschuwing, dan een duidelijke concrete waarschuwing, dan de straf. 

Momenteel werkt Boon met een statisticus aan cijfers over de effectiviteit van haar strafregels, maar vooralsnog baseert ze zich op ervaring: “Ik heb de laatste dertig jaar gewerkt met lastige pubers op scholen, en zij hebben mij wijzer gemaakt over wat wel en niet werkt.” En strafregels, die werken ‘als een soort paardenmiddel’, vertelde ze in diverse media (Editie NL, De Telegraaf, Trouw, AD, en op de radio onder meer bij Goedemorgen Nederland). Maar is dat ook zo?

Wachten op officiële cijfers

Dat de strafregels werken, wordt volgens Metro nu ook ondersteund door cijfers uit de praktijk. Op het Amsterdamse Sweelinck College zijn Boons strafregels begin 2009 schoolbreed ingevoerd. Dagelijks wordt geregistreerd hoeveel leerlingen te laat komen en de klas uit worden gestuurd. Samen met een statisticus heeft Boon deze cijfers onderzocht. Ze zegt dat het aantal schorsingen op het Sweelinck College na de kerst normaal gesproken met gemiddeld 37 procent toeneemt. Na invoering van de strafregels dáálde het aantal schorsingen na de kerst juist, met maar liefst 57 procent. Omdat ze momenteel bezig is de resultaten gepubliceerd te krijgen, mocht Nieuwscheckers de cijfers niet inzien.

Het Metro-artikel noemde andere cijfers bij het Sweelinck College: te laat komen zou met twintig procent gekelderd zijn, en uit de klas sturen met zeventig procent. Navraag bij journalist Niels Rigter leert dat die cijfers afkomstig zijn van het Sweelinck College zelf. Martine Uleman, teamleider bovenbouw op het Sweelinck, vertelt dat de cijfers gebaseerd zijn op het registratiesysteem dat Boon ook noemde: “We kunnen niet precíés zeggen dat het om een daling van zeventig procent gaat, maar we houden deze gegevens dagelijks bij en dan zien we dat het aantal leerlingen dat moet terugkomen nu drie is, in plaats van tien.” Uleman gelooft dat de invoering van de strafregels de oorzaak is van de dalende cijfers. Omdat wetenschappelijk onderzoek nog ontbreekt, kan invloed van andere factoren echter niet worden uitgesloten.

Vooralsnog is het dus nog wachten op de officiële statistieken van Boon, pas dan kunnen echt uitspraken gedaan worden over de effectiviteit van strafregels op het Sweelinck College. Metro-journalist Rigter erkent ook dat zijn stuk ongetwijfeld steviger had gestaan als het onderzoek van Boon er al was geweest.

‘Je moet leerlingen toch serieus nemen’

Ook Scholengemeenschap ’t Groene Hart in Alphen aan de Rijn zou volgens Metro baat hebben gehad bij de invoering van Boons strafregels. Spijbelgedrag zou er ‘drastisch’ door verminderd zijn. Dat blijkt wel erg ongenuanceerd. P.K. Jansen, lid van het college van bestuur van de Scope Scholengroep, waartoe de Groene Hart Scholengemeenschap behoort, meldt Nieuwscheckers dat ze een aantal jaren geleden inderdaad een probleem hebben gehad met spijbelgedrag, en dat daar toen met een aantal deskundigen naar gekeken is. “Uiteindelijk hebben we toen meerdere maatregelen ingevoerd, waaronder de strafregels.” Of er een direct verband bestaat tussen de strafregels en de daling in spijbelgedrag, is niet onderzocht. “Het lijkt erop dat het ons toen geholpen heeft, maar het is ook niet meer dan dat”, aldus Jansen. “We willen ook niet dat mensen denken dat wij ‘strafregels’ opnieuw hebben ingevoerd of zoiets. Het wordt nu ook nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Journalist Niels Rigter vindt niet dat hij een misser heeft gemaakt door de resultaten van de scholen te publiceren zoals hij dat gedaan heeft. “Je kunt inderdaad niet zeggen dat er een duidelijke oorzaak-gevolgrelatie is, dat dóór de maatregelen het spijbelen met zoveel procent naar beneden is gegaan. Je kunt daarentegen wel zeggen dat sínds de invoering van de strafregels het verzuim naar beneden is gegaan met een bepaald aandeel. Dat heb ik gedaan.” Hij heeft opgeschreven wat de scholen hem hebben verteld. “Je gaat ervan uit dat als een school jou dat soort informatie geeft, dat die informatie ook klopt. En als jullie dan ineens naar bewijzen komen vragen, gaan ze de boel nuanceren.” Wel geeft hij toe dat hij misschien wat kritischer had kunnen zijn en bijvoorbeeld absentielijsten had kunnen opvragen. “Maar ja…”

Geloofskwesties

Nog afgezien van de dubieuze cijfers over de effectiviteit van de strafregels, is de beroepsgroep van Boon sceptisch over de vraag of straffen wel de beste optie is bij het stimuleren van gedragsverandering. Metro merkt zelf op dat ‘pedagogen het er inmiddels wel over eens zijn dat straffen nauwelijks tot gedragsverandering leidt’ (in het kaderartikel ‘Vroeger, toen de meester nog sloeg’, niet online). Vanuit het behaviorisme is het heersende idee dat het belonen van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag vaak de beste manier is om gedrag te beïnvloeden.

“Het interesseert me niets als er pedagogen zijn die zeggen dat het niet werkt”, zegt Boon. “Het werkt namelijk wel. Iedereen zegt maar dat belonen beter werkt, maar er is al dertig jaar geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van straffen.” Meningen over de relatieve effectiviteit van straffen en belonen zouden daardoor pure ‘geloofskwesties’ zijn geworden. Om te laten zien dat haar strafregels werken, is ze haar eigen onderzoek begonnen.

Versimpeling

Gezinus Wolters, universitair hoofddocent cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, noemt deze uitspraken ‘een versimpeling van de werkelijkheid’: “Er wordt wel degelijk ontzettend veel onderzoek gedaan naar straffen en belonen, maar dat is geen makkelijk onderzoek en resultaten zijn onduidelijk. Uit allerlei onderzoek is gebleken dat zowel straffen als belonen kan werken bij gedragsbeïnvloeding.” Kijk je naar praktijksituaties, dan wordt het ingewikkelder, aldus Wolters. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van opvoedingsproblemen in het gezin. “Dan is het niet meer simpelweg de vraag of  er beloond of gestraft moet worden, dan moet je voor die specifieke situatie de meest effectieve manier zien te vinden.”

De strafregels van Boon kunnen in principe ongewenst gedrag van leerlingen verminderen, denkt Wolters. “De beloning op slecht gedrag wordt weggenomen, en daarmee het motief om dat gedrag te vertonen”, legt hij uit. “Jongeren kunnen heel vervelend gedrag vertonen, en zijn dan stoer in de ogen van hun collegajongeren. Door de leerling als een klein kind strafregels te laten schrijven, valt die beloning weg. In die zin kunnen de strafregels prima werken.” Dat strafregels bovendien het gewenste gedrag inprenten, gelooft hij niet: “Door de leerling vrije tijd of stoerheid af te nemen met strafregels, zal hij het ongewenste gedrag in de toekomst misschien laten, maar wat je ze laat schrijven, maakt niet uit. Het is gewoon een alternatief soort straf, het werkt niet om positief gedrag te versterken. Je kunt ze ook laten nablijven of het schoolplein laten vegen, dat is net zo effectief.”

Het Centrum Educatieve Dienstverlening Rotterdam merkte in 2007 in een brief aan het NRC (niet online) op dat de positieve gedragsinstructie in de strafregels wél van belang is, omdat dan duidelijk wordt hoe de leerling zich zou moeten gedragen. Belangrijker vindt het Centrum echter nog dat de leraar precies weet hoe de sanctie uitgedeeld wordt: twee keer waarschuwen, dan strafregels opleggen. “Dat voorkomt ellenlange aandacht voor negatief gedrag en maakt tijd en ruimte vrij om aandacht te geven aan gewenst gedrag.” Vooral het geheel van duidelijke, positieve gedragsregels, waarbij gewenst gedrag prettiger gevolgen heeft voor de leerlingen dan ongewenst gedrag, zou effectief zijn. Niet de strafregels op zich.

Elastiek

Rigter liet in zijn Metro-artikel naast Boon geen andere deskundige aan het woord, al onderkent hij dat dat zijn stuk wel sterker zou hebben gemaakt. “Tuurlijk, hoe meer mensen je aan het woord laat, hoe beter je stuk. Maar ja, op een gegeven moment moet je stoppen met schrijven. De pagina’s zijn nu eenmaal niet van elastiek, hè.”  

Juichend persbericht, maar het onderzoek is nog geheim

Tuesday, November 2nd, 2010

Door: Mark Deckers

Van blauw licht krijg je meer energie, meldt het NOS Journaal van woensdag 13 oktober 2010. Het nieuws dat lichtsterkte en de kleurtemperatuur schoolprestaties beïnvloeden is gebaseerd op een persbericht van Phillips en de Universiteit Twente. Niet alleen het NOS Journaal bracht dit nieuws, ook verschillende kranten, radio- en tv-zenders berichtten over het onderzoek. Bovendien hebben al 50 scholen besloten hun lichtsystemen te vervangen. Best vreemd, want ondanks het persbericht zijn de onderzoeksresultaten nog ‘geheim’.

Voor de NOS deed Marjolein Hogervorst verslag over SchoolVision. De redactie ging daarbij niet over een nacht ijs. Al eerder was het nieuwe lichtsysteem van Philips, bedoeld om leerlingen beter te laten presteren, onder de aandacht van de NOS gekomen. Volgens Hogervorst is er toen niets mee gedaan: “Het onderzoek stond toen nog in de kinderschoenen. Misschien vielen de resultaten wel heel erg tegen.” Maar toen de resultaten bekend waren, besloot de redactie er wel aandacht te besteden.

McDonalds
Die resultaten staan in een persbericht. Dat meldt dat 18 procent van de leerlingen die onder speciaal licht zaten zich beter konden concentreren, beter gedrag vertoonden, beter samenwerkten en gemotiveerder en opgewekter waren. Een ideaal resultaat voor elke leraar. Het systeem zou als volgt werken. Er zijn in het lichtsysteem vier verschillende standen. Standaard licht, rustgevend rood licht, energiek blauw licht en concentratieverbeterde wit licht. Bij blootstelling aan een van de lichtstanden met een andere lichtsterkte of kleurtemperatuur zouden er andere hormonale stoffen vrijkomen in het lichaam dan bij normaal licht.

Marcel Veenman, ontwikkelings- en onderwijspsycholoog aan de Universiteit Leiden, hoorde voor het eerst van dit onderzoek via het NOS Journaal. Toch is hij niet verbaasd. Relaties tussen licht en menselijk gedrag zijn volgens hem eerder onderzocht: “Dat er effecten zijn van de omgeving op het gedrag van mensen is bewezen. Het rood van McDonalds zou bijvoorbeeld hongerig maken.”

Geheim
Toch roept het onderzoek vragen op, vooral over de gehanteerde methode. Hoe zijn de resultaten gemeten? Kinderen en leraren waren ervan op de hoogte dat ze deelnamen aan een proef met licht. Hoe is voorkomen dat dat de resultaten vertekende? Was er ook een controlegroep? Deze vragen zijn niet alleen wetenschappelijk relevant, maar ook voor een goede journalistieke verslaggeving. Om ze te kunnen beantwoorden, is inzage in de onderzoeksresultaten nodig.

Maar wat blijkt: die resultaten zijn nog niet naar buiten gebracht. Journalisten moeten genoegen nemen met de resultaten in het persbericht. Wie meer informatie wil, kan wel contact opnemen met Joost Bruysters. Hij is niet betrokken bij het onderzoek maar als ‘Wetenschapsredacteur’ bij de Universiteit Twente wel het aanspreekpunt voor journalisten. “Wetenschappers zijn nu aan de slag om hier publicaties over te maken. We willen eerst publiceren in wetenschappelijke bladen en tijdschriften”, vertelt Bruysters. Voor vragen over het soort testen dat is gedaan, verwijst hij door naar Peter Sleegers, hoogleraar Onderwijskunde van de Universiteit Twente. Maar ondanks herhaalde pogingen is Sleegers niet bereikbaar voor commentaar.

Ook Philips is niet bereid meer informatie te geven. “De resultaten zijn van de Universiteit”, zegt persvoorlichtster Liesbeth de Smedt. “Het onderzoek en de resultaten kunnen op dit moment niet up front gedeeld worden. Het zijn op dit moment beschermde gegevens.” De onderzoeksresultaten kunnen dus pas echt kritisch worden bekeken als ze zijn gepubliceerd in een wetenschappelijk artikel. Volgens Veenman kan dat nog wel even duren: “Het duurt soms wel twee jaar voordat een artikel wordt geaccepteerd.”

Raar
Is het dan niet raar dat er al wel een persbericht naar buiten is gebracht? Hoe weten die 50 scholen die het systeem hebben aangeschaft dan dat het ook echt werkt? Volgens Philips hoeven we ons om de resultaten niet druk te maken. “Wij hebben de resultaten wel gezien”, laat De Smedt weten. “Ze zijn heel goed onderbouwd.”

Voor de NOS was deze geheimzinnigheid geen probleem. Of heeft het Journaal soms inzage gehad in de resultaten? Hogervorst weet dat niet zeker maar gaat er wel vanuit. “Mijn redacteur heeft dat van tevoren gedaan. Zij checkt of alles klopt. Daarnaast heb ik de onderzoeker uitgebreid geïnterviewd over de onderzoeksmethode en de resultaten.” Haar verbazing over de geheimzinnigheid is niet journalistiek van aard, maar commercieel: “Heel dom van Philips, want zo verkoop je minder. Met aantoonbare resultaten krijg je meer klanten.”

Govert Schilling, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wetenschapsjournalisten, had het in dit geval veel verstandiger gevonden om te wachten met het naar buiten brengen van het persbericht tot de uiteindelijke publicatie. “Je kunt dit onderzoek pas serieus nemen als het hele publicatieproces is doorlopen”, vertelt Schilling. “Het wordt een beetje raar natuurlijk als je het lichtsysteem al verkoopt terwijl je geen informatie kunt of wilt verschaffen.”

Broodheer
De keuze een persbericht te sturen voordat het onderzoek is gepubliceerd, is genomen door Philips, erkent Bruysters. Maar de Universiteit Twente stond er wel achter: “Als we het te vroeg vonden, hadden we het zeker afgeraden.” Toch roept deze gang van zaken vragen op over dit soort samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteit. Veenman: “Ik heb soms wel wat moeite met dit soort verbanden. Het bedrijf waarmee je samenwerkt, is immers ook je broodheer.” Ook Schilling ziet dit probleem: “Het onderzoek kan als dubieus worden opgevat door de connectie van Phillips met de universiteit. Maar iedereen is natuurlijk vrij om te doen wat hij of zij wil.”

“Ik denk niet dat er sprake is van belangenverstrengeling”, reageert De Smedt. “Universiteit Twente heeft autonoom gehandeld. De onderzoekers zijn verantwoordelijk voor het protocol, de labstudie, de afname van de testen en de analyses. Philips is op de hoogt gehouden van de voortgang. Ook had Philips een aandeel in de instalies, de inbreng van de onze lichtkennis en het gebruik van het systeem.”

Veenman gaat ervan uit dat de onderzoekers zich netjes aan de regels hebben gehouden en hun werk aan het oordeel van collega’s zullen blootstellen. Veel scholen zullen daarop niet wachten. In hetzelfde persbericht als waarin de ‘resultaten’ van het onderzoek bekend zijn gemaakt, meldt Philips ook de introductie van het Leerprestatiefonds. Scholen die nu besluiten tot aanschaf van het nieuwe lichtsysteem ter waarde van 5.000 euro, krijgen van dit fonds de helft van de aanschafwaarde cadeau. In een persbericht gaan wetenschap en commercie heel goed samen.

Op het web heet lifestyle opeens wetenschap

Wednesday, October 27th, 2010

Door: Iris Nijman

‘Vier op de tien vrouwen wordt dikker van dieet’, kopte de Standaard op 8 september 2010 op de online wetenschapspagina. Bron: The Daily Mail. De cijfers zijn gebaseerd op een enquête uitgevoerd door het Britse afslankprogramma Jenny Craig. Hoort dit bericht wel thuis onder het kopje wetenschap?

De resultaten van de enquête zijn te vinden in het food:body:mind rapport op de site van Jenny Craig. Een voetnoot meldt dat het onderzoek is uitgevoerd onder een ‘willekeurige groep’ van 2000 vrouwen. Meer informatie over de methode ontbreekt. Dat de enquête door een afslankprogramma is afgenomen doet vermoeden dat de groep niet zo willekeurig is als wordt voorgedaan. Volgens de website van The Daily Mail gaat het om een groep vrouwen die regelmatig op dieet is. Hiermee wordt de uitspraak ‘6 op de 10 vrouwen ziet zichzelf als continu op dieet’, te lezen in het bericht van de Standaard, een lachertje.

Op eigen houtje
Uit de resultaten van de enquête blijkt dat veel vrouwen er een bepaalde manier van diëten op na houden, het Diet Dating Syndrome genoemd, oftewel dieet daten. Hanna Zijlstra, diëtist en psycholoog, legt uit wat dieet daten is: “Het komt vaak voor dat vrouwen afvalpogingen doen op eigen houtje. Meestal zijn ze daarbij te streng voor zichzelf. Na in een korte periode 5 kilo te zijn afgevallen, vervallen ze weer in oude patronen, en komen daarna weer snel aan. Het belangrijkste van een goed dieet is dat het je levensstijl geleidelijk moet veranderen, onder professionele begeleiding. Maar je moet nog wel normaal kunnen leven.” Zijlstra vindt het positief dat er onderzoek gedaan wordt naar vrouwen op dieet. Maar ze zet vraagtekens bij dit onderzoek omdat het niet objectief en onafhankelijk lijkt te zijn verricht.

Afslankprogramma Jenny Craig heeft er duidelijk belang bij dat vrouwen inzien dat professionele hulp de enige mogelijkheid is om af te vallen. De bedoeling is dat vrouwen voor die hulp bij Craig zelf aankloppen. De website van het programma laat daarover weinig twijfel bestaan: “Val 20 pounds (9 kilo) af voor slechts 20 dollar (14 euro)!” Maar wie het programma niet kent haalt deze informatie niet uit het bericht van de Standaard. Waarom heeft de wetenschapsredactie van de krant niet meer vraagtekens geplaatst bij dit onderzoek?

Betrouwbare krant
Navraag leert dat het bericht niet is geschreven door de wetenschapsredactie maar door Tinnie Brandt, een freelance journalist. Hoe is zij bij dit onderzoek terecht gekomen en welke bronnen heeft zij geraadpleegd? “Wij krijgen dagelijks nieuws binnen via The Daily Mail, dat wij dan gebruiken voor nieuwsberichten op onze website”, zegt Brandt. “The Daily Mail is een betrouwbare krant die zijn bronnen checkt. Natuurlijk proberen wij zelf ook zoveel mogelijk contact op te nemen met de genoemde bronnen, maar als meerdere bronnen genoemd worden of het bericht gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek, gaan wij er meestal vanuit dat het betrouwbaar is.”

Het schrijven over wetenschappelijk onderzoek is voor Brandt een uitzondering: “Ik ben geen wetenschapsjournalist, ik houd mij voornamelijk bezig met lifestyle.” In de praktijk worden veel berichten voor de wetenschapssectie op de website geschreven door ‘gewone’ journalisten, bevestigt Steven Stroeykens, coördinator wetenschap bij De Standaard: “De wetenschapsredactie schrijft voornamelijk artikelen voor papier, die ook wel online worden geplaatst. De online redactie schrijft veel korte berichten naar aanleiding van persberichten, ook over wetenschap.”

Dat is niet alleen zo bij de Standaard. Ook bij andere kranten heeft de website niet de hoogste prioriteit bij de wetenschapsredactie, bijvoorbeeld bij de Volkskrant. De wetenschapsredactie van die krant bestaat momenteel uit vier redacteuren, bij de Standaard zijn het er zelfs maar twee. “Natuurlijk zouden we meer tijd willen vrijmaken voor online publicaties,” zegt Stroeykens, “maar dat is erg lastig met zijn tweeën.”

Werkdruk
Tinnie Brandt schrijft 3 to 4 nieuwsberichten per dag voor Het Nieuwsblad en De Standaard. Daarnaast werkt ze nog voor andere media. Brandt: “Natuurlijk worden de stukken door een eindredactie gecheckt, maar het zijn er zoveel dat er geen tijd is om ze allemaal volledig na te kijken.” Daarmee is het probleem geschetst. Als er zo weinig tijd is om berichtjes te controleren voordat ze online komen te staan, zullen online berichten gebaseerd op quasi wetenschappelijk onderzoek in aantal toenemen. Zo komen berichten gebaseerd op ‘onderzoek’ van een afslankprogramma terecht onder het kopje wetenschap.

Terug naar het bericht over de vrouwen die dikker worden door een dieet. Daarin zit een kern van waarheid. Het Diet Dating Syndrome bestaat en speelt inderdaad veel mensen die proberen af te vallen parten. Goede voorlichting daarover is welkom. Niet op de wetenschapspagina maar in de sectie lifestyle.

Ziek in je hoofd als je je tanden wit

Tuesday, May 18th, 2010

Door: Liz Brower

Originele tanden (c) uberculture

Een op de tien mensen die naar de tandarts gaan voor een cosmetische behandeling, zoals tanden bleken of rechtzetten, is op een ziekelijke manier gefixeerd op zijn of haar uiterlijk. Ze lijden aan Body Dysmorphic Disorder (BDD), waarbij patiënten uren per dag besteden om hun ingebeelde mankementen te verhelpen of verhullen. Althans, dat beweerde NRC Handelsblad op 27 maart. De stoornis komt weinig voor, maar blijkbaar zit een groot deel van de BDD’ers regelmatig in de tandartsstoel. Maar dat klopt niet. Uit het originele onderzoek, gepubliceerd in het vakblad Community Dentistry and Oral Epidemiology, blijkt dat het om 4,2 procent gaat, dus dichter bij 1 op de 25.

Het NRC haalt het onderzoek van Ad de Jongh aan, bijzonder hoogleraar angst- en gedragsstoornissen en hoogleraar psychotherapie voor tandartspatiënten. Hierin staat inderdaad dat 9,5 procent van de cosmetische tandartspatiënten die hij onderzocht, voldoet aan twee van de drie sleutelcriteria van BDD. Dat is ongeveer 1 op de 10. Maar twee van de drie betekent nog niet dat iemand BDD heeft. Het werkelijke cijfer blijkt 4,2 procent. Dit aandeel van de patiënten voldoet aan alle criteria. De Jongh zegt: “Het staat niet juist in het NRC-artikel.” Dit artikel is geschreven door emeritus hoogleraar tandheelkunde Michiel Eijkman, die al 37 voor het NRC schrijft. Ook hij is het niet eens met die een op de tien uit de eerste zin: “Dat is een onjuiste mededeling.”

Redactionele hand

Wim Köhler, wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad, blijkt verantwoordelijk voor de gewraakte eerste zin: “Nee, strikt genomen is dat niet juist.” In het originele artikel dat Eijkman naar de NRC-redactie stuurde, maakte hij onderscheid tussen degenen die aan twee van de drie BDD-criteria voldeden, en degenen die een volledige diagnose hadden. Dit onderscheid heeft de eindredactie echter laten verdwijnen. Köhler wil hier wel een kanttekening bij plaatsen. In de eerste zin wordt de frase ‘lijdt aan’ gebruikt. Köhler: “Daar kun je ook de groep die  twee van de drie symptomen heeft onder scharen.” Ook al heeft de eindredactie er een hand in gehad, Eijkman is de auteur: “Ik blijf ook na deze bewerking verantwoordelijk voor de inhoud ervan.”

Maar zeven

1 op de 25 blijft nog steeds een hoog aantal, maar ook daar schort iets aan. De Jongh hield een enquête onder 170 cosmetische tandartspatiënten, waarvan er uiteindelijk maar zeven BDD bleken te hebben. De Jongh zelf ziet hier ook een probleem mee: “Als het gaat om zo’n kleine groep patiënten, zijn er heel veel mensen nodig in de onderzoeksgroep om een betrouwbaar resultaat te krijgen.” Iets dergelijks zei hij ook al in zijn originele artikel: “… het aandeel van patiënten met BDD was te klein, en dus moeten de resultaten als inleidend beschouwd worden.” De resultaten zijn dus niet per definitie waar, maar moeten gezien worden als een voorlopige indicator.

Paddestoelen

De Jongh hield zijn enquête in zes tandartsklinieken die gespecialiseerd zijn in cosmetische procedures. De Jongh: “Dit soort klinieken springt als paddestoelen uit de grond.” De resultaten van zijn onderzoek zijn dus ook alleen maar te generaliseren over patiënten die dit soort klinieken bezoeken. In een ‘normale’ tandartspraktijk komt maar een deel van de patiënten voor een cosmetische behandeling, van wie een nog veel kleiner deel mogelijk BDD heeft. De Jongh: “Dit is geen probleem in de gewone praktijk, maar wel in de speciale klinieken. Van alle tandartsopleidingen in Nederland geeft alleen het Academisch Centrum voor Tandheelkunde les over psychopathologie, maar tandartsen moeten zich wel bewust zijn van dit soort problemen.” De kop ‘Tandartsen moeten niet ingaan op extreme wensen cliёntèle’ klopt dus wel. Hoeveel cosmetische tandartspatiënten precies BDD hebben, is niet duidelijk, maar wat er moet gebeuren als het vermoed wordt, is wel bekend. Eijkman: “Uit onderzoek is gebleken dat als kaakchirurgen ingaan op extreme wensen van hun patiënten, het probleem niet wordt opgelost.” Het betreffende onderzoek is gedaan door C.J. Hakman, werkzaam op de sectie Mondziekten en Kaakchirurgie van de Vrije Universiteit.

Geen nieuws

De Jongh schreef al in 2009 voor het tijdschrift Community Dentistry and Oral Epidemiology over BDD onder tandartspatiënten die kwamen voor een cosmetische behandeling. Eijkman gebruikt echter een recenter artikel van De Jongh dat verscheen in het vakblad Quality Practice Tandheelkunde. In dit artikel citeert De Jongh zijn resultaten van een jaar eerder. In deze samenvatting van de onderzoeksresultaten, staat de uiteindelijke grootte van de groep cosmetische tandartspatiënten met BDD niet. Ook staan de resultaten van de post-hoc analyse niet vermeld. Hieruit blijkt dat de resultaten alleen significant zijn voor vrouwen. Doordat Eijkman het latere artikel van De Jongh gebruikte als zijn bron, zijn belangrijke nuances van het onderzoek weggevallen.

Knip en plak

Een zelfde soort bericht als in NRC Handelsblad verscheen op vier gezondheidswebsites, namelijk medicalfacts.nl, dentalinfo.nl, ziekenhuiskrant.nl en kliniekoverzicht.nl. De cijfers uit het NRC waren klakkeloos overgenomen en in drie van de vier artikelen was zelfs dezelfde typefout (‘hooglereaar’) in de kop te vinden.

Junkfood even verslavend als drugs?

Tuesday, May 4th, 2010

Door: Lidewij de Gier, m.m.v. Geert Oosterwijk

IJsjes, hamburgers en patat zijn net zo verslavend als heroïne en cocaïne. Dit berichtten onder andere De Pers en nieuwssites als scientias.nl, evmi.nl en hln.be op basis van een publicatie in Nature Neuroscience. Nieuwscheckers rook onraad en ging op onderzoek uit. Wat blijkt: de onderzoekers zelf hebben nooit gezegd dat junkfood even verslavend is als drugs. En hun proefpersonen waren ratten die niets anders te doen hadden dan spek en cheesecake eten. (more…)

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes