Tandheelkunde

Een beetje ‘streng’ is niet schadelijk voor kindergebit

Monday, November 14th, 2016

door: Marieke Nieuwstraten en Anne Wielenga

‘Hoe positiever de opvoedstijl, hoe gezonder het kindergebit’. Althans, dat suggereerde RTL nieuws op 10 september 2016 met het artikel ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders’. Zijn deze beweringen juist of overdreven klikken-triggers? Nieuwscheckers concludeert dat het woord ‘streng’ uit zijn verband is gehaald.

Het nieuwsbericht van RTL is gebaseerd op het proefschrift ‘Just Add Positivity? Dental Caries, Obesity And Problem Behaviour In Children: The Role Of Parents And Family Relations’. Maddelon de Jong-Lenters analyseerde daarin, in samenwerking met onderzoeksbureau TNO, video-opnames van de interactie tussen het kind en een van de ouders. In totaal zijn de ouders van 54 kinderen tussen de vijf en acht jaar getest: 28 kinderen met vier of meer gaatjes en 26 kinderen zonder gaatjes.

Generalisatie
RTL suggereert dat veel kinderen met een slecht gebit strenge ouders hebben. Dit begint al in de kop: ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders.’ Om hoe veel kinderen het gaat en in welke leeftijdscategorie zij zitten, is dan nog niet duidelijk. In de derde alinea is dan te lezen dat het onderzoek is gedaan met vijf- tot achtjarigen. Het totaal aantal vijf- tot achtjarigen in Nederland bedroeg volgens het CBS in mei 743.328. Een groep van 54 kinderen lijkt dan erg klein.

Hoogleraar Methodologie en Statistiek Mark de Rooij (Universiteit Leiden) bevestigt dit: “Het is een kleine groep, 54 kinderen. Niet een mooie steekproef van alle kinderen in Nederland, de generaliseerbaarheid is dan niet gelijk vanzelfsprekend.” Verderop in het RTL-artikel staat: ‘Heeft jouw kind een gezond gebit? Dan geef jij hem of haar vast veel complimentjes.’ Onderzoekster De Jong-Lenters vertelt Nieuwscheckers dat zij dit nooit zo heeft gezegd. “RTL heeft het mij nooit laten teruglezen. Je mag natuurlijk nooit op die manier generaliseren. Het geldt nooit voor iedereen en het is natuurlijk een gemiddelde dat je onderzoekt.”  De proef toont volgens De Jong-Lenters slechts een verband aan. Het ene is niet per se een gevolg van het andere en de volgende stap is om te onderzoeken of de uitkomsten bij een groter vervolgonderzoek hetzelfde zullen zijn.

Streng of positieve opvoedstijl?
Ook in de conclusie van het onderzoek valt iets op. In plaats van ‘vaak strenge ouders’ of ouders die ‘strenger’ zijn, is het vaak een combinatie van factoren die ervoor kunnen zorgen dat kinderen gaatjes hebben. Zo staat er in het laatste hoofdstuk van het proefschrift dat, naast de manier van disciplineren van de ouder, ook de warmte die een ouder geeft aan een kind een rol speelt bij de ontwikkeling van gaatjes. Bij de uitslagen van de video-analyses is ook te lezen dat kinderen zonder gaatjes ook een hogere score hadden op positieve betrokkenheid, aanmoediging, probleemoplossing en relatie. Het zegt dus dat kinderen van ouders die hun kind positief opvoeden minder kans hebben op gaatjes en niet iets over dat andere ouders meteen ‘strenger’ zijn.

“Een positieve opvoedstijl heeft altijd direct of indirect wel invloed op het hele gedrag”, licht universitair docent Gezinspedagogiek Shelley van der Veek (Universiteit Leiden) toe. “De manier van opvoeden is van belang, maar het temperament van het kind speelt ook een rol, dus hoe iemand reageert op iets.” Daarnaast is sociaal-economische status van belang, wat overigens ook in het proefschrift staat beschreven.

Wat is streng?
Dan is er een andere vraag: wat is streng en hoe meet je dat? Een ‘getrainde onderzoeker’ bekeek en beoordeelde interactie tussen het kind en de ouders tijdens het uitvoeren van een aantal simpele taken, zoals samen iets leuks bedenken om te doen in het weekend. Onder andere de criteria ‘dwingend disciplineren’ en ‘discipline’ werden beoordeeld door deze onderzoeker. De mate van ‘dwingend disciplineren’ verschilde in de twee groepen, de mate van discipline week niet duidelijk af. Dit gaat over het aangeven van grenzen, consistentie en een duidelijke manier van aanwijzingen geven aan het kind. Dit is weer een nuanceverschil dat niet duidelijk wordt omschreven in het artikel.

“Streng is niet hetzelfde als consequent zijn”, legt De Jong-Lenters uit. “Als je benadrukt wat je wel wilt zien in plaats van wat je niet wilt zien, merk je dat het slechte gedrag uitdooft.” Het woord ‘streng’ in het artikel is dus niet per se hetzelfde als wat er in de conclusie van het proefschrift wordt besproken.

Wie test wie?
In het persbericht van de UvA staat daarnaast het volgende: ‘In haar kindertandartspraktijk viel het De Jong-Lenters op dat de ouders van kinderen met flinke gebitsproblemen hun kinderen vaak net iets anders benaderen dan andere ouders dat doen.’ In dezelfde doorverwijspraktijk werd de testgroep samengesteld. Is het mogelijk dat de onderzoekster misschien bewust of onbewust de kinderen en hun ouders die volgens haar al ander gedrag vertoonden, uitkoos? De onderzoekster is daar niet bang voor. “Alle kinderen met vier of meer gaatjes in de praktijk zijn gevraagd. Ik denk zelfs dat de mensen die mee hebben gedaan relatief beter deden dan de mensen die niet mee wilden doen. Het verschil zou dan denk ik nog duidelijker zijn geworden.” Bovendien wisten degenen die de video’s moesten beoordelen niet wie er in de onderzoeksgroep (met gaatjes) en in de controlegroep (zonder gaatjes) zaten.

Opvoedadvies van een opvoedkundige
Pedagoge Van der Veek was eerst wat sceptisch over het onderzoek, toen zij het nieuwsbericht las: “Maar toen ik het proefschrift beter ging lezen, werd ik steeds meer overtuigd van de kwaliteit. De methode die ze heeft gebruikt, het analyseren van videobeelden, is een goede manier om de opvoedstijl te meten. Vaak wordt dit alleen met vragenlijsten onderzocht, maar je kunt daarmee moeilijk meten hoe een ouder is in de  interactie met zijn kind. Dus ik vind dit goed gedaan.”

Maar bij een ding zet zij haar vraagtekens. In het artikel wordt door De Jong-Lenters een advies gegeven aan ouders: ‘Zeg nooit meer nee tegen kinderen. Vragen ze om een snoepje? Zeg dan: ‘Ja lekker hè! Dat mag je straks, na het eten.’ Vaak hoor je een kind er dan de hele middag niet meer over. Dit opvoedadvies is volgens Van der Veek onzin. “Het zou best kunnen dat je kinderen dan de hele middag niet meer over dat snoepje hoort, maar dat je nooit meer nee mag zeggen tegen kinderen is onzin. Nooit meer nee zeggen staat niet gelijk aan een positieve opvoedstijl. Dat is iets anders. Je moet als ouder vooral sensitief zijn, op de juiste manier reageren. Dit betekent echter niet dat je kinderen altijd hun zin moet geven, je moet vooral consequent zijn.  Ik vind deze uitspraak dus te kort door de bocht en uit zijn verband getrokken door RTL nieuws. Het is wel zo dat het vaak helpt om een alternatief te bieden, maar kinderen moeten ook gewoon leren wat ze wel en niet mogen.”

RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om commentaar.

Conclusie
Nieuwscheckers concludeert dat het artikel geen nonsens is, maar een verhaal zonder nuance. Zo is de steekproef te klein en niet divers genoeg om te generaliseren. Daarnaast is het vaak een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat kinderen gaatjes krijgen. Wat betreft het voorkomen van gaatjes, geeft zowel de tandheelkundige als de pedagoge aan dat consequentie op nummer één staat. Of dat onder de noemer ‘streng’ kan worden geschaard, is wellicht een kwestie van persoonlijke voorkeur.

Foto: Sean Donohue (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Een beetje stress geeft je kind echt geen slecht gebit

Tuesday, November 3rd, 2015

Door: Kelly Batist en Ciska Schippers

‘Relatie tussen stress moeder en slecht gebit kind aangetoond’ kopte NU.nl op 23 september 2015. Deze zogenaamde relatie komt redelijk uit de lucht vallen. Leidt stress bij moeders echt tot slechte kindergebitten? Nieuwscheckers.nl ontdekte dat de relatie gecompliceerder ligt: het onderzoek toont niet aan dat stress de oorzaak is van gaatjes.

NU.nl noemt twee bronnen: een andere nieuwssite, NDTV (New Delhi Television Limited) en onderzoek door King’s College London, gepubliceerd in het American Journal of Public Health. De onderzoekers analyseerden de gegevens van meer dan 700 Amerikaanse kinderen tussen de twee en zes jaar en hun moeders tussen de 30 en 36 jaar. Hieruit bleek dat gaatjes vaker voorkomen bij kinderen wier moeders veel stress hebben. Hiervoor geven de onderzoekers de volgende drie redenen: de tandartsbezoeken worden minder frequent, de kinderen krijgen vaker ongezondere voeding met veel suikers en kinderen van gestreste moeders hebben vaker geen borstvoeding gehad.

Het originele onderzoek

Uit het persbericht op de website van King’s College London en het originele onderzoek in het American Journal of Public Health worden de nuances van het onderzoek een stuk duidelijker. Zo blijkt dat de gegevens afkomstig zijn uit de derde National Health and Nutrition Examination Survey die heeft plaatsgevonden tussen 1988 en 1994. De rol van sociaaleconomische omstandigheden komt duidelijk naar voren: zo staat in het persbericht dat zowel de relatie tussen sociaaleconomische status en tandbederf als de relatie tussen sociaaleconomische status en stress is bewezen in eerder onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de relatie tussen stress en tandbederf afneemt als sociaaleconomische status in overweging wordt genomen.

In de conclusie staat duidelijk dat er sprake is van een link tussen stress en tandbederf, maar niet van een direct verband. Sociaaleconomische status heeft zowel een negatieve invloed op het stressniveau als op tandbederf en is dus de verbindende factor tussen de twee. Tot slot staan er in het onderzoek een aantal mogelijke bezwaren van de auteurs zelf die aansluiten bij onze twijfels over het nieuwsbericht van NU.nl. De auteurs stellen zelf dat de overeenkomsten tussen stress bij moeders en slechte tanden bij kinderen  niet betekenen dat het eerste de oorzaak is van het laatste. Daarnaast zijn de gebruikte data relatief oud.

Wat klopt hier niet?

De onderzoekers baseren zich op gegevens van twintig jaar geleden. Zijn deze nog wel relevant? Ten tweede komt het onderzoek niet goed uit de verf in het artikel van NU.nl. De redacteur doet het voorkomen alsof er sprake is van een directe relatie en noemt geen context of andere factoren die het gelegde verband aannemelijker zouden maken (zoals de sociaaleconomische situatie van het gezin). Heeft de redacteur het onderzoek bekeken of enkel het bericht van NDTV overgenomen?

Reactie NU.nl

De redactie van NU.nl verwees in eerste instantie naar het originele onderzoek van King’s College London voor meer informatie. Toen Nieuwscheckers het gebrek aan nuance aan de kaak stelde en vroeg of de redacteur het originele onderzoek had gelezen, werd de beslissing om de nuances van het onderzoek niet op te nemen “een redactionele keuze” genoemd.

Reactie onderzoekers

Ook spraken wij met de onderzoekers van King’s College London. Ze beamen dat de data verouderd zijn, maar geloven dat de bevindingen nog steeds gelinkt kunnen worden aan de kinderen van vandaag. “Tekenen van stress zijn over de jaren heen niet veranderd, ze reflecteren nog steeds blootstelling aan chronische stress. Ten tweede beweerden we dat chronische stress gerelateerd is aan sociaaleconomische ongelijkheid en aan ongelijkheid in tandbederf onder kinderen. Noch sociaaleconomische ongelijkheden, noch ongelijkheden in tandbederf zijn dramatisch veranderd in de Verenigde Staten in de afgelopen twintig jaar.” Ook vroegen wij ze waarom er niet gekozen was voor eigen onderzoek. “We vonden het testen met deze theorie met beschikbare data een goede eerste stap, voordat we begonnen aan een kostbaar proces van data-verzameling.”

Routine en structuur

Het gebrek aan nuance in het nieuwsbericht wordt ook opgemerkt door postdoc-onderzoeker Denise Duijster: “Het onderzoek laat zien dat er een relatie is tussen stress bij moeders en cariës bij kinderen, maar het bewijst geen direct oorzaak-gevolg.” Duijster is begin dit jaar gepromoveerd aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, met een onderzoek naar psychosociale factoren bij ouders die van invloed zijn op cariës bij kinderen. Volgens Duijster bleken opvoedingsstrategieën, ouder-kindinteractie en gezinsfunctioneren – zoals routine en structuur – belangrijke indicatoren van tandbederf bij kinderen. Hierbij zag ze ook een duidelijke rol voor de sociaaleconomische status van het gezin. “De onderzochte factoren komen vaker voor bij gezinnen met een lagere sociaaleconomische status. Waarschijnlijk dragen al deze factoren, waaronder misschien ook stress maar ook een lagere sociaaleconomische status, bij aan cariës bij kinderen.”

Conclusie

Het artikel is dus geen onzin, maar de zaak ligt gecompliceerder dan het bericht deed voorkomen. Uit het onderzoek van King’s College blijkt dat stress bij moeders geassocieerd wordt met tandbederf bij kinderen, maar dat er geen sprake is van een direct oorzaak-gevolg. Het is wel duidelijk dat kinderen van moeders met een lagere sociaaleconomische status meer kans hebben op tandbederf én dat moeders met een lagere sociaaleconomische status meer stress hebben. Het verband is dus niet compleet uit de lucht gegrepen. Duijster denkt dat meer onderzoek nodig is om de relatie te bewijzen: “Nu wordt er meestal op een specifiek moment gekeken naar zowel omstandigheden bij het gezin als tandbederf bij kinderen. Het is dus onmogelijk om een oorzaak-gevolg vast te stellen, aangezien je niet weet wat er eerst was.” Typisch geval van de kip en het ei, dus.

Foto: World Bank Photo Collection (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Angst voor de tandarts aangepraat

Thursday, October 13th, 2011

door: Jocelyn van Alphen en Simon Bruyning

Dentofobie: angst voor de tandarts. Een emotie die veel Nederlanders voelen opkomen als hun halfjaarlijkse gebits-controle weer voor de deur staat. Als we De Telegraaf van 3 oktober mogen geloven, zal deze angst vanaf 2012 ook nog eens een economische dimensie krijgen: ‘Verzekeraar bang voor nota tandarts’, kopte de grootste krant van Nederland. Reden: tandartsbezoek wordt duurder omdat de tarieven worden vrijgegeven. Nieuwscheckers laat zich niet bang maken: het gaat om een experiment, dat stopt als het te duur wordt.

Vanaf 1 januari 2012 gaat het ministerie van Volksgezondheid een experiment starten om vrije prijzen in de tandartsenbranche in te voeren. Dit betekent dat elke tandarts zelf mag bepalen hoe duur een behandeling wordt. VWS denkt dat dit de concurrentie zal vergroten, met een betere kwaliteit behandelingen voor lagere prijzen als gevolg. Uiterlijk 1 juli 2014 besluit de minister of het experiment wordt verlengd.

Volgens De Telegraaf twijfelen echter ‘maar weinigen’ in de branche eraan dat de prijzen gaan stijgen. Naast deze nogal vage formulering voert de auteur één zorgverzekeraar op, namelijk CZ. ‘’Wat denk je? Lager zullen ze [de prijzen] zeker niet worden”, briest een woordvoerster in het dagblad. De tendens in het artikel is dat het uiteindelijk de patiënt is die hogere rekeningen zal gaan betalen, afhankelijk van zijn polis. Van het feit dat het hier om een experiment gaat, wordt met geen woord gerept.

‘CZ maakt mensen bang’

De Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (NMT) trekt fel van leer tegen de berichtgeving in De Telegraaf. Woordvoerder Jeroen van Wijngaarden: ‘’Het NMT is buitengewoon ontstemd over de waarschuwing van CZ. De verzekeraar ventileert zonder enige vorm van onderzoek dat de tandartsrekeningen zullen stijgen. Niet alleen maakt de verzekeraar zich schuldig aan bangmakerij, ook etaleert CZ een totaal gebrek aan kennis van zaken. De vorm waarvoor gekozen is bij de vrije prijsvorming maakt het mogelijk om dit experiment, dat 3 tot 5 jaar gaat duren, nauwkeurig en kritisch te volgen. Verzekeraar CZ heeft op geen enkele manier contact gezocht met de beroepsorganisatie van tandartsen en tandarts-specialisten voorafgaand aan zijn onheilsprofetie. CZ maakt mensen bang voor de tandarts.’’

Verder haalt De Telegraaf nog tandartsenfora aan, om het naderende onheil van prijsstijgingen te bewijzen: ‘’Op tandartsenfora valt te lezen dat de beroepsgroep in de vrije prijzen een mooie kans ziet om de tarieven op te schroeven, nadat de Nederlandse Zorgautoriteit prijsstijgingen jarenlang fors onder de inflatie heeft gehouden.’’
Ongetwijfeld zien enkele tandartsen hun kans schoon nu de prijzen vrij zijn, maar een enkel voorbeeld van zo’n forumdiscussie was hier wel op zijn plaats geweest.

Monitoren

Iets anders waar het artikel aan voorbij gaat: naast het NMT zijn er meer waakhonden die de tandartsprijzen in de gaten houden. Ook de Nationale Zorgautoriteit (NZa) gaat het experiment monitoren. Zo liet minister van VWS Edith Schippers op 29 juni al in een brief aan de Tweede Kamer weten: “Onder ontoelaatbare effecten (van het experiment, red.) versta ik ontwikkelingen die de betaalbaarheid, toegankelijkheid of de kwaliteit van zorg in gevaar brengen. Dat kan inderdaad ook betrekking hebben op te hoge prijzen. De NZa zal hierop continu toezien.’’ Daarnaast meldt de minister in haar brief dat transparantie in dit experiment van groot belang is. Er is dan ook een consumentenwebsite opgezet om prijzen te kunnen vergelijken. Dit alles is overigens allang geen nieuws meer, maar al enkele maanden bekend.

Volgens de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) moet er nog wel een hoop aan de informatievoorziening gebeuren voor 1 januari: ,,Het probleem is dat het voor de consument op dit moment onduidelijk is waar de keuze voor een tandarts op gebaseerd moet zijn”, aldus woordvoerster Nathalie Koopman. ,,Er zijn nog geen goede kwaliteitsindicatoren. Daar wordt hard aan gewerkt, maar 1 januari komt te vroeg. We houden het angstvallig in de gaten. In eerste instantie zullen de prijsverhogingen wel meevallen. Het zou wel kunnen dat dat iets later gebeurt, bijna niemand weet het. Maar we willen niemand bang maken natuurlijk.”

‘We zijn niet bang’

Het is ook niet zo dat elke verzekeraar vreest voor de komende tarieven. Zo zegt Achmea tegen Nieuwscheckers: “Wij zijn niet bang, maar we denken niet dat de tarieven omlaag gaan. Of ze erg zullen stijgen, geen idee. De consument weet wel ongeveer wat een behandeling kost, maar zal zich met ingang van 2012 van te voren moeten informeren over de nieuwe tarieven.”

Verzekeraars en patiëntenorganisaties zijn er, hoewel een stuk genuanceerder dan in De Telegraaf viel te lezen, dus niet helemaal gerust op. Of ze zich terecht zorgen maken, moet de tijd gaan uitwijzen. Het plan dat Schippers voor ogen heeft, om het experiment ‘in nauwe samenwerking met patiënten- en consumentenorganisaties en verzekeraars’ te doen, om zo te ‘werken aan transparantie van kwaliteitsinformatie’ is blijkens bovenstaande reacties nog niet echt van de grond gekomen.

Dat De Telegraaf deze nuance niet aanbrengt, mag je de krant echter aanrekenen. De auteur van het artikel zei overigens niet te kunnen meewerken met nieuwscheckers.nl. Hij gaf hier geen reden voor. Feit blijft, dat nietsvermoedende consumenten die op 3 oktober de krant opensloegen,  niet volledig zijn geïnformeerd. Zo word je vanzelf bang voor de tandarts.

Ziek in je hoofd als je je tanden wit

Tuesday, May 18th, 2010

Door: Liz Brower

Originele tanden (c) uberculture

Een op de tien mensen die naar de tandarts gaan voor een cosmetische behandeling, zoals tanden bleken of rechtzetten, is op een ziekelijke manier gefixeerd op zijn of haar uiterlijk. Ze lijden aan Body Dysmorphic Disorder (BDD), waarbij patiënten uren per dag besteden om hun ingebeelde mankementen te verhelpen of verhullen. Althans, dat beweerde NRC Handelsblad op 27 maart. De stoornis komt weinig voor, maar blijkbaar zit een groot deel van de BDD’ers regelmatig in de tandartsstoel. Maar dat klopt niet. Uit het originele onderzoek, gepubliceerd in het vakblad Community Dentistry and Oral Epidemiology, blijkt dat het om 4,2 procent gaat, dus dichter bij 1 op de 25.

Het NRC haalt het onderzoek van Ad de Jongh aan, bijzonder hoogleraar angst- en gedragsstoornissen en hoogleraar psychotherapie voor tandartspatiënten. Hierin staat inderdaad dat 9,5 procent van de cosmetische tandartspatiënten die hij onderzocht, voldoet aan twee van de drie sleutelcriteria van BDD. Dat is ongeveer 1 op de 10. Maar twee van de drie betekent nog niet dat iemand BDD heeft. Het werkelijke cijfer blijkt 4,2 procent. Dit aandeel van de patiënten voldoet aan alle criteria. De Jongh zegt: “Het staat niet juist in het NRC-artikel.” Dit artikel is geschreven door emeritus hoogleraar tandheelkunde Michiel Eijkman, die al 37 voor het NRC schrijft. Ook hij is het niet eens met die een op de tien uit de eerste zin: “Dat is een onjuiste mededeling.”

Redactionele hand

Wim Köhler, wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad, blijkt verantwoordelijk voor de gewraakte eerste zin: “Nee, strikt genomen is dat niet juist.” In het originele artikel dat Eijkman naar de NRC-redactie stuurde, maakte hij onderscheid tussen degenen die aan twee van de drie BDD-criteria voldeden, en degenen die een volledige diagnose hadden. Dit onderscheid heeft de eindredactie echter laten verdwijnen. Köhler wil hier wel een kanttekening bij plaatsen. In de eerste zin wordt de frase ‘lijdt aan’ gebruikt. Köhler: “Daar kun je ook de groep die  twee van de drie symptomen heeft onder scharen.” Ook al heeft de eindredactie er een hand in gehad, Eijkman is de auteur: “Ik blijf ook na deze bewerking verantwoordelijk voor de inhoud ervan.”

Maar zeven

1 op de 25 blijft nog steeds een hoog aantal, maar ook daar schort iets aan. De Jongh hield een enquête onder 170 cosmetische tandartspatiënten, waarvan er uiteindelijk maar zeven BDD bleken te hebben. De Jongh zelf ziet hier ook een probleem mee: “Als het gaat om zo’n kleine groep patiënten, zijn er heel veel mensen nodig in de onderzoeksgroep om een betrouwbaar resultaat te krijgen.” Iets dergelijks zei hij ook al in zijn originele artikel: “… het aandeel van patiënten met BDD was te klein, en dus moeten de resultaten als inleidend beschouwd worden.” De resultaten zijn dus niet per definitie waar, maar moeten gezien worden als een voorlopige indicator.

Paddestoelen

De Jongh hield zijn enquête in zes tandartsklinieken die gespecialiseerd zijn in cosmetische procedures. De Jongh: “Dit soort klinieken springt als paddestoelen uit de grond.” De resultaten van zijn onderzoek zijn dus ook alleen maar te generaliseren over patiënten die dit soort klinieken bezoeken. In een ‘normale’ tandartspraktijk komt maar een deel van de patiënten voor een cosmetische behandeling, van wie een nog veel kleiner deel mogelijk BDD heeft. De Jongh: “Dit is geen probleem in de gewone praktijk, maar wel in de speciale klinieken. Van alle tandartsopleidingen in Nederland geeft alleen het Academisch Centrum voor Tandheelkunde les over psychopathologie, maar tandartsen moeten zich wel bewust zijn van dit soort problemen.” De kop ‘Tandartsen moeten niet ingaan op extreme wensen cliёntèle’ klopt dus wel. Hoeveel cosmetische tandartspatiënten precies BDD hebben, is niet duidelijk, maar wat er moet gebeuren als het vermoed wordt, is wel bekend. Eijkman: “Uit onderzoek is gebleken dat als kaakchirurgen ingaan op extreme wensen van hun patiënten, het probleem niet wordt opgelost.” Het betreffende onderzoek is gedaan door C.J. Hakman, werkzaam op de sectie Mondziekten en Kaakchirurgie van de Vrije Universiteit.

Geen nieuws

De Jongh schreef al in 2009 voor het tijdschrift Community Dentistry and Oral Epidemiology over BDD onder tandartspatiënten die kwamen voor een cosmetische behandeling. Eijkman gebruikt echter een recenter artikel van De Jongh dat verscheen in het vakblad Quality Practice Tandheelkunde. In dit artikel citeert De Jongh zijn resultaten van een jaar eerder. In deze samenvatting van de onderzoeksresultaten, staat de uiteindelijke grootte van de groep cosmetische tandartspatiënten met BDD niet. Ook staan de resultaten van de post-hoc analyse niet vermeld. Hieruit blijkt dat de resultaten alleen significant zijn voor vrouwen. Doordat Eijkman het latere artikel van De Jongh gebruikte als zijn bron, zijn belangrijke nuances van het onderzoek weggevallen.

Knip en plak

Een zelfde soort bericht als in NRC Handelsblad verscheen op vier gezondheidswebsites, namelijk medicalfacts.nl, dentalinfo.nl, ziekenhuiskrant.nl en kliniekoverzicht.nl. De cijfers uit het NRC waren klakkeloos overgenomen en in drie van de vier artikelen was zelfs dezelfde typefout (‘hooglereaar’) in de kop te vinden.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes