psychologie

Euthanasievereniging scoort met foute cijfers over zelfdoding ouderen

Wednesday, April 14th, 2010

Door: J. van der Zijden

Ouderenzorg 200x192In liefst 22 procent van de Nederlandse verzorgingshuizen komen zelfdodingen of pogingen daartoe voor. Althans, dat zou blijken uit een onderzoek dat op 10 februari werd gepubliceerd door de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), waarover onder andere Netwerk berichtte. Dat ruim een op de vijf verzorgingshuizen te maken met krijgt met zelfdoding klinkt ernstig, maar blijkt onjuist. Nieuws-checkers nam het onderzoek onder de loep en kwam op aanzienlijk lagere cijfers uit.

(more…)

NIGZ-cijfers over onzekere en allergische kinderen rammelen

Friday, March 19th, 2010

Door: Danja Theune

huilendkind

“Een op de vijf kinderen is ontevreden met zichzelf”, kopte het ANP op 4 maart. Nu.nl, het ADDe Telegraaf en andere media namen het bericht over.  De bron wekt vertrouwen: het grootschalige Ga voor gezond!-onderzoek van nationaal gezondheidsinstituut NIGZ. Maar hoe serieus moeten we deze cijfers nemen? Nieuwscheckers vroeg het onderzoeksrapport op en ontdekte dat het percentage ontevreden kinderen veel lager is: niet een op de vijf, maar minder dan een op de twintig. Ook de bewering dat een kwart van de kinderen een allergie heeft, is dubieus.

Het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) stuurde een vragenlijst naar 10.550 kinderen van 4 tot en met 12 jaar, 321 leerkrachten en 599 ouders. De stelling “Ik ben blij met wie ik ben” werd alleen voorgelegd aan kinderen van groep 4 tot en met 8. 76,6 procent antwoordde ‘ja!’, 14,5 procent ‘ja, een beetje’ en 8,2 procent  ‘soms wel, soms niet’. Slechts 2,0 procent gaf als antwoord ‘nee, niet echt’ en 2,7 procent zei ‘nee!’. Dit komt er op neer dat 4,7 procent een ontkennend antwoord geeft, terwijl 8,2 procent twijfelt. Daarnaast werd aan leerkrachten de stelling “De kinderen in mijn groep zijn over het algemeen tevreden met zichzelf” voorgelegd. 80,1 procent van de ondervraagden antwoordde hierop positief.

Rekenfoutjes

Bij het narekenen ontdekte Nieuwscheckers echter een foutje. Het onderzoeksrapport bestaat uit vijf kolommen: jongens / meisjes, autochtonen / allochtonen en totaal. Ieder kind hoort dus in drie van deze kolommen te worden meegeteld, maar blijkbaar is dit niet het geval: voor de kinderen uit groep 4 tot en met 8 zijn de totaalaantallen van deze drie groepen respectievelijk 9254, 9245 en 9492.  I. de Gouw, projectmanager bij het NIGZ, bevestigt dat het eigenlijke aantal kinderen 9245 is, het totaal van de kolommen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ dus. De cijfers die Nieuwscheckers noemt, zijn daarom afkomstig uit deze twee kolommen.

Afgaande op de antwoorden van de kinderen klopt het dus niet dat maar 80 procent tevreden is met zichzelf: dit moet 87,1 procent zijn. Slechts 4,7 procent is niet echt of helemaal niet tevreden met zichzelf – veel minder dus dan een op de vijf. Volgens De Gouw is er echter voor gekozen om de antwoorden van de leerkrachten ook mee te laten tellen. Maar de vraag die de leerkrachten beantwoorden, gaat over de hele klas. Wanneer in een klas slechts enkele kinderen zitten die erg onzeker over zichzelf zijn, zou een leerkracht dus nog steeds ‘ja’ kunnen invullen. De antwoorden van de ouders daarentegen zijn buiten beschouwing gelaten – en van hen gelooft 91,8% dat zijn of haar kind tevreden is met zichzelf. Op de vraag wat hier de reden van is, is De Gouw helaas niet meer ingegaan.

Kinderen met een allergie

Ook de NIGZ-bewering dat 25 procent van de kinderen een allergie heeft, is dubieus. De antwoorden van kinderen liggen op dit gebied namelijk mijlenver van de antwoorden van de ouders. Ook tussen kinderen van verschillende leeftijdsgroepen bestaan grote verschillen. 14,9 procent van de ouders zegt een kind te hebben met een allergie. Dit steekt mager af bij het oordeel van hun kroost zelf: maar liefst 37 procent van de kinderen uit groep 4 tot en met 8 denkt ergens allergisch voor te zijn, evenals 24,5 procent uit groep 1 tot en met 3. Het gemiddelde van alle kinderen ligt op 35,6 procent. Dit komt dus niet overeen met de conclusies van het NIGZ, dat desondanks het gemiddelde van alle kinderen zegt te hebben genomen.

Volgens Ewoud Dubois, hoogleraar Kinderallergologie aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen, is het moeilijk om exact te zeggen hoeveel mensen een allergie hebben. Hij legt uit dat er een groot verschil is tussen het fenomeen ‘allergie’ en het fenomeen ‘sensibilisatie’. Wie een verhoogde sensibilisatie heeft (volgens Dubois zeker rond de 45 procent van de kinderen), heeft een verhoogde kans om allergisch te worden, maar dit hoeft niet zo te zijn. Daarnaast kunnen overgevoelige reacties ook voorkomen zonder dat er sprake is van een allergie. Dubois beklemtoont dat het erg lastig is om precies te weten te komen hoeveel kinderen er precies een allergie hebben.

In het geval van de test van het NIGZ moesten kinderen zelf invullen of ze al dan niet allergisch waren. Dubois benadrukt dat het voor mensen erg lastig is om aan te geven of ze een allergie hebben of niet. Een onderzoek dat binnenkort gepubliceerd wordt, wees uit dat 10 procent van de jongeren zichzelf onterecht een allergie toebedeelt. Dit onderzoek werd weliswaar uitgevoerd op een middelbare school, maar het is niet waarschijnlijk dat jongere kinderen beter op de hoogte zijn van hun allergieën.

Ook Marjan Kerkhof, epidemiologe aan het UMCG, kan niet met zekerheid zeggen hoeveel kinderen aan een allergie lijden. Percentages spreekt ze zeer voorzichtig en met drie slagen om de arm uit: “15 procent heeft eczeem, 10 procent astma en veel kinderen krijgen vanaf de basisschool hooikoorts.” Het hooikoortspercentage is onder 20-jarigen langzaamaan gestegen tot pakweg 30 à 40 procent. Yola de Vries, secretaris van de Vereniging van Allergiepatiënten, durft wel exacte getallen te noemen, maar die zijn weer veel lager: 4 tot 8 procent.

Reactie van het ANP
Waarom heeft het ANP de twijfelachtige cijfers uit het NIGZ-persbericht overgenomen? Rennie Rijpma, chef van de redactie Binnenland bij het ANP, vertelt dat de schrijfster van het bericht gewoonlijk altijd de onderzoeksrapporten van dergelijke onderzoeken opvraagt en controleert. Dit specifieke bericht kon ze zich helaas niet meer herinneren, maar volgens Rijpma denkt ze dat ze haar gewoonlijke werkwijze heeft gevolgd. Rijpma: “Ze heeft de conclusies van het NIGZ gevolgd en niet haar eigen conclusies getrokken.”

Liefdesalarm gaat te vroeg af

Tuesday, March 16th, 2010

Door: Jeanne Veldwijk

www.loveralert.nl

Een op de vijf jongeren heeft ervaring met geweld in een relatie. Althans, dat concludeert de GGD Rotterdam-Rijnmond uit internationaal onderzoek en een eigen internetenquête. Onder andere De Telegraaf, het AD en verscheidene regionale media hebben dit nieuws van de GGD overgenomen. Maar zijn deze cijfers te vertrouwen? Nieuwscheckers probeert er achter te komen. Dat valt niet mee: ook de GGD zelf weet het niet precies.

“Zo’n 20% van de jongeren bleek op basis van de uitslag in de gevarenzone te zitten met scheve relatieverhoudingen en kreeg het advies om hulp te zoeken”, aldus een persbericht van de GGD Rotterdam-Rijnmond. Zij kunnen het slachtoffer worden van verkeringsgeweld. Om jongeren hierover te informeren worden zij met posters, radiospotjes en flyers geattendeerd op de website loveralert.nl, die sinds eind 2009 in de lucht is. Jongeren kunnen daar informatie inwinnen over relatiegeweld en een test doen om de risicofactor van hun relatie te testen. De resultaten van de eerste 5100 van deze relatietests komen overeen met het gemiddelde dat is aangetoond in internationaal onderzoek, aldus Jetze Janssen, communicatieadviseur bij de GGD. En een op de vijf is volgens zijn collega sowieso “de landelijke maatstaf voor huiselijk geweld.” De afdeling communicatie kan Nieuwscheckers echter niet vertellen uit welk onderzoek dat gebleken is.

Onderzoek

Het internationale onderzoek waar de GGD in het persbericht naar verwijst is, aldus een van de GGD-voorlichters,  “Dating Violence: a critical review of the literature” van de Amerikanen Lewis en Fremouw (Clinical Psychology Review, 2001). Zij bespreken een groot aantal onderzoeken naar verkeringsgeweld. Hun belangrijkste conclusie is echter dat deze elkaar vaak tegenspreken en dat het daarom lastig is om een betrouwbare cijfers te noemen.  Hoewel uit het allereerste onderzoek naar verkeringsgeweld uit 1981 inderdaad bleek dat een op de vijf studenten ervaring heeft gehad met (fysiek) geweld in een relatie, wordt deze uitkomst in dezelfde alinea  in twijfel getrokken. Uit een ander onderzoek (Roscoe & Callahan, 1985) bleek namelijk dat maar 9 procent van de studenten ervaring heeft gehad met relatiegeweld. En in weer een ander onderzoek – dat ook verbale agressie liet meetellen – was dat 65 procent.

Kortom, de cijfers zijn onzeker en de bewering van de GGD dat de resultaten van hun enquête overeenkomen met internationaal onderzoek, is onjuist. De GGD verwijst ons naar een publicatie die de schokkende cijfers – een op de vijf – juist in twijfel trekt. Waarom de GGD zich dan toch op dit artikel baseert, kan communicatiemedewerker Dominique Goedegebuure ons niet vertellen: ”Het is een onderzoek dat landelijk circuleert.”

Ook jongens slachtoffer

Illustratie op loveralert.nlHet is opvallend dat de GGD een studie uit 2001 heeft gebruikt. Er bestaat namelijk ook een meer recente uit 2008, van Shorey, Cornelius en Bell. Nog opvallender is echter dat in een eerder persbericht van de GGD vermeld wordt dat 84 procent van de slachtoffers van verkeringsgeweld vrouw is – jongens lopen dus óók risico.  Zowel de studie van Lewis en Fremouw, als die van Shorey, Cornelius en Bell vermelden namelijk dat er bewijs is gevonden dat vrouwen evenveel (zo niet vaker) de dader zijn van verkeringsgeweld.  De resultaten van de enquête van de GGD komen dus voor een groot deel juist niet overeen met ‘internationaal onderzoek’. De afdeling communicatie – een beleidsmedewerker krijgt Nieuwscheckers nog steeds niet te spreken – houdt zich echter bij het standpunt dat meisjes vaker het slachtoffer zijn van verkeringsgeweld dan jongens.

De test

De relatietest op de website loveralert.nl bestaat uit 12 meerkeuzevragen over het gedrag van de lover in kwestie.  Onder ‘verkeringsgeweld’ volgens de definitie van de GGD vallen zowel lichamelijk  als verbaal geweld en vernedering. Maar een duidelijk signaal van (aankomend) geweld is volgens de GGD ook als je vriendje wel erg snel in de relatie toekomstplannen gaat maken of “Je voelt je niet helemaal OK in je relatie.”

Nergens wordt direct gevraagd of de ‘lover’ je wel eens mishandelt of misbruikt. Goedegebuure: “Dat is omdat wij ons richten op preventie. Uit de test blijkt of er alarmbellen af zouden moeten gaan.” Het persbericht uit november beweert echter: “Uit onderzoek blijkt dat één op de vijf jongeren geconfronteerd wordt met geweld in een relatie, zoals slaan, dwingen tot seks, extreme jaloezie en vernedering in het openbaar.” Maar zulke conclusies kun je niet trekken uit een test die zich alleen concentreert op ‘signalen’.

website loveralert

Aan het eind van de test wordt naar je leeftijd gevraagd. De leeftijd van de geënquêteerde kan 1 tot 100 jaar zijn en heeft geen invloed op de uitkomst. “Dit is omdat we willen weten of er mensen van andere leeftijden zijn die ook behoefte hebben aan een dergelijke campagne”, aldus Goedegebuure. Ook kan je de test een onbeperkt aantal keren doen. De resultaten die gebruikt zijn in het persbericht  zijn afgeleid van de eerste 5100 mensen die de test hebben gedaan. Nieuwscheckers vroeg of de GGD rekening heeft gehouden met vervuiling van de resultaten, bijvoorbeeld door meervoudig invullen of door geënquêteerden die niet in de doelgroep van de campagne vallen. Goedegebuure: “Er is rekening is gehouden met een percentage vervuiling.” Een verantwoording van de gebruikte methode kan de GGD echter niet laten zien.

Rammelen

De relatietest, de conclusies uit deze test en het besluit zich op maar één internationaal onderzoek te baseren, rammelen dus aan alle kanten. Waarom nemen journalisten zo’n zwak verhaal kritiekloos over?  Chantal Antonio van De Telegraaf nam het persbericht van de GGD over voor haar artikel:  “Als het een persbericht is, dus van de instelling zelf, neem je dat aan. Ik zag weinig reden om na te bellen.” Maar juist omdat persberichten vanuit de instelling zelf komen, is de informatie vaak gekleurd. Het had dus geen kwaad gekund als de journalisten met een kritische blik naar de informatie hadden gekeken.

De afdeling communicatie van de GGD Rotterdam-Rijnmond heeft het niet makkelijk met Nieuwscheckers en is slecht voorbereid op vragen van journalisten die het naadje van  de kous willen weten over cijfers en onderzoek. Communicatiemedewerker Martine van Opstal: “Ach, ‘onderzoek’ is een groot woord.” Communicatiemedewerker Dominique Goedegebuure: “Loveralert is geen onderzoek, het is een campagne.”

Meisjesblad ontdekt oorzaak eetstoornis: moeders op dieet

Friday, January 8th, 2010

Door Thomas Waning

Moeder op dieet veroorzaakt eetstoornis bij dochter,’ waarschuwt het AD op 29 oktober 2009. Bron: een Brits onderzoek. De werkelijkheid is anders: het gaat om een internetenquête namens het Britse tienermagazine Sugar. Nieuwscheckers probeerde het onderzoek te achterhalen en de cijfers na te rekenen. En ontdekte dat die nog schokkender waren dan het AD beweerde.

Het AD strooit in de eerste alinea met cijfers: ‘Een enquête onder 500 meisjes van 12 tot 18 jaar toonde aan dat 6 procent van hen een eetstoornis heeft. Dat stijgt naar 10 procent bij degenen van wie de moeder op dieet is. Bij 56 procent van de tienermeisjes is de moeder op dieet.’ Dat willen we narekenen. En we willen de vragen van de enquête zien. Maar helaas, Caroline Corcoran, redacteur van Sugar, vertelt dat het onmogelijk is het onderzoek in te zien. Ze wil alleen het originele persbericht geven. Herhaaldelijke pogingen om haar te overtuigen, krijgen geen reactie. Maar wellicht kunnen we met het persbericht de cijfers narekenen.

Onbetrouwbare cijfers

Uit het persbericht blijkt dat 512 meisjes de vragenlijst hebben ingevuld. Zes procent van hen heeft een eetstoornis. Dat zijn in totaal 30 meisjes. Van die 512 heeft 56 procent een moeder die op dieet is, dat betekent dat 287 meisjes een moeder hebben, die op dieet is. En 10 procent van 287 heeft een eetstoornis, dat zijn afgerond 29 meisjes. Het is dus nog sterker dan het AD schrijft: in dit onderzoek hadden op een na alle meisjes met een eetstoornis een moeder die aan de lijn deed! Een aantal beweringen van het artikel zijn bij deze meteen al ontkracht. Zo verdubbelen moeders niet alleen het risico dat hun dochter met een eetstoornis kampt. Ze zijn in bijna alle gevallen de oorzaak. Maar als moeders de oorzaak zijn, dan ligt de oplossing ook voor de hand: nooit meer diëten.

Zo simpel kan het dus zijn, Anita Jansen. Jansen, hoogleraar experimentele psychologie aan de Universiteit Maastricht, houdt zich bezig met onderzoek naar eetstoornissen en overgewicht en is het niet eens met de conclusies van het onderzoek: ‘Er kan nooit beweerd worden dat moeders op dieet eetstoornissen veroorzaken bij hun dochters. Dat is namelijk nooit goed onderzocht. Het is niet bekend wat nu precies eetstoornissen veroorzaakt.’ Ook de overige beweringen van het artikel lijken weinig betrouwbaar, en lastig te verklaren zonder het onderzoek zelf. Het artikel legt vooral een link tussen eetstoornissen en diëten. ‘Een dieet is geen eetstoornis’, aldus Jansen.

Omweg naar Nederlandse krant

Het oorspronkelijke bericht van het Algemeen Dagblad (AD) komt van Het Laatste Nieuws (HLN) uit België. HLN heeft bijna hetzelfde bericht op de site staan en heeft het bericht overgenomen van de Daily Mail. Wat gelijk al opvalt is dat het bericht hier veel langer is en daardoor ook een stuk genuanceerder overkomt. Bovendien is het duidelijk dat het om een internetenquête gaat, niet om een hoogwaardig onderzoek. Het bericht is vertaald en aangepast door Ellen Provoost, die vaker vaker medische berichten van de Daily Mail bewerkt voor HLN. De Nieuwscheckers kennen haar al van een artikel over een wonderpil tegen menstruatiepijn. Ellen Provoost was ook deze keer niet bereikbaar voor commentaar.

Erfelijk

Het echte verhaal achter de oorzaak van eetstoornissen is niet bekend. Wel is uit onderzoek gebleken dat er een samenhang is tussen moeders op dieet en dochters op dieet. ‘Als moeder op een dieet is, is de kans groter dat dochter ook op dieet is’, legt Jansen uit. ‘Maar dat wil niet zeggen dat het een het ander veroorzaakt.’ Ook andere factoren spelen een rol: ‘Een lage zelfwaardering lijkt een risicofactor, en een negatief lichaamsbeeld ook. Verder is er een duidelijk erfelijke component, in dat geval hoeft de moeder niet eens op dieet te zijn.’

Ellen Provoost en het AD hadden even kunnen bellen naar een expert op het gebied van eetstoornissen. Dan hadden ze de lezer van nuttige informatie over eetstoornissen kunnen voorzien. En wie weet had dat ook een mooi verhaal opgeleverd.

Onderzoek naar vertrouwen maakt wantrouwig

Tuesday, December 15th, 2009

Door Ilse Geijsel en Hans Klis

Slechts vier van de tien Nederlanders worden vertrouwd, zo bleek in oktober uit de ‘Nationale Vertrouwensmonitor’. Marktonderzoeksbureau Winkle voerde het onderzoek uit voor verzekeraar Arag. Dat Winkle twijfelachtige methodes gebruikt om vertrouwen te berekenen, nemen redacteuren van regionale kranten graag voor lief. ‘Echt serieus moeten we het niet nemen.’

Het idee voor de Vertrouwensmonitor komt uit de koker van reclamebureau Lemz, dat een campagne opzette voor verzekeraar Arag. ‘Arag geeft en helpt vertrouwen te herstellen’, aldus Wendeline Sassen, strategic planner bij Lemz.

Onderzoeksbureau Winkle presenteerde het landelijke vertrouwensonderzoek op 6 oktober 2009. Voor de Nationale Vertrouwensmonitor  vulden 1456 Nederlanders boven de 18 ondervraagd een online vragenlijst in. Zij waren afkomstig van twee online panels: PlanetPanel van MSI-ACI Europe en Opinieplein van SSL. Per provincie werden er minimaal 120 (60 mannen en 60 vrouwen) mensen ondervraagd, zodat Winkle ook op provinciaal niveau uitspraken kon doen over vertrouwen.

Toch roept het onderzoek vragen op. Zo kunnen er vraagtekens worden gezet bij de wijze waarop sommige berekeningen zijn uitgevoerd. Ook laten de enquêtevragen ruimte over voor onduidelijkheid. Wat wordt precies bedoeld met: ‘Hoeveel procent van de mensen in een winkelstraat vertrouwt u?’ Vertrouwen de panelleden op winkelend publiek bijvoorbeeld om even op hun spullen te letten, of op hun kinderen? En heeft het zin om mensen te vragen of zij hun spullen onbewaakt op een strand achterlaten als men iets wil beweren over onderling vertrouwen?

Geen nulmeting

Reclamemaakster Sassen is zich bewust van zwakke plekken in het onderzoek. ‘Ik kan me voorstellen dat het een onderzoek is dat kritisch bekeken wordt.’ Zo is de uitkomst van vier-uit-tien ‘niet vergeleken met wetenschappelijke literatuur’ om te kijken of dit aantal normaal is of juist uitzonderlijk. Ook kan de conclusie in het rapport dat er sprake is van een ‘neerwaartse trend’ in het algehele vertrouwen over de afgelopen vijf jaar niet geverifieerd worden. ‘Er is geen nulmeting gedaan’, geeft Sassen toe. Deze neerwaartse trend betreft bovendien de perceptie van de ondervraagden. Een uiterst subjectief en beïnvloedbaar gegeven dus.

vertrouwenHoe ver kan een Nederlander een tennisbal gooien?

Sociaal psycholoog Joop van der Pligt van de Universiteit van Amsterdam zet vraagtekens bij de wijze waarop Winkle aan zijn de conclusies komt.  De ondervraagden kregen de volgende vraag voorgeschoteld: ‘Hoeveel procent van de mensen in een winkelstraat vertrouwt u?’ Zij konden dan aangeven of dat 0, 10, 25, 33, 50, 66, 75 of 100 was. Van der Pligt: ‘De schaalverdeling vind ik heel maf. Gaan ze ineens 90% eruit laten, dat vind ik wel heel slordig, het is een eerste vereiste dat je het een beetje netjes doet. Die schaalverdeling moet symmetrisch zijn. Je probeert evenveel de lage en hoge kant zo symmetrisch mogelijk te representeren. Het lijkt wel op onderzoeken waarin men vraagt: “Wat vindt u van ons product: redelijk, prachtig, het allermooiste op aarde of hemels?” Wat moet ik ermee?’

De wijze waarop Winkle vervolgens doorrekent met deze getallen is onverantwoord. Om op het uiteindelijke ‘38,2% van alle mensen wordt vertrouwd’ uit te komen, gaat Winkle als volgt te werk: wanneer 15,7% van de ondervraagden 10% van de mensen in een winkelstraat vertrouwt, maken zij 1,6% uit van het totaal van 38,2% (0,157 x 10 is afgerond 1,6 procent). Van der Pligt: ‘Dit soort omrekeningen vind ik echt gekunsteld. Het kan wel. Maar die 16,6% van de mensen die niemand vertrouwt, drukt het gemiddelde natuurlijk enorm.’ Van der Pligt verduidelijkt: ‘Stel dat je onderzoek doet naar hoe ver een Nederlander een tennisbal kan gooien en 1% gooit hem 100 meter. Dan ga je op basis van die uitkomsten concluderen dat de gemiddelde Nederlander die tennisbal 38,2 meter ver gooit. Dat is wat zij proberen te doen.” Beter zou het volgens Van der Pligt zijn om dichter bij de oorspronkelijke respons te blijven. ‘Door bijvoorbeeld te zeggen dat x procent meer of minder dan de helft van alle mensen in de straat vertrouwt.’

De pers wil een vette quote 

In een reactie vertelt Hans Lingeman, directeur van onderzoeksbureau Winkle, dat de niet-symmetrische schaal het gevolg is van een foutje in het onderzoek. “Als je eenmaal een fout maakt moet je hem consistent blijven maken. Vanaf toen moesten we deze schaal hanteren, anders konden we de uitkomsten niet meer met elkaar vergelijken.”

‘Het is zeker geen perfect onderzoek’, geeft Lingeman toe. ‘Het is ons eerste onderzoek naar vertrouwen in Nederland en alle opbouwende kritiek is welkom. Volgens mij wordt je van kritiek alleen maar beter.’

Lingeman staat wel achter de conclusies die zijn onderzoekt trekt. Zo is er volgens hem geen sprake van een vertekening door de mensen die zeggen niemand of bijna niemand te vertrouwen.  ‘Ik had het onderzoek absoluut niet gepubliceerd, als ik er geen goed gevoel bij had gehad of als ik het niet gecontroleerd had met de vraag “Wie vertrouwt u?”

Uit deze andere vraag uit het onderzoek blijkt dat slechts 41% van de ondervraagden onbekenden vertrouwt. Toch is dit een andere vraag dan die van de winkelstraat, aangezien de proefpersonen op deze vraag wel 61% van de mensen uit de straat of hun buurt vertrouwen. ‘Ik geloof zeker dat het beter kan door die ene percentage-categorie toe te voegen, maar ik geloof niet dat je daar heel veel andere uitkomsten van gekregen had.’

Over de wijze waarop het rapport komt op de 38,2% vertrouwen, zegt Lingeman: ‘We hebben gewoon wetenschappelijke methoden gebruikt in het onderzoek, het is geen rare berekening om te maken. Rapporteren dat een bepaald percentage meer of minder dan 50% van de mensen vertrouwt, is natuurlijk wel veel zuiverder, maar het reclamebureau wil een duidelijke quote, een kopregel, en dat is vaak waar journalisten ook behoefte aan hebben. Als ik normaal gesproken marktonderzoek zou rapporteren, dus niet in de pers, dan staat er niet zo’n kopregel. Als je de burger niet zo’n quote zou geven, zou niemand het begrijpen wat je bedoelt.’

Lingeman incasseert kritiek op zijn onderzoek, maar deelt die ook uit: ‘Ik was er wel verbaasd over dat journalisten het onderzoek klakkeloos overnamen, dat er eigenlijk bijna geen inhoudelijke vragen gesteld werden.’ De journalisten die het nieuws brachten hebben dus ook steken laten vallen.

Een stukje infotainment

Berichten over de Vertrouwensmonitor waren vooral te vinden op internet. Zo publiceerden onder andere Sp!ts, de Telegraaf en enkele economische websites een nieuwsbericht. Vooral regionale dagbladen plaatsten artikelen naar aanleiding van het rapport. De reden? Winkle heeft ook aparte gegevens over de twaalf provincies en daarmee wordt het rapport regionaal nieuws. Koppen als: ‘Onderzoek: Gelderlanders vol vertrouwen’ en ‘Onderzoek: tweederde vertrouwt mensen op straat niet – Flevolanders worstelen met vertrouwen’ sierden de kranten. In deze berichtgeving werd vooral gefocused op de conclusie van Winkle en het vertrouwen in de provincie.

De Stentor (Dagblad Flevoland), Tubantia en de Leeuwarder Courant plaatsen alledrie een artikeltje waarin het over het vertrouwen van respectievelijk de Flevolander, de Gelderlander en de Fries gaat.

De journalist van de Stentor heeft het artikel bewust een paar dagen op de plank laten liggen, want ‘echt serieus moeten we het niet nemen’. De reden om het uiteindelijk toch te plaatsen was dat het toch leuk was om te lezen voor de Flevolanders. Iets soortgelijks vindt ook de journalist van Tubantia. Hij meent het in het artikel duidelijk te hebben gemaakt dat het hier niet ging om een representatief onderzoek door het aantal respondenten te vermelden.

De journalist van de Leeuwarder Courant meende echter dat het hier weliswaar niet om een wetenschappelijk onderzoek ging, maar dat het wel indicatief was. ‘Het rapport geeft wel een beeld. 131 respondenten voor Friesland is wel degelijk een groot aantal.’

Conclusie

Nieuwscheckers concludeert dat de journalisten in kwestie hapklare quotes hebben overgenomen en het rapport niet zelf hebben gelezen. En dan is de Vertrouwensmonitor ook nog eens een voorbeeld van een rapport waar niet de meest ingewikkelde berekeningen in staan. Vervolgens geven twee van de drie journalisten die het bericht brachten ook toe dat zij het rapport niet al te serieus namen. Toch brengen ze liever een stukje infotainment dan er kritisch of simpelweg niet over te berichten.

Hoe bloter hoe beter

Tuesday, December 1st, 2009

Door Pauline Snel

Woman_naked_breasts

Vrouwen die 40 procent van hun lichaam ontbloten hebben de grootste kans op aandacht van mannen in discotheken. Minder maar ook zeker meer bloot heeft averechtse effecten op het mannelijk schoon. Dat stond 17 november op de nieuwssite Nu.nl. Zou dit een eind maken aan de kleding dilemma’s van alle vrouwen?

Het artikel is gebaseerd op een Brits onderzoek. Psychologen van de Universiteit van Leeds onderzochten het gedag van Britse jongeren in nachtclubs. Door middel van observaties in een discotheek hebben de wetenschappers het gedrag van vrouwelijke en mannelijke bezoekers geanalyseerd.
Dertig uitgaansavonden observeerden de Britse onderzoekers vanaf het balkon de dansende jongeren. Er werd gelet op het dans- en kleedgedrag van de bezoekers en hoe vaak ze elkaar benaderden.

40 procent
Om het onderzoek zo objectief mogelijk te maken werd er niet gekeken naar schoonheid, maar uitsluitend naar dans- en kleedgedrag. Er werd bepaald hoeveel de vrouwen van hun lichaam onbedekt lieten en wat voor een soort dansgedrag ze vertoonde. Ze werden opgedeeld in 3 groepen: nul tot 20 procent bloot, 20 tot 40 procent bloot en 40 procent en bloter. De onderzoekers noteerden vervolgens hoeveel keer mannen de vrouwen benaderden en anders om.
De uitkomsten van het onderzoek waren niet echt verbazend. Vrouwen kregen meer aandacht naar mate ze minder kleren om het lijf hadden en daarbij ook nog seksueel dansden. Vooral het ontbloten van het bovenlichaam had veel effect.

Dat in tegenstelling tot het artikel van Nu.nl. Daarin staat dat vrouwen die 40% van hun lichaam onbedekt laten de meeste aandacht genieten. Vrouwen die meer laten zien van henzelf krijgen juist minder aandacht. En worden zelfs als onbetrouwbaar gezien. In het artikel verwijst Nu.nl naar een stuk uit The Daily Telegraph.
Maar het ideale blootgehalte ligt helemaal niet bij 40 procent, maar juist in de groep 40 procent en HOGER. Daarnaast wordt er in de media nergens een woord gerept over de invloed van het dansgedrag van vrouwen.

Geen navraag
De onderzoeker in kwestie, Colin Hendrie, vindt het jammer dat zijn onderzoek zo uit het verband is gerukt. Hij is heel blij met de kans om het weer recht te zetten.
In een email beschrijft hij hoe het nieuws tot stand is gekomen in Groot Brittannië. Hij heeft slechts tien minuten met één reporter van The Daily Mail gesproken, die vervolgens zijn verhaal heeft verdraaid. Daarna is het onderwerp uitgebreid behandeld door verschillende Britse media, maar journalisten hebben nooit meer navraag bij Hendrie gedaan of zijn wetenschappelijke artikel gelezen. In alle berichtgeving is de bijdrage van suggestief dansen genegeerd. Volgens Hendrie is dit juist een belangrijke component geweest van zijn onderzoek.

Ook op in het stuk op Nu.nl, geschreven door Dennis Rijnvis, komt het dansen niet meer aan bod. In zijn toelichting verteld hij dat Nu.nl nieuws graag snel wil brengen en dan vaak niet de tijd neemt om dingen na te lopen. “Je kan er vaak niet meer werk van maken door tijdsdruk, ook al wil je dat wel.” Het wetenschappelijke artikel heeft hij dan ook niet gelezen. “Het is niet mogelijk om op elke wetenschappelijk tijdschrift een abonnement te hebben. Daar hebben we het geld gewoon niet voor.” Maar ook hij heeft Colin Hendrie niet benaderd. Hij geeft toe te kort door de bocht te zijn gegaan met zijn stuk.

Al met al lag de bron van de fout dus bij de journalisten in Groot Brittanie, maar heeft Nu.nl wel de boot gemist door niet grondiger achter de feiten aan te gaan.
Blijkbaar is er nog een flinke taak voor de factcheckers aan de andere kant van het water weggelegd.

Wordt snoepend kind later crimineel?

Friday, October 30th, 2009

Door Jutta Grabowski en Danja Koeleman

Kinderen die elke dag snoepen, hebben meer kans om later in hun leven veroordeeld te worden wegens geweldpleging. Zo vatten Nederlandse en Britse media begin oktober een onderzoek samen van psycholoog Simon C. Moore van de universiteit van Cardiff.  Een onderzoek onder 17.500 mensen, aldus De Telegraaf. Zo’n grote groep, dat moet wel betrouwbaar zijn, dacht de journaliste. Maar Moore turfde slechts 19 gewelddadige snoepers.

Aprilgrap
Groeien kinderen die elke dag snoepen op tot gewelddadige volwassenen, wilde Moore weten. Hij gebruikte voor zijn onderzoek gegevens over 17.500 Britse kinderen die vanaf hun geboorte in 1970 zijn gevolgd tot in hun 34e levensjaar. Uit de resultaten, gepubliceerd in de oktobereditie van het British Journal of Psychiatry, bleek dat 69 procent van degenen die op latere leeftijd crimineel gedrag vertoonde, vroeger dagelijks snoepte. De oorzaak? Kinderen die elke dag mogen snoepen, leren niet om de bevrediging van hun behoeften uit te stellen, veronderstelt Moore. Het snoepen werkt gevoeligheid voor verslaving in de hand, die vervolgens weer kan leiden tot gewelddadig gedrag op latere leeftijd.

De media smulden ervan. ‘Elke dag snoep leidt tot geweld’, kopte De Telegraaf op 1 oktober. Ook Trouw gebruikte met ‘Snoepende kinderen vaker gearresteerd’ een stellige kop, evenals het Reformatorisch Dagblad in zijn papieren editie. Opvallend is dat Britse media de conclusies veel voorzichtiger presenteren. De BBC zet het ‘verband’ tussen aanhalingtekens (‘Daily sweets ‘linked’ to violence’). En de Britse gezondheidsorganisatie National Health Service (NHS) heeft van de kop een vraag gemaakt (‘Can sweets turn you sour?’). De NHS laat bovendien twee critici aan het woord, onder wie Julian Hunt, directeur van het Britse Food and Drink Federation: “Dit moet wel een één april-grap zijn. Onsociaal gedrag ontstaat uit psychologische en andere diepgewortelde sociale oorzaken, zoals een slechte opvoeding. Dat komt echt niet doordat je als kind dagelijks een snoepje kreeg.” Die mening is misschien te verwachten van een snoepverkoper. Maar ook Nederlandse onderzoekers zijn sceptisch.

Te veel aandacht
Volgens Frits Muskiet, hoogleraar klinische chemie en pathophysiology aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, maakt deze studie een causaal verband tussen snoepen en agressief gedrag niet overtuigend aannemelijk: “Er is gekeken of mensen op 34-jarige leeftijd gewelddadig gedrag vertonen en dat werd in verband gebracht met hun (zelf gerapporteerde) snoepen op 10-jarige leeftijd.” De uitkomsten van Moores studie zijn volgens Muskiet slechts ‘hypothesevormend’. Hij gelooft dan ook dat de conclusies te veel aandacht krijgen in dit stadium en dat het publiek de uitkomsten niet op hun bewijzende kracht kan schatten.

Veelzeggend is ook dat de geraadpleegde deskundigen niet bekend zijn met vergelijkbare onderzoeken die Moores resultaten zouden kunnen ondersteunen. Muskiet kent geen onderzoeken naar de relatie tussen voeding en gedrag die gehouden worden met dieren.

Meer vragen dan antwoorden
Ap Zaalberg, onderzoeker op het gebied van voeding en gedrag aan het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie, kent wel studies die een verband onderzochten tussen suikerconsumptie en antisociaal gedrag. Deze studies vormen echter niet voldoende ondersteuning voor Moores theorie omdat volgens deze niet het eten van suiker zelf agressiviteit veroorzaakt maar dat kinderen niet leren om hun behoeftebevrediging uit te stellen.

Zaalberg wijst op een fundamenteel probleem van dit type onderzoek, namelijk dat het niet experimenteel is: dat wil zeggen dat er geen controlegroep is gebruikt en dat de onderzochte personen niet willekeurig zijn geselecteerd en vergeleken met een controlegroep.  Deze onderzoeksgroepen worden vervolgens aan verschillende behandelingen en omstandigheden blootgesteld, zodat eventuele invloeden van buitenaf willekeurig over de verschillende proefpersonen worden verdeeld. Zaalberg: “Alleen dan kun je met enige zekerheid iets zeggen over oorzaak en gevolg. Er zijn bij Moores onderzoek heel goed alternatieve verklaringen mogelijk. Er kan zelfs sprake zijn van omgekeerde oorzakelijkheid. Bij zo’n verklaring is het snoepen niet de oorzaak van het latere antisociale gedrag, maar het gevolg. Het is goed denkbaar dat moeite hebben met impulscontrole en met uitstellen van behoeftebevrediging de oorzaak is van zowel een verhoogde kans op antisociaal gedrag, als het snoepgedrag in het verleden. Maar er zijn veel meer verbanden mogelijk, zoals de auteurs ook zelf aangeven in hun artikel. Het zou namelijk ook kunnen zijn dat mensen die veel snoepen er ook andere, minder gezonde leefgewoontes op nahouden.”

Overigens stelt Zaalberg dat het feit dat dit onderzoek niet per se bewijst dat snoepen antisociaal gedrag veroorzaakt, niet wil zeggen dat het omgekeerde waar is. “Ooit, meer dan een halve eeuw geleden, is het verband tussen roken en longkanker in een soortgelijk onderzoek voor het eerst zichtbaar gemaakt. Dit was het startpunt van ander onderzoek dat gaandeweg oorzakelijkheid heeft aangetoond.”

Onoplettende media
Nieuwscheckers vroeg onderzoeker Simon Moore naar zijn reactie op de kritiek. Over de ‘1 april’-opmerking van Julian Hunt zegt hij: “Het is niet eens april… Dit soort opmerkingen neem ik uiteraard niet serieus. Degenen wier kritiek ik wel vrees, zijn de belangrijke wetenschappers die ook in mijn vakgebied opereren. Gelukkig hebben we veel positieve geluiden over ons onderzoek gehoord. Ook hebben we het voor elkaar gekregen dat er weer veel gepraat wordt over voeding. Waar ik me wel zorgen over maak, is de kritiek dat wij een onlosmakelijk verband zouden leggen tussen het eten van snoep en gewelddadig gedrag. Veel wat in de media wordt gerapporteerd, verschilt ontzettend veel van ons gepubliceerde onderzoek. Zelfs eenvoudige dingen, als de omvang van onze steekproef.”

Ook vroegen we Moore naar alternatieve verklaringen voor de onderzoeksresultaten. Zou het snoepgedrag bijvoorbeeld niet het gevolg kunnen zijn van agressiviteit? “Dat lijkt er niet op, aangezien we ook het agressief gedrag tijdens de kindertijd hebben onderzocht. Het belangrijkste is dat onze bevindingen interessant zijn en meer aandacht verdienen. Begrijpen hoe factoren uit de jeugd kunnen leiden tot agressief gedrag kan belangrijk zijn in de vermindering van geweld. Dit onderzoek kan bijvoorbeeld verbreed worden tot een ruim onderzoek waarin het opgroeiproces van kinderen op lange termijn wordt gevolgd. Dus niet alleen voeding en dergelijke, maar ook andere factoren.”

Moore geeft ook direct aan dat het snoepen niet dé oorzaak is van geweld op latere leeftijd: “Het is een ingewikkeld onderzoeksgebied. Het snoepen alleen kan niet de schuld krijgen.”

19 van de 7.000
De website van Science laat echter zien dat de conclusies van Moores onderzoek niet alleen vergezocht zijn, maar ook dat deze zijn gebaseerd op wel heel kleine aantallen. Niet 17.000, maar de gegevens van slechts 7.000 personen zijn opgenomen in het onderzoek – de rest kwam niet in aanmerking voor data-analyse. Slechts 38 personen bleken op latere leeftijd gewelddadig gedrag te vertonen, waarvan de data van 28 ook daadwerkelijk geanalyseerd konden worden. Van hen at 69 procent vroeger dagelijks snoep. Een snelle rekensom leert ons dat maar 19 personen – van de 7.000 – dus het verband tussen het snoepen als kind en gewelddadig gedrag op latere leeftijd aantoonden. Kan je dit magere resultaat dan wel zo groot publiceren?

Die vraag stelden we ook aan onderzoeker Moore. “In het onderzoek waren er uiteindelijk 38 proefpersonen die gewelddadig gedrag vertoonden. Mijns inziens is dit aantal groot genoeg om iets nuttigs te kunnen zeggen over welk effect voeding in de jeugd kan hebben op latere leeftijd – zolang je voorzichtig bent met de statistieken. Daarbij moet je in het achterhoofd houden dat gewelddadig gedrag iets is wat niet erg vaak voorkomt, wat het lastig maakt om dit onderwerp op grote schaal te onderzoeken. Als je het onderzoek anders uitvoert, bijvoorbeeld door volwassenen die gewelddadig gedrag vertonen te vragen naar hun voedingspatroon als kind, zijn de resultaten minder betrouwbaar, omdat mensen zich dat niet meer precies kunnen herinneren. De resultaten uit ons onderzoek zijn dan wellicht wat minder significant, maar wél honderd procent betrouwbaar.”      

“Dit is wel De Telegraaf
Hoewel het snoeponderzoek veel vragen onbeantwoord laat en hoewel ook de onderzoekers zelf tot voorzichtigheid manen, presenteerden Nederlandse kranten het verband tussen snoepen en geweld zonder andere bronnen te raadplegen en het onderzoek in een bredere context te plaatsen. Het Reformatorisch Dagblad heeft het artikel overgenomen van het persbureau AP en aanzienlijk ingekort wegens ruimtegebrek. Redacteur Anton Stam heeft het artikel niet zelf samengesteld, maar licht toe waarom er verder geen achtergrondinformatie is gebruikt en geen andere bronnen zijn geraadpleegd: “We hebben een kleine redactie en weinig tijd.”

Chantal Anthonio (De Telegraaf) baseerde zich op de BBC.  Het onderzoek leek haar geloofwaardig “omdat er veel mensen bij betrokken waren.” Daarnaast beschouwt zij de BBC als een betrouwbare bron. De kop ‘Elke dag snoepen leidt tot geweld’ is volgens haar in de eerste plaats gekozen vanwege zijn aansprekendheid. De BBC liet twee critici aan het woord, Anthonio niet: “Dit is wel De Telegraaf.”

Hoe dan ook, het lijkt erop dat Moore zijn conclusies iets te snel en onzorgvuldig heeft getrokken. Dagelijks snoepen zal er dus niet voor zorgen dat je in de gevangenis terechtkomt: de tandartsstoel lijkt een veel zekerder gevolg.

Flirt, muurbloem of ijskoningin? Leuke weetjes voor aan de bar

Friday, June 19th, 2009

Door Manja Herrebrugh

Waar je tegenwoordig allemaal al niet op moet letten. Volgens nieuwsberichten op Nu.nl en NOS Headlines – teletekst kun je iemands persoonlijkheid aflezen aan de manier waarop diegene zijn glas vasthoudt. Als je wilt weten of die leuke knul of dame een flirt, een muurbloem, een ijskoningin, een roddeltante, een lolbroek, een playboy, een braller of een haantje is – de persoonlijkheidstypen die in de studie naar voren kwamen – hoef je dus alleen nog even een drankje te bestellen en te checken hoe hij of zij het in zijn handen houdt. Typisch. Nieuwscheckers dook in de wereld van commercieel psychologisch onderzoek.

Acht types
De studie werd vooral in de Engelstalige media groots uit de doeken gedaan. De BBC, de Daily Mail, Yahoo, maar ook het Canadese Macleans en de Australische Sunday Herald Sun berichtten over het onderzoek, dat werd uitgevoerd door een gerespecteerd psycholoog, dr. Glenn Wilson. Hij ontdekte de net genoemde acht persoonlijkheidstypen en bespreekt die in detail. Zo drinkt de ‘braller’ bijvoorbeeld cider of een flesje bier, en zet hij zijn glazen ver van zich vandaan om voor zichzelf zoveel mogelijk ruimte te creëren. De ‘flirt’ is meestal een vrouw, die haar glas losjes vasthoudt en er op een uitdagende manier mee speelt. Wilson geeft zelfs tips om bepaalde types te benaderen: zo heb je bij de lolbroek de meeste kans met een luchtig gesprek waarmee je hem of haar aan het lachen maakt. Acht types mensen die allemaal op een andere manier hun glas vasthouden dus.

De BBC zette er een verhelderend plaatje bij.
De Daily Mail maakte het nog aansprekender door aan elk type een foto van een celebrity te koppelen.

Daily Mail

Een interessant en grappig bericht dus, en begrijpelijk dat Nederlandse media dit overnemen. Maar hoe kwam Wilson op het idee voor dit onderzoek? Aha: dat werd hem aangereikt door  Walkabout Bars,  een keten van Australisch aangeklede bars in Engeland. Ze bieden een fastfoodmenu compleet met kangoeroeburger en  fungeren in de late uurtjes ook vaak als dansgelegenheid. Met hun naam op de website van de BBC hebben ze de ‘advertentiekosten’ van het onderzoek er waarschijnlijk al driedubbel uitgehaald.

Commercie
Hoe zag dat onderzoek er nu eigenlijk uit? Na enige tijd speuren op het wereldwijde web lukte het Nieuwscheckers echter maar niet om de originele publicatie te vinden. Een antwoord van Wilson zelf verklaarde een hoop: er was geen publicatie, alleen een persbericht voor Walkabout Bars, uitgegeven door het pr-bureau Van Communications.  Wilsons antwoord op vragen over de uitvoering van het onderzoek was kort: ‘Sorry, not doing any more media work on this topic. ’ Misschien voorzag hij dezelfde problemen als in 2005, toen hij zich had laten strikken voor een reclamecampagne van printerfabrikant HP. E-mails schaden je intelligentie, was toen de boodschap.  Ook in dit geval werd het onderzoek alleen openbaar gemaakt als persbericht.  Wilson werd de kritische vragen hierover beu en noemde de actie zelfs  ‘the bane of my life’.

Het uitgebreidste verslag over de drinkerstypen was te vinden op de website van Van Communications zelf:  het ging om een studie onder 500 ‘mensen in barren’ over heel Groot-Britannië. Ook werd vermeld dat Wilson het onderzoek had uitgevoerd voor de Walkabout Bars ‘om beter begrip te krijgen van hun klanten’. Van Communications kan, net als Walkabout, tevreden zijn: twee van hun doelstellingen zijn ‘de pers halen’ en ‘mensen over merken laten praten’.

Persoonlijkheid
Nu Wilson niets loslaat en er ook geen verslag blijkt te zijn, kijken we eerst eens goed naar onszelf: hebben wij ons drankje altijd op dezelfde manier vast? Verschilt dat niet per avond – of per soort drankje, of misschien wel per hoeveel drankjes er aan het betreffende drankje zijn vooraf gegaan? We geloven steeds minder van het onderzoek,  maar bellen voor de zekerheid nog met dr.  Reinout de Vries, psycholoog en onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Klinkt het onderzoek van Wilson aannemelijk? De Vries denkt van niet: ‘Nee, die lijken me niet plausibel. Er is geen bewijs voor het bestaan van persoonlijkheidstypen.’ Hij legt uit dat mensen wel op een bepaalde manier van elkaar verschillen omdat ze in een aantal persoonlijkheidsdimensies van elkaar verschillen.

Persoonlijkheidsdimensies? Dat spreekt wel wat minder tot de verbeelding dan persoonlijkheidstypes. De Vries maakt verklaart: ‘Het bekendste model is het Big Five model, dat uitgaat van vijf persoonlijkheidsdimensies. Maar recent onderzoek toont aan dat er zes (en niet meer dan zes) algemene persoonlijkheidsdimensies onderscheiden kunnen worden, namelijk: Extraversie, Verdraagzaamheid, Conscientieusheid, Emotionaliteit, Openheid voor ervaringen en Integriteit.’

Ook psycholoog en onderzoeker aan de universiteit van Leiden dr. Hans Knegtmans heeft geen vertrouwen in de wetenschappelijke kwaliteiten van het onderzoek. Hij kent Glenn Wilson als een leerling van de beroemde ‘en in sommige kringen beruchte’ Hans Eysenck: ‘Dat is een persoonlijkheidspsycholoog, en ik heb in mijn branche geleerd met enige scepsis (en nu zeg ik het heel vriendelijk!) de tienduizenden indelingen in persoonlijkheidstypes te interpreteren die in de loop van ruim een eeuw ontwikkeld zijn. Op een paar uitzonderingen na zijn ze weinig valide en de meeste kunnen nauwelijks de regelmatigheden van het sociale menselijke gedrag verklaren.’

De Vries kan zich wel voorstellen dat er een verband bestaat tussen hoe iemand zijn glas vasthoudt en zijn of haar persoonlijkheid, maar denkt dat de relatie hiertussen niet al te sterk zal zijn: ‘Mensen zullen in verschillende situaties verschillend hun glas of flesje vasthouden.’

Nederland
Waarom plaatsen media dit soort berichten, terwijl het eigenlijk een veredelde vorm van reclame is, en er niet eens een goed onderzoek gedaan is? Chef van NOS Headlines, Gerard de Kloet, acht het bericht geoorloofd omdat het in de nieuwscategorie van opvallende zaken en gekke berichten geplaatst was. Het is immers ‘gewoon een leuk weetje dat een psycholoog op deze manier naar persoonlijkheidstypes kijkt.’

Hij vindt ook dat we het bericht niet te serieus moeten nemen, en dat we te veel achter het ‘cursiefje’ zoeken: ‘We zeggen niet dat het hier om een groot onderzoek gaat. Juist omdat we alleen het feitje leuk vinden, melden we ook niet meer dan dat een psycholoog dit beweert bij de BBC, niets meer, niets minder. We claimen ook niet dat er een diepgravend onderzoek is geweest, dat laten we bewust in het midden, juist omdat dit triviale nieuwtjes zijn.’ De NOS kiest er bewust voor alleen naar de uitspraken van Wilson te verwijzen, en dus niet naar het onderzoek. Aan het commentaar van de psychologen heeft De Kloet geen boodschap: ‘Psychologie is natuurlijk ook erg veel interpretatie. Voor iedere bewering van een psycholoog kun je genoeg anderen vinden die het tegenovergestelde beweren.’

Pauline van Lintel, journalist voor Nu.nl en schrijver van het nieuwsbericht op de betreffende website laat helaas weten geen commentaar te geven.

In de Nederlandse berichtgeving is, in tegenstelling tot de Engelse berichtgeving, de naam Walkabout Bars weggelaten. De NOS meldt dit bewust te doen, juist omdat dat reclame zou zijn. Dit is toch tenminste paradoxaal te noemen: de ‘advertentie’ leeft verder zonder zijn doel.

Menstruatie geen excuus voor onverantwoord shoppen

Friday, April 24th, 2009

GOSSIP GIRLDoor Emma Hoek

In de tien dagen voor hun menstruatie shoppen vrouwen veel meer dan anders en geven ze ook te veel uit, vooral aan kleding, juwelen en make-up. Misschien willlen ze zichzelf opvrolijken in deze periode, of willen ze zichzelf mooier maken. Dat zou blijken uit onderzoek van Karen Pine, hoogleraar psychologie aan de Engelse Universiteit van Hertfordshire. De BBC bracht het als gezondheidsnieuw en De Telegraaf nam het over. Maar zowel op het gebied van de berichtgeving als op het gebied van het onderzoek zelf is er nog wel wat werk aan de winkel.

Het onderzoek is nog niet gepubliceerd. Pine zocht er de publiciteit mee naar aanleiding van een presentatie op het congres van de British Psychological Society in Brighton begin april. Nieuwscheckers mocht een uitgebreide samenvattting zien. En die roept vragen op.

Weblog
Om bij het begin te beginnen: hoe is Pine aan respondenten gekomen voor haar onderzoek? De redactie van een populair Engels vrouwenblad vroeg lezeressen om een vragenlijst in te vullen op Pines weblog Sheconomics, waarop zij tips geeft aan vrouwen die te veel geld uitgeven en daar iets aan willen doen.  (Ze schreef er ook een gelijknamig boek over.) Het weblog zal dus vooral vrouwen trekken met shopproblemen.  De vraag is of die representatief zijn voor de gemiddelde Britse vrouw.

‘Ik heb spijt van een aankoop’
Vervolgens bekijken we de vragenlijst. Die is ook niet perfect. Voor de volledige vragenlijst over ’ongecontroleerd uitgeefgedrag’ kan de respondent 50 punten behalen. Elke vraag werkt met een vijfpuntsschaal, van ‘sterk mee eens’ tot ‘sterk mee oneens’.

Maar gáán alle vragen eigenlijk wel over koopwoede? ‘Ik heb spijt van een aankoop’ en ‘Ik ben de controle kwijtgeraakt bij mijn uitgaven’ wegen vermoedelijk even zwaar in de telling, maar zijn toch niet even serieuze problemen. Bovendien heeft een stelling als ‘Ik heb spijt van een aankoop’ niet per se te maken met financiële problemen. Je kunt net zo goed spijt hebben van een aankoop die meteen kapot gaat of toch niet bij de rest van je spullen past.

Karen Pine

Karen Pine

Significant
En wat is dan de officiële uitslag van het onderzoek? Pine heeft de ondervraagde vrouwen verdeeld in drie groepen, die staan voor de drie fasen van de maandelijkse cyclus. Eerst is er de folliculaire fase, dan de ovulatiefase en tenslotte de luteale fase, de week vóór de menstruatie waarin vrouwen zoveel geld zouden uitgeven.

De respondenten die op het moment van de test in de folliculaire fase zaten, scoorden gemiddeld 39,83 punten, de respondenten in de ovulatiefase 42,80 en degenen in de luteale fase 43,44. “Een significant verschil”, vindt Pine. Volgens haar maakt het duidelijk dat de vrouwen in de laatstgenoemde fase veel meer uitgeven.

Maar in de onderzoekssamenvatting ziet Nieuwscheckers dat alleen het verschil tussen fase 1 en 3 significant is; het verschil tussen fase 2 en 3 is niet significant. Pine bevestigt dat per e-mail: “Jullie hebben gelijk met die statitische verschillen, fase 3 verschilt significant van fase 1, maar niet van fase 2.” Kortom, vrouwen lijden niet alleen in de tien dagen voor de menstruatie aan koopwoede.

mother-and-daughter_417x536

Pilsliksters
De conclusies van Pine rammelen en BBC News en in het voetspoor daarvan De Telegraaf hebben zich niet voldoende in het onderzoek verdiept. Bovendien voegden ze nog wat kleine foutjes toe. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat Pine vrouwen heeft gevraagd naar hun winkelgedrag van de afgelopen zeven dagen. BBC en Telegraaf maken hier tien dagen van.

Verder ligt het aantal onderzochte vrouwen beduidend lager dan zij aangeven. Het gaat volgens hen om 443 vrouwen. Met dit aantal begon Pine inderdaad, maar daarna heeft ze alle pilsliksters van het onderzoek uitgesloten: alleen vrouwen met een geheel natuurlijke cyclus mochten meedoen. Dat waren er dus 322.

Waar de bewering vandaan komt dat vrouwen bij hun shopping sprees vooral kleding en make-up kopen, is niet duidelijk: Pine heeft er in ieder geval in haar enquête niet naar gevraagd.

Al met al valt dat extreme shoppen en nog extremere bedragen uitgeven wel mee. En dat is maar goed ook, want de luteale fase is zo al zwaar genoeg.

Haastnieuws over wetenschap: mannen verliefd in 8,2 seconden

Thursday, April 16th, 2009

Door Petra Tiemens

“Volgens onderzoekers hebben mannen 8,2 seconden nodig om op het eerste gezicht verliefd te worden.” Aldus Nu.nl, Gezondheidsnet, Spitsnieuws.nl en andere media. Maar hoe meet je verliefdheid? En ook nog op tienden van seconden nauwkeurig? Dat is vast niet makkelijk. Het was dan ook haastnieuws.

Het nieuws over de flitsverliefdheid is gebaseerd op een artikel dat in januari verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Archives of Sexual Behavior. Vier Nederlandse psychologen en een Canadese gingen na of mannen tijdens een gesprek aantrekkelijke vrouwen langer aankijken dan vrouwen die ze niet aantrekkelijk vinden. En hetzelfde ook omgekeerd: maken vrouwen langer oogcontact met aantrekkelijke mannen? Dit leidde tot een verrassende conclusie, maar met verliefdheid heeft het niks te maken.

Oogcontact

Ischa van Straaten, onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, promoveerde in december op een onderzoek naar aantrekkingskracht, The Look of Love.  Het artikel in het seksuologische tijdschrift is hierop gebaseerd. Van Straaten is niet blij met de manier waarop zijn onderzoek in de media verscheen:  “De conclusies zijn helaas verkeerd geïnterpreteerd. Waar het om gaat is dat mannen door oogcontact laten zien dat ze geïnteresseerd zijn, terwijl vrouwen dat niet doen.”

De Nijmeegse psychologen lieten een bar nabouwen om onderzoek te doen naar sociale interacties in een zo echt mogelijke situatie. Hier spraken mannen en vrouwen elkaar vijf minuten. Na afloop vulden ze in of ze de ander aantrekkelijk of onaantrekkelijk vonden. Tijdens het gesprek werden hun oogbewegingen gevolgd door verborgen camera’s. De camera’s zaten verstopt in lampen, die achter de stoelen van de proefpersonen stonden. Op die manier was de kijkrichting goed zichtbaar.

Uiteindelijk bleek dat mannen een vrouw die ze aantrekkelijk vinden langer aankijken. Om precies te zijn: in die vijfminutengesprekjes keken ze hun gesprekspartner telkens gemiddeld 8,2 seconden aan, twee maal zo lang als ze onaantrekkelijke vrouwen aankeken.

Dat je iemand die je aantrekkelijk vindt langer aankijkt, klinkt logisch, maar vrouwen doen dat niet. Zij kijken elke man ongeveer even lang aan, het maakt niet uit hoe hij eruit ziet. Toch waren de onderzoekers niet verbaasd over dit resultaat.

Evolutie

“Om de uitkomsten te verklaren, gaan we uit van evolutionaire theorieën”, legt Van Straaten uit. “Wat mensen aantrekkelijk vinden aan iemand blijkt gerelateerd aan goede genetische eigenschappen. Voor een deel is aantrekkelijkheid cultureel bepaald, maar er zijn toch een paar universele regels over wat we mooi vinden. We letten bijvoorbeeld op symmetrie, ogen en kaaklijn. Ook een gezonde huid is heel belangrijk, die wijst op een goede lichamelijke gezondheid en vooral een gezond immuunsysteem, wat weer belangrijk is voor de voortplanting.” Mannen zouden dus langer kijken naar een aantrekkelijke vrouw in de hoop zo een goede paringspartner aan de haak te slaan.

Maar waarom doen vrouwen dat dan niet? “Vrouwen lijken voorzichtiger in het aangaan van relaties, omdat die voor hen fysiek meer impact kunnen hebben”, vertelt Van Straaten. “Ze zijn dus selectiever in hun partnerkeuze en in het laten blijken van interesse. Ze willen eerst meer weten van de ander.” Ook is uit eerder onderzoek al gebleken dat mannen de neiging hebben nonverbale signalen te snel op te vatten als teken van seksuele interesse. Het is voor een vrouw dus verstandig voorzichtig te zijn met oogcontact, om te voorkomen dat een man onmiddellijk denkt dat ze seks met hem wil.

Zacht gezondheidsnieuws

De bron van het nieuws over de 8,2 seconden is de website van de Britse Marie Claire. Volgens Van Straaten is er beslist geen contact geweest met dit blad, een journalist heeft waarschijnlijk zelf het artikel ontdekt en op eigen wijze samengevat. (De redactie van Marie Claire reageerde helaas niet op email en telefonisch achtergelaten berichten van Nieuwscheckers.) De redactie van Gezondheidsnet vond het een leuk artikel en heeft het letterlijk vertaald naar het Nederlands. Vervolgens hebben de andere sites het nieuws van Gezondheidsnet overgenomen.

Ilona Meernik, redacteur van Gezondheidsnet, vertelt dat ze wel vaker Engelse nieuwtjes vertalen. Meestal proberen ze wel te checken of het inhoudelijk klopt, maar helaas komt dat er niet altijd van.  “In dit geval gaat het om ‘zacht’ nieuws, dat wordt toch minder vaak gecheckt”, zegt Meernik, “hoewel dat natuurlijk eigenlijk geen argument mag zijn.” De redactie wist dan ook niet dat het om een Nederlands onderzoek ging, anders hadden ze het makkelijk kunnen navragen bij de onderzoekers, geeft Meernik toe. Nu blijken vooral de kop en de intro niet te slaan op het onderzoek. “Dat gebeurt jammer genoeg vaak in de media, er is weinig ruimte voor een kop, en dan moet hij ook nog pakkend zijn. Dit is wel verontrustend”, vindt Meernik, “de kop blijft juist meestal bij mensen hangen. Het is niet goed als de informatie dan niet blijkt te kloppen.”

Het bericht over verliefdheid op het eerste gezicht in 8,2 seconden was haastnieuws: haast nieuws, maar net niet.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes