cultuur

Wijn drinken beschermt niet tegen Alzheimer

Wednesday, December 7th, 2016

Door: Rozemarijn Brus en Veerle van der Gracht

“Wijn is goed voor je brein”, kopten websites zoals Esquire en Libelle: regelmatig een glas wijn drinken zou de kans verminderen op ziektes zoals Alzheimer en Parkinson. Het nieuws is gebaseerd op  onderzoek van de Amerikaanse neuropsycholoog Sarah J. Banks. Nieuwscheck: wijn is niet zomaar goed voor je brein.

Sarah J. Banks (Cleveland Clinic Lou Ruvo Center for Brain Health, Las Vegas) onderzocht de hersenstructuren van dertien sommeliers en dertien niet-sommeliers. Bij de wijnkenners was het gedeelte van de hersenen waarin zich het langetermijngeheugen bevindt opvallend groter. Hoe langer hun ervaring, hoe groter het hersengebied. Daarnaast was het hersengedeelte dat zintuiglijke prikkels opslaat ook dikker en actiever bij de sommeliers tijdens wijn-ruiktaken. Deze verschillen suggereren dat gespecialiseerde training bepaalde hersengebieden verbetert die als eerste beïnvloed worden door ziektes zoals Alzheimer en Parkinson.

Nederlandse media zoals Esquire en Libelle, maar ook buitenlandse media zoals de New York Post schreven over het onderzoek van Banks. Veel strandden helaas bij de conclusies. Het blijft moeilijk om een wetenschappelijk onderzoek goed over te brengen in de media volgens Sanne Boesveld, voedingswetenschapster aan Wageningen University en reviewer van Banks’ onderzoek: “Onderzoek is vaak specifiek en er komt geen eenduidig beeld uit, dit maakt het moeilijk te vertalen naar een mediagenieke boodschap voor het brede publiek.”

Hersenen: dikker is niet beter

Hoewel diverse media concluderen dat wijn drinken goed voor je is, gaat het onderzoek van Banks juist over wijn ruiken. “Mensen die regelmatig een glas wijn drinken, hebben minder snel last van ziektes zoals Alzheimer of Parkinson”, schrijft Libelle. Esquire doet er nog een schepje bovenop: hoe meer je ruikt en drinkt, hoe gezonder het voor je is. Dus: “Daar drinken we er dus maar een op. Of twee.” Toch slaan ze hiermee de plank volledig mis. “Dit is ontzettend kort door de bocht en misleidend”, aldus Boesveld.

Veel media hechten ook zonder enige context een positieve waarde aan dikkere hersendelen. De New York Post schrijft bijvoorbeeld: “Though we don’t know for sure, there is a possibility that when it comes to the brain, thicker is better.” Alleen, dikker is niet per se beter. “Je hebt twee groepen kinderen: één groep speelt geen piano en de andere groep wel. Wordt er na een jaar een volumetoename bij de pianisten gevonden? Dan is deze volumetoename in dat opzicht een gunstig effect”, vertelt hoogleraar neuropsychologie Erik Scherder (VU). “Maar je ziet ook studies waarbij mensen met een hersenaandoening een groter volume laten zien, omdat zij veel meer moeite moeten doen om überhaupt iets voor elkaar te krijgen. Dan is een toename van volume juist ongunstig.”

Geen bescherming tegen Alzheimer

Diverse nieuwssites stellen verder dat goed wijn kunnen ruiken de gezondheid op lange termijn verbetert. De New York Post: ”[Banks] notes that the findings could suggest that living like a sommelier and paying close attention to how things taste could improve your health in the long run.” Maar dit zijn overhaaste conclusies. Scherder: “Of dat het je beschermt tegen de ziekte van Alzheimer, is een grote uitkomst. Als iemand dat beweert, dan moet je zeggen: ‘Waar baseert u het op?’” Uit alleen dit onderzoek kan niet worden afgeleid dat wijn ruiken Alzheimer tegen zou gaan. “Dat zou je met epidemiologische studies kunnen nagaan”, stelt Boesveld voor.

Daarnaast zijn er grote verschillen in hersenen van mensen en kun je niet zomaar concluderen dat ruiken aan wijn voor iedereen hetzelfde effect heeft. “Je kunt niet iedereen over één kam scheren. Het brein kent een variatie van veertig procent”, vertelt Scherder. Verder hangt de structuur van je brein ook af van genen, erfelijke factoren en je omgeving.

Onduidelijke oorzaak-gevolgrelatie

Tot slot trekken veel media een onterechte oorzaak-gevolgconclusie uit het onderzoek. “Het onderzoek van Banks is een cross-sectioneel onderzoek”, benadrukt Boesveld. Het zou zomaar kunnen dat mensen met een groter volume van deze hersenstructuren makkelijker sommelier kunnen worden, in plaats van andersom. Dit zou betekenen dat hoeveel wij ook aan wijn zouden ruiken, het niet per se betekent dat dit ook enig effect heeft op onze gezondheid.

Volgens Scherder kun je alleen een juiste oorzaak-gevolgconclusie trekken zodra je weet of er een correlatie is tussen het actieve gebruik van de reukzin en de dikkere hersendelen van de sommeliers. “Je zegt: deze man is geen sommelier en nou wordt hij sommelier. Vervolgens volgen we hem twintig jaar en dan zien we dat het hersengebied in volume is toegenomen. Dan pas kun je stellen: het een wordt veroorzaakt door het ander.”

Conclusie

Kortom, in de hoop een mediagenieke boodschap aan een breed publiek te leveren, hebben verschillende media de verkeerde conclusies getrokken over het onderzoek van Banks. Het gaat niet om wijn drinken, dikkere hersendelen zijn niet per se beter en wijn ruiken staat niet gelijk aan een automatische bescherming tegen Alzheimer voor iedereen. Bovendien is er geen duidelijke oorzaak-gevolgconclusie uit de studie af te leiden. Wijn is niet per se goed of slecht voor het brein, daar is meer onderzoek voor nodig. In de tussentijd drinken we maar een wijntje, zonder al te veel te concluderen.

Foto: Scott Hadfield (Flickr, CC BY-NC-SA 2.0)

Kaal door een knotje? Dat valt wel mee

Thursday, November 5th, 2015

Door: Anouk Onderwater en Iris te Voert

Mannen worden kaal van strakke knot’, kopte Nu.nl op 25 september 2015. Verschillende dermatologen zouden voor het probleem waarschuwen. Zo beweert de Amerikaanse Sabra Sullivan dat zij wel een of twee keer per week met een dergelijk geval te maken heeft. Naast Nu.nl berichtten onder andere RTL Nieuws en Metro over het nieuwe gevaar. Maar bestaat die nieuwe haaruitval wel? En waarom worden alleen knotjes dragende mannen met kaalheid in verband gebracht, niet vrouwen?

De Amerikaanse dr. Sabra Sullivan was de eerste dermatoloog die knotjes dragende mannen met kaalheid in verband bracht. Hierbij zou het gaan om ‘tractie alopecia’, een vorm van haaruitval die acuut optreedt rond het voorhoofd en de kruin door het strak bij elkaar trekken van het haar. Sullivan stelt dat het probleem steeds vaker bij mannen voorkomt en baseert dit op haar eigen ervaring. Zo zou zij wekelijks wel één of twee mannen zien die hier mee te maken hebben.

Dr. Sullivan wordt bijgevallen door stylist Dennis Zuniga en directeur van de Haarstichting Edwin van Wooning. Beiden bevestigen het verband tussen het dragen van een knot en kaalheid. Van Wooning zwakt de stelling iets af: ernstige schade van de haarwortels door een knot verschilt van persoon tot persoon. Bij de een kan het voor kale plekken zorgen, bij de ander niet. Ook stelt hij een oplossing voor: het haar niet meer zo strak naar achteren dragen.

Klopt dit wel?
Emiel Verdonschot, specialist in haarproblemen en medisch directeur van haarkliniek Intermedica, heeft daarentegen nog nooit te maken gehad met mannen die hun haar verloren door het dragen van een knot. ‘’De meerderheid van de mannen die hier langs komen, hebben haarverlies wegens erfelijke kaalheid en niet wegens een bepaalde haardracht’’, aldus Verdonschot. ‘’Echter, feitelijk kan het wel voorkomen dat iemand last heeft van haaruitval wegens het te strak naar achteren dragen van het haar. Deze vorm van haarverlies heet tractie alopecia. Maar hierbij moet gedacht worden aan iemand die dit al jarenlang en op dagelijkse basis doet, het is geen kwestie van een paar maanden.’’

Tractie alopecia: alleen bij mannen?
De website van de Haarstichting stelt dat tractie alopecia vooral voorkomt bij mannen of vrouwen met dreadlocks die te strak zijn vastgezet. Verdonschot ziet het daarentegen alleen maar bij vrouwen. ‘’Tractie alopecia zien we vooral bij vrouwen die al van kinds af aan het haar strak naar achteren dragen. Dit zijn bijvoorbeeld vrouwen met kroeshaar, wier moeder vroeger al een strakke haardracht bij hen maakte. Het haar wordt hierbij zo strak naar achteren getrokken, dat je bij wijze van spreken de spanning erop kunt voelen. Bij mannen daarentegen heb ik het nog nooit gezien.’’

Een hipsterknotje, waarmee tractie alopecia in de media in verband wordt gebracht, is een los knotje waarbij de rest van het haar los naar achteren valt. Het is erg onwaarschijnlijk dat mannen hierdoor last kunnen krijgen van haarverlies. Daan van Houten (22 jaar), die al zes jaar een knotje draagt: “Het lijkt me dat een knot dragen even schadelijk is voor mannen als voor vrouwen. Zelf heb ik in ieder geval nog nooit iets gemerkt van kaal worden.”

Erfelijke kaalheid?
Wellicht was er bij de mannen waarmee dr. Sullivan – die niet reageerde op een verzoek om commentaar – te maken had, wel gewoon sprake van erfelijke kaalheid. ‘’Het zou kunnen dat deze mannen al last hadden van inhammen aan de voorkant vóór zij een knot begonnen te dragen’’, stelt Verdonschot. ‘’Wanneer zij dan het haar naar achteren gaan kammen, worden deze ineens zichtbaar. Echter, deze vorm van haarverlies heeft dan niets te maken met tractie alopecia. Het is gewoon een geval van erfelijke kaalheid.’’

Conclusie
Een hele strakke haardracht kan inderdaad – in theorie – zorgen voor kaalheid. Maar dan moet het haar wel over een reeks van jaren en op dagelijkse basis zo strak vast hebben gezeten, dat je bij wijze van spreken de spanning erop kunt voelen. Bovendien komt het fenomeen veel vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Vooral de kop ‘Mannen  worden kaal van strakke knot’ is dan ook misleidend. Een los hipsterknotje kan dus zonder zorgen gedragen worden. Nu.nl wilde niet reageren.

Foto: Digboston (Flickr, CCBY 2.0)

Voorkeur voor Zwarte Piet of Roet Piet is geld waard

Thursday, December 4th, 2014

door: Stan van Kesteren en Frank Zwarthoed

“Nederland wil dat Piet blijft zoals hij is”, kopte Metro op 18 september. Deze kop is gebaseerd op een onderzoek dat deelnemers twee keuzes gaf: Zwarte Piet of Roet Piet. Volgens het nieuwsbericht konden mensen nog stemmen op welkekleurpiet.nl, een website (inmiddels offline) die persoonsgegevens verzamelde in ruil voor cadeaubonnen.

Uit het nieuwsbericht blijkt dat liefst 96 procent van Nederland wil dat Zwarte Piet traditioneel geschminkt blijft. Hoe komt Metro bij deze cijfers? Het onderzoek is gedaan door het marktonderzoeksbureau Markteffect. Volgens het persbericht van Markteffect werd het onderzoek gedaan in opdracht van marketingbureau E-mail International.

De 96 procent steun voor Zwarte Piet uit het persbericht is gebaseerd op een online panelonderzoek uit september, onder 1.006 respondenten. Zij konden kiezen uit twee stellingen: ‘Zwarte Piet moet blijven en heeft in  mijn ogen niets met discriminatie te maken’ of ‘Roet Piet moet komen, want ik vind dat er dan geen discriminatie meer is.’ De overweldigende meerderheid koos voor Zwarte Piet; Roet Piet had iets meer succes bij allochtonen en bij respondenten onder de dertig, maar ook die groepen kozen in meerderheid voor Zwarte Piet.

Dit panelonderzoek staat los van de peiling via welklekleurpiet.nl, waar bijna 10.000 mensen hun stem uitbrachten op dezelfde stellingen. Zij ontvangen van Email International een cadeaubon in ruil voor enkele persoonsgegevens.

Commerciële uitingen

Bij het stemmen op de site welkekleurpiet.nl moet de respondent akkoord gaan met de algemene voorwaarden. Hierin stond eerst dat Markteffect de respondent per mail mocht benaderen met commerciële uitingen. Volgens Lex Olivier, ombudsman van de brancheorganisatie voor marktonderzoek (MOA), is dit in strijd met de richtlijnen voor opinieonderzoek: “Markteffect behoort geen toestemming te vragen om per mail commerciële uitingen te sturen aan deelnemers.” Na vragen hierover van Nieuwscheckers heeft Markteffect de voorwaarden aangepast: “Tevens mag Markteffect je benaderen voor niet commercieel en anoniem onderzoek.” Markteffect benadrukt dat het gaat om een onbewuste fout: het bureau heeft nooit mensen benaderd met commerciële aanbiedingen en zal dit ook niet doen.

Beperkte vraagstelling

De cijfers in het nieuwsbericht waren gebaseerd op een onderzoek dat de deelnemer de keuze gaf tussen Zwarte Piet of Roetpiet. Volgens prof.dr. Jelke Bethlehem, methodoloog aan de Universiteit Leiden, is deze vraagstelling te beperkt: “Je mag alleen maar kiezen uit Roetpiet en Zwarte Piet. Er zijn misschien nog wel andere soorten pieten denkbaar. Als je echt een onderzoek zou willen doen over Zwarte Piet, zou je nog wel wat meer vragen kunnen stellen.”

Een onderzoek naar Zwarte Piet was niet ons doel, verweert Markteffect-directeur Edgar de Beule zich: ‘Als onderzoeksbureau heb je te maken met de opdrachtgever. Die bepaalt, onder supervisie van onze methodologen, haar onderzoeksdoel. Het doel van de opdrachtgever was het verschil tussen Zwarte en Roet Piet inzichtelijk maken.’

Journalist: “Ik heb geen mening over dit onderzoek”

Waarom bracht Metro de resultaten van dit onderzoek als de mening van Nederland? Nieuwscheckers.nl vroeg het Rens Oving, de journalist die het stuk schreef: “Ik plaatste dit nieuwsbericht omdat er veel discussie is over Zwarte Piet en dit een actueel onderzoek is. Of het onderzoek representatief is, moet u aan de onderzoekers vragen. Ik heb geen mening over of het een goed of een slecht onderzoek is. Het was voor mij niet van belang hoeveel keuzes er waren in dit onderzoek.”

Onderzoek naar geestengeloof lastig

Friday, October 4th, 2013

door: Liza Sie en Gert-Jan Verstegen

Steeds meer Britten geloven in spoken. Tenminste, dat beweert ASSAP, een instelling die zegt wetenschappelijk onderzoek te doen naar paranormale verschijnselen. Een heerlijk onderwerp voor journalisten, omdat spiritualiteit het de laatste jaren goed doet bij het publiek. Toeristen smullen van zogenaamde ‘spokentochten’ door oude huizen. Ook televisieprogramma’s waarin contact met doden wordt gelegd scoren goed. Maar gaat dat echt samen met een toenemend geloof in geesten?

ASSAP deed een onderzoek naar het geloof in paranormale zaken, uitgevoerd door marktonderzoeker YouGov onder ruim 2000 Britten. Hoewel de organisatie zelf geen persbericht uitbracht, pikte de Engelse krant Daily Telegraph de uitkomsten wel op. Het geloof onder de Britse bevolking was namelijk toegenomen: van 40% in 2005 en 2009 tot 52% dit jaar. In Nederland nam het ANP het bericht over. Toch plaatste geen enkele krant of website het ANP-artikel. Gelukkig maar, want het onderzoek rammelt aan alle kanten.

Zo veel onderzoeken, zo veel uitkomsten

Om te beginnen heeft Nieuwscheckers gezocht naar de onderzoeken uit het 2005 en 2009. Deze bleken onvindbaar: niet op de website van ASSAP, noch in de media van toen. Op de vraag of ze deze onderzoeken konden opsturen kregen we geen gehoor. Andere, soortgelijke onderzoeken van de afgelopen tien jaar gaven wel inzicht in het geloof van Britten in geesten. Hier bleek echter geen duidelijke lijn in te zitten:

Dick Bierman, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek deed naar paranormale verschijnselen, begrijpt wel waarom de percentages zo verschillend zijn: “Methodologisch kloppen deze onderzoeken vaak niet. Alles kan invloed hebben op de uitkomsten: een verkeerde steekproef, foutmarges of gewoon een vragenlijst die niet in orde is.” En dat lijkt bij het laatste onderzoek van ASSAP het geval te zijn. Zo klopt de vraagstelling niet: de ondervraagde moet antwoord geven of hij of zij gelooft dat andere mensen wel eens een geest hebben ervaren. Dat is iets anders dan dat ze het zelf hebben meegemaakt. Bierman: “Mensen hebben gauw de neiging om te liegen bij een enquête. Dat is waarschijnlijk de reden dat deze dubbele vraagstelling is gebruikt. Het is wel een schande van de journalist om deze twee totaal verschillende vragen door elkaar te halen.” Bij de weergave van de antwoorden telden de journalisten drie antwoordcategorieën bij elkaar op (beetje mee eens, mee eens, volledig mee eens). Een traditionele fout bij het verwerken van de uitkomsten van een enquête.

Wit laken met gaten

Nieuwscheckers legde het onderzoek ook voor aan Paul Cowdell. Hij is als onderzoeker naar folklore en volksverhalen verbonden aan de Universiteit van Hertfordshire, ten noorden van Londen. Hij promoveerde op een onderzoek naar het Britse geloof in geesten. Cowdell: “ASSAP publiceert de onderzoeksuitkomsten omdat het graag serieus genomen wil worden. In het verleden hebben ze absoluut interessante artikelen uitgebracht, maar de manier waarop ze in dit geval onderzoek deden is een probleem. Als ze zoeken naar bewijs dat geesten bestaan, geloven ze er eigenlijk al in.” Ook Cowdell snapt de vraagstelling niet: “Ze doen onderzoek naar geloof in geloof. Een vrouw vertelde me ooit dat ze niet in geesten geloofde, maar wel open stond voor het idee. Ik vroeg toen of ze in dat geval eigenlijk niet gewoon al in geesten geloofde.” Die vraagstelling maakt het dus lastig voor een respondent om een goed antwoord in te vullen.

Ook het woord ghost kan sturend zijn, vindt Cowdell. Veel mensen verstaan er iets anders onder dan een paranormale verschijning. Cowdell: “Dat laatste kan een geluid of geur zijn. Het gevoel van aanwezigheid. Een spook roept meestal specifiek het beeld op van een wit laken met uitgeknipte gaten dat op rolschaatsen glijdt.”

Openlijk uitkomen voor het geloof in geesten

Cowdell ziet dat alles op het gebied van spoken en geesten steeds populairder wordt. “In de jaren ’50 waren veel kroegeigenaren in Essex het beu dat mensen op spokenjacht kwamen. Nu adverteren ze er juist mee. Dat toont aan dat er heel anders naar spokenjagers wordt gekeken.” Mensen durven door deze commercialisering eerder ervoor uit te komen dat ze in paranormale zaken geloven. Vroeger hielden ze dat liever voor zich. Maar dat betekent niet dat meer mensen erin zijn gaan geloven, zoals de ASSAP beweert.

De voorzitter van de ASSAP, Dave Wood, zegt in de Daily Telegraph dat de economische onzekerheid ervoor zorgt dat mensen hun toevlucht zoeken in het paranormale. Dit kan volgens Cowdell heel goed kloppen. In het verleden zorgde maatschappelijke druk dat er nieuwe religies en kerken ontstonden. Misschien kan dit vergeleken worden met het toenemende geloof in paranormale verschijnselen. Waar televisiemakers dan weer slim op inspelen.

Leuk en licht nieuws

Het ANP publiceerde het bericht via de dienst BuzzO. Die O staat voor opmerkelijk nieuws: ‘Licht, maar geen onzin. Opmerkelijk, maar niet rampzalig. Verrassend, maar niet keihard’, is te lezen op de website van BuzzO. En gekeken naar het spokenbericht lijkt de persdienst daar gelijk in te hebben. Peter Dingelhoff van ANP: “We maken onderscheid tussen ‘need to know’ en ‘nice to know’. Dit was een ‘nice to know’-bericht en dan wordt er niet altijd gekeken naar het originele onderzoek. Wij hebben dit gewoon overgenomen van de Daily Telegraph.” Ook de Engelse krant liet in een reactie weten het als licht onderwerp behandeld te hebben. Toch vond redacteur Jasper Copping het onderzoek van ASSAP niet slecht: “Jullie hebben het verhaal veel te veel geanalyseerd. Ik ben benieuwd waar jullie fascinatie voor mijn verhaal vandaan komt.”

Cijfers over bezoekersaantallen zijn te vaak ongecheckte schattingen

Friday, October 5th, 2012

Door Joachim Springer & Joost van Zoest

Het aantal bezoekers bepaalt het succes van een evenement, zo lijkt de gemiddelde journalist te denken. In Het Parool: Record voor grachtenfestival: 53.000 bezoekers, op NU.nl: Festival Incubate trekt twee keer zoveel bezoekers, en in Trouw: 24 Uur Cultuur trekt bijna 15.000 bezoekers naar Rotterdam. Maar de cijfers zijn lang niet altijd betrouwbaar. In veel gevallen wordt het bezoekersaantal bepaald door een grove schatting die de kranten klakkeloos overnemen. Zo kan een organisatie ongestraft naar boven afronden: “Je mag best wat breder schatten.”

Simpele vraag

Onze vraag aan organisatoren van evenementen was simpel: “Hoe berekenen jullie het aantal bezoekers?” De antwoorden die we kregen liepen behoorlijk uiteen. Aan de ene kant zijn er evenementen zoals de HISWA en De Parade. Deze vinden plaats op een besloten terrein en zijn alleen toegankelijk voor wie een kaartje heeft gekocht. Op deze manier is het bezoekersaantal vrij precies vast te stellen. Doorvragen leert dat vrijkaarten bij dat aantal inbegrepen zijn. Zo trok De Parade dit jaar 267.000 bezoekers, maar slechts tweederde van dat totaal was een betalende bezoeker. Ongeveer 89.000 mensen (kinderen, 65+ers en relaties) kregen dus gratis toegang.

Aan de andere kant zijn er vrij toegankelijke, (grotendeels) gratis evenementen, zoals 24 Uur Cultuur in Rotterdam, het Grachtenfestival in Amsterdam of VJ op de Dom in Utrecht. De organisatie van dit soort festivals komt tot het bezoekersaantal door te schatten.

Het Utrechtse VJ op de Dom trok zo’n 6.500 bezoekers. Namens het festival licht Annemarie de Jong toe: “Het is een ruwe schatting. We hebben elk uur vanuit een hoger gelegen pand op het Domplein uitgekeken en samen met de politie en beveiligers een inschatting gemaakt. Maar dat is lastig, zeker door de in- en uitloop.” Ook het Grachtenfestival werkt met schattingen, aldus organisator Wim van de Laak: “Ons bezoekersaantal van 53.000 bestaat voor 30 procent uit verkochte toegangsbewijzen en voor 70 procent uit schattingen van het publiek dat op de gratis, openbaar toegankelijke programmaonderdelen afkomt.”

Geen flauw idee

Persvoorlichter Derrick Smittenaar van 24 Uur Cultuur noemt het aantal van 15.000 bezoekers “een voorzichtige optelsom van schattingen”. Het festival bestaat uit ongeveer 160 betaalde en onbetaalde voorstellingen op 70 verschillende locaties in Rotterdam. De organisatie vroeg de grootste locaties om een schatting en telde die cijfers bij elkaar op. Dubbeltellingen zijn dus niet uitgesloten: omdat het festival programmaroutes voorstelt, trekken mensen langs meerdere locaties op een dag, en kunnen ze op elke plek opnieuw weer meegerekend worden. Opvallend is bovendien dat de persvoorlichter geen informatie heeft over het aantal verkochte kaarten voor besloten voorstellingen: “Ik heb echt geen flauw idee.”

Niemand checkt

Onze vraag aan de nieuwsmedia die berichten over bezoekersaantallen publiceerden was eveneens simpel: “Controleren jullie het vermelde bezoekersaantal?” Eensgezind wezen de media die wij benaderden (De Telegraaf, Trouw, Het Parool, NU.nl) naar het ANP. “Voor ons is het ANP een betrouwbare bron met kundige journalisten – zoals het dat is voor veel kranten en omroepen”, aldus adjunct-hoofdredacteur Gert-Jaap Hoekman van NU.nl.  “Als we verder geen aanleiding zien, laten wij het checken van cijfers en andere informatie dan ook over aan hen”, Het ANP controleert de bezoekersaantallen echter ook niet. Rob van Rooijen, chef Binnenland: “Nee, ik zou niet weten hoe we dat moeten controleren. Kijk, we verwijzen altijd: ‘dat maakt de organisatie bekend’, maar we gaan niet zelf dingen doen.” Het komt wel eens voor – vooral bij demonstraties – dat het ANP conflicterende cijfers van de organisatie afzet tegen cijfers van gemeente en politie. Dat zijn uitzonderingen: doorgaans neemt het ANP geen contact op met organisatie of gemeente en geeft het door het evenement gerapporteerde bezoekersaantal door. Deze situatie werd bevestigd in ons onderzoek: geen enkel evenement is benaderd door het ANP of een ander medium met een vraag over het bezoekersaantal.

Aura van betrouwbaarheid

We ontdekten een patroon in de vertaling die het ANP maakt van persbericht naar nieuwsbericht. Evenementen brachten persberichten uit met koppen als: “Geslaagde opening cultureel seizoen Rotterdam” (24 Uur Cultuur) en “Grachtenfestival verbindt Amsterdam met klassieke muziek”. In het nieuwsbericht dat het ANP ervan maakt wordt dat: “24 Uur Cultuur trekt bijna 15.000 bezoekers” en “Record voor Grachtenfestival: 53.000 bezoekers”. Derrick Smittenaar (24 Uur Cultuur) noemt de focus op cijfers “echt een ANP-ding”:  “Alsof dat het enige is wat belangrijk is.” Willem Koetsenruijter geeft in zijn boek Cijfers in het nieuws een verklaring. Volgens hem hebben cijfers een aura van betrouwbaarheid, maar onthouden tegelijkertijd maar weinig mensen iets van al die cijfers. Cijfers hebben daarmee een speciale functie in het nieuwsbericht: “ze onderstrepen de betrouwbaarheid van de bron”.

Het blijkt lastig om de bezoekersaantallen van organisatoren te vergelijken met cijfers van gemeente of politie. Sandra Geskes, persvoorlichter van politiekorps Rotterdam-Rijnmond meldt desgevraagd dat de politie géén cijfers bijhoudt op dit vlak. (De gemeente Rotterdam reageerde niet op vragen om toelichting.) Iris Reshef, bestuursvoorlichter bij de gemeente Amsterdam, deelt mee dat het meten van bezoekersaantallen voor veel gemeenten problematisch is. Alleen bij evenementen die de gemeente (mede-)organiseert wordt er van het bezoekersaantal een schatting gemaakt.

“Een riedeltje cijfers”

Het ANP en andere media controleren bezoekersaantallen niet en gemeente en politie hebben geen vergelijkbare cijfers. Tegelijkertijd weten evenementen dat cijfers het goed doen in het nieuws. “Als een persbericht in de smaak moet vallen, dan geven we ze een riedeltje cijfers. Dat vinden ze prettig, dat verteert blijkbaar makkelijk”, zegt Wim van de Laak (Grachtenfestival). In combinatie met de wetenschap dat publieksbereik steeds belangrijker is geworden bij subsidieverstrekkers en sponsoren, is er een prikkel om bezoekersaantallen te overdrijven of kunstmatig hoog te houden. Van de Laak erkent dat het in het huidige culturele klimaat heel belangrijk is dat er ‘een markt’ voor het evenement is, maar zegt dat zijn festival zo eerlijk mogelijk de bezoekersaantallen rapporteert. Annemarie de Jong van VJ op de Dom stelt echter: “Je mag wel wat breder schatten. Dat helpt bij de verantwoording naar de gemeente en fondsen.”

Conclusie

Onze rondvraag leverde twee inzichten op. Ten eerste controleren ANP en andere media de bezoekersaantallen die evenementen rapporteren niet of nauwelijks. Dat is vreemd, juist omdat ze dat cijfer vaak als het belangrijkste nieuws brengen. Met de mededeling: ‘dat maakt de organisatie bekend’ leggen media de verantwoordelijkheid bij de bron en onthouden ze zich van het geven van context bij het bezoekersaantal. Want is het cijfer gebaseerd op een ruwe schatting of op exacte kaartverkoop? En hoeveel betalende bezoekers waren er eigenlijk? We lezen het nergens terug.

Daaruit vloeit voort dat evenementen slecht gefundeerde ramingen kunnen rapporteren. Media controleren namelijk niet en er zijn geen vergelijkbare cijfers. Het noemen van hoge bezoekersaantallen levert twee voordelen op: het creëert nieuwswaarde en het voorziet het festival van mooie veren om mee te pronken bij geldverstrekkers. Hoewel er evenementen zijn die de manier waarop ze hun bezoekersaantal berekenen goed kunnen verantwoorden, maken andere evenementen gebruik van een tamelijk grove schatting. Daarbij was er in één geval (het Utrechtse VJ op de Dom) duidelijk sprake van overdrijving.

Subsidiejunkies toch niet zo verslaafd

Wednesday, December 7th, 2011
Door: Daniëlle Moeliker en Merel Bas
 
´Rijk maakte kunst verslaafd aan subsidie´, kopte NRC-Handelsblad op 1 september 2011. In dit artikel noemt kunsteconoom Pim van Klink een aantal podiuminstellingen ‘subsidieverslaafd’. Die instellingen zelf, of andere deskundigen, kwamen niet aan het woord. Een opvallende keuze volgens Nieuws-checkers, omdat Van Klink stevige beschuldigingen uit en zijn visie niet breed wordt gedragen in het Nederlandse cultuurlandschap. Wij benaderden alsnog de bronnen. Wat is hun verhaal?

Van Klink heeft samen met Arjan van den Born en Arjen van Witteloostuijn een vergelijkend onderzoek gedaan naar podiumkunsten in Europa. De resultaten zijn te lezen in het op 22 september verschenen boek Subsidiëring van podiumkunsten: beschaving of verslaving?

Beschaving of verslaving?
De onderzoekers keken naar het ‘ondernemerschap’ van de instellingen. Dit baseerden ze op de verhoudingen tussen stijgingen en dalingen van subsidies en eigen inkomsten in de periode van 1997 tot 2007. Springdance, Het Veem Theater en Noorderzon kregen het etiket ‘subsidieverslaafd’ omdat zij een meer dan gemiddelde stijging van subsidie en een minder dan gemiddelde stijging van eigen inkomsten zouden hebben.

‘Het Nederlandse stelsel kweekt aan subsidie verslaafde instellingen’, stelt Van Klink in het NRC. Hij vindt staatssecretaris Zijlstra’s norm voor eigen inkomsten van 21,5 procent voor podiuminstellingen ´ridicuul laag´. Hij is van mening dat Nederland moet overschakelen naar het Engelse subsidiesysteem: daar moeten kunstinstellingen de helft van hun budget zelf verdienen.

Subsidieverslaafd?
Zowel Noorderzon, het Veem Theater als Springdance zijn niet te spreken over het etiket ‘subsidieverslaafd’. Noorderzon publiceerde op de eigen site een weerwoord dat beweringen van Van Klink bestrijdt. Zo claimt Noorderzon dat de eigen inkomsten al jaren 60 tot 65 procent bedragen.  Sietske de Haan van het Veem Theater vindt de term ‘subsidieverslaafd’ onnodig kwetsend: “Het gaat volledig voorbij aan het soort instelling dat we zijn.” Kunst en cultuur hebben volgens haar ook een maatschappelijke waarde die je niet één op één kunt overnemen in euro’s. René Vlemmix van Springdance kan dit beamen: “Je moet bijvoorbeeld ook kijken naar hoe relevant onze activiteiten zijn voor het Nederlandse dansveld en hoe de vernieuwing die ze teweegbrengen wordt gewaardeerd.” De cijfers uit het onderzoek zijn bovendien vier jaar oud. Sinds die tijd is er alweer veel veranderd. “Oude gegevens van tot en met 2007 kun je niet gebruiken voor het jaar 2011, dat is niet terecht”, legt De Haan uit.

Kritiek op het onderzoek
Ook onderzoekster Philomeen Lelieveldt, verbonden aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in cultuurbeleid, vindt de ondertitel beschaving of verslaving ‘nodeloos chargerend’. Daarnaast concludeert ze dat de vergelijking met andere landen ook de nodige haken en ogen heeft: wat wordt er wel of niet meegeteld, valt dit wel te vergelijken? Volgens Van Klink is het Nederlandse stelsel ineffectief, maar volgens Lelieveldt zou je ook het omgekeerde kunnen beweren. Namelijk dat we dankzij investeringen van de Nederlandse overheid een optimaal functionerend kunstbestel hebben waarbij kunstenaars serieus worden genomen als professional.

Lelieveldt is teleurgesteld over de berichtgeving van het NRC rond het cultuurbeleid: “Het NRC is voortdurend een platform aan het creëren, maar doet geen pogingen deze informatie te analyseren en te duiden. Als lezer moet je zelf een weg banen door de discussies.”
Van Klink bekritiseert niet alleeen de podiuminstellingten, maar ook het beleid van minister van OC&W Halbe Zijlstra. Het ministerie laat Nieuwscheckers echter weten geen behoefte te hebben aan een reactie: “De opvattingen van de heer Van Klink zijn ons bekend. We kennen zijn ideeën over het genereren van meer eigen inkomsten. We hebben op dit moment niets toe te voegen aan wat het NRC schreef.”

Reactie NRC Handelsblad
NRC-redacteur Claudia Kammer interviewde Van Klink aan het begin van de zomer van 2011: “Een van de redenen om Van Klink te interviewen was om hem het wetenschappelijke onderzoek in de volle breedte te laten toelichten.” Het interview is bewust pas in september geplaatst omdat het politieke debat rond de cultuurbezuinigingen toen weer op gang kwam. Dat het onderzoek is gebaseerd op oude cijfers, ziet Kammer niet als een probleem: “Dat is bij wetenschappelijk onderzoek wel vaker het geval.”

In de kritiek van Lelieveldt kan ze zich niet vinden: “We publiceren veel over kunstbeleid en laten zowel voor- als tegenstanders aan het woord: wij willen een breed beeld bieden.” Het NRC belicht cultuur van verschillende kanten: “Dat betekent dat positieve geluiden aandacht krijgen. En ook geluiden die niet graag in de kunstsector worden gehoord, zoals die van Pim van Klink en de zijnen verdienen een plek in de krant.” Naar aanleiding van het interview heeft het NRC op 8 september een aantal reacties van lezers geplaatst, waaronder die van Noorderzon.

Conclusie
Dat het NRC ervoor koos om de mening van Van Klink zonder nuances van andere bronnen te publiceren valt bij de podiuminstellingen niet in goede aarde. Zij hadden graag ruimte gekregen voor wederhoor. Vlemmix (Springdance): “Het NRC heeft pas na publicatie geprobeerd contact op te nemen.”

Ook al staat het label ‘wetenschappelijk onderzoek’ niet garant voor betrouwbaarheid, er wordt veel vertrouwen gesteld in het gezag van de onderzoekers. Noorderzon, Het Veem Theater en Springdance vinden het niet terecht dat zij worden afgerekend op verouderde cijfers.
Nieuwscheckers vindt dat de visie van Van Klink beter had kunnen worden gepubliceerd in een vorm waarbij wederhoor mogelijk was geweest. Bijvoorbeeld in een achtergrondartikel waarin ook de beschuldigde podiuminstellingen, andere onderzoekers en misschien ook beleidsmakers aan het woord waren gekomen. Hierdoor was het mogelijk geweest om een meer uitgebalanceerde weergave van de ontwikkelingen in het culturele subsidielandschap te tonen.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes