voeding

Hamburgers niet per definitie gezond

Monday, November 14th, 2016

door: Kasper van Alphen en Diederik de Groot

“Hamburgers zijn goed voor je, blijkt uit onderzoek”, was de kop boven een online-artikel van Esquire op 13 oktober. Dit zou blijken uit een studie van Dr. Stephen Smith, gelieerd aan de Texas A&M University. Vlees van een bepaald gedeelte van runderen die graan in plaats van gras gevoerd hebben gekregen zou ervoor zorgen dat je goede cholesterol stijgt. Kunnen we nu dus met zijn allen lekker onbeperkt aan de hamburgers? Nieuwscheckers ging op onderzoek uit, en kwam er achter dat het zo simpel helaas niet is. De mate waarin je dit fastfood consumeert blijft van belang!

Het bericht op de site van Esquire is geschreven door redacteur Jonathan van Noord. Hij zegt het bericht niet gecheckt te hebben, maar het te hebben overgenomen van de website Men’s Health. Deze site valt onder dezelfde uitgever, namelijk Hearst. Van Noord paste slechts de tekst aan naar de ‘tone of voice’ van Esquire en voegde een link naar het onderzoek toe. Het bericht van Men’s Health waar Van Noord zijn artikel op baseerde, kent een belangrijk verschil met de tekst van Esquire: Er wordt duidelijk gemaakt dat het onderzoek is gefinancierd door een belangengroep. “Uiteraard heeft dokter Smith contacten in de vleesindustrie en heeft The National Cattlemen’s Beef Association zijn voorgaande onderzoeken – inclusief deze – gefinancierd, dus neem het alsjeblieft met een korreltje zout.’’

De NCBA is een lobbygroep voor vleesproducenten in de VS. Volgens Sander Kersten, hoogleraar voeding, metabolisme en genomics aan de Universiteit Wageningen, hoeft dat niet per se te betekenen dat het onderzoek onbetrouwbaar is. “Maar een belangengroep die zo’n onderzoek laat doen, verwacht natuurlijk wel dat er voor hen iets positiefs uitkomt’’, voegt hij daaraan toe. “Het is goed om je daar bij dit soort onderzoeken van bewust te zijn. Een onderzoek naar de schadelijke effecten van vlees zullen ze bijvoorbeeld nooit doen.”

Misleidend

De kop van het Esquire-artikel is voor Kersten een déja vu. Volgens hem worden dit soort beweringen over voeding aan de lopende band gedaan. “Ik overweeg ook om dit stuk te gebruiken voor mijn onderwijs. De kop zegt hier dat hamburgers goed voor je zijn, maar dat is misleidend. Dat is ook niet in het genoemde onderzoek onderzocht. Vervolgens staan er ook nog links naar hamburgerrestaurants in Rotterdam en Amsterdam. Dat heeft natuurlijk niets met wetenschap te maken.’’

Kersten onderschrijft het feit dat oleïne-vetzuren, die in het vlees uit het artikel voorkomen, gezond zijn. Maar dat betekent volgens hem niet dat de hele hamburger ineens gezond wordt. Behalve dat het voor koeien moeilijk is om deze gezonde vetten aan te maken, vergelijkt hij het ook met een snoepje: “Je kan daar de kleurstof wel uit halen, maar dan blijft er nog steeds genoeg rotzooi over. Eén component in de goede richting veranderen, betekent niet dat een product ineens gezond wordt. Er zijn ook hele andere redenen waarom we ons zorgen maken over het eten van vlees. Zo zijn er bijvoorbeeld onderzoeken die beweren dat rood en bewerkt vlees het risico op kanker verhoogt. Meer of minder oleïne-zuren, dat maakt dan niet veel uit.’’

Hoeveelheid is van belang

Ellen Blaak, hoogleraar Fysiologie van Vetmetabolisme aan de Universiteit van Maastricht, is het met Kersten eens dat de stelling dat hamburgers gezond zijn ‘misleidend’ is. “Ik heb sowieso al een hekel aan het stempel gezond of niet gezond. Alles valt en staat natuurlijk met hoeveelheid. Mijn angst is dat mensen door dit soort berichten denken dat ze maar veel hamburgers moeten gaan eten. Dat de vetsamenstelling van een hamburger zou kunnen veranderen naar meer onverzadigde vetten, waardoor het misschien iets gezonder wordt, neemt niet weg dat je er gewoon echt niet teveel van moet eten. Er is wel uit onderzoek gebleken dat het consumeren van bepaalde vetten gezond is, maar dat geldt alleen als de ‘overall’ consumptie van vetten redelijk matig is. Boven een bepaalde hoeveelheid worden die gunstige effecten helemaal teniet gedaan. Mensen moeten dus niet denken: “Ik kan deze hamburgers wel veel gaan eten, want ze hebben een gunstige vetzuursamenstelling”. Zo werkt het gewoon niet.”

Kritiek

Ook de onderzoeksresultaten zouden met een korreltje zout moeten worden genomen. Zo staat er nergens in het artikel hoeveel koeien er daadwerkelijk zijn onderzocht. Daarnaast probeert Smith zijn argumenten te versterken  door onder andere te verwijzen naar een omstreden onderzoek uit 2010. De auteurs van dat artikel beweren ook dat rundergehakt gezond is en zijn tot deze conclusies gekomen door tien mannen vijf weken lang hamburgers te laten eten. Die steekproef is dusdanig klein dat het onderzoek niet representatief te noemen is.

Daarnaast zijn er meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat koeien die graan gevoerd krijgen een grotere kans hebben op de E. Coli bacterie, wat kan leiden tot griep, maagklachten, hoofd- en spierpijn. Koeien die gras gevoerd krijgen, hebben aanzienlijk minder E. Coli bacteriën in hun systeem, wat het risico op die gezondheidsklachten doet afnemen. Smiths pleidooi om koeien voortaan graan te voeren voor de gezondheid van de mens is dus niet zonder tegengeluid.

Conclusie

Slecht nieuws dus voor de hamburgerfan: om je nu te gaan vergrijpen aan heel veel hamburgers is niet aan te raden. De aanwezigheid en de effecten van oleïne-vetzuren in hamburgers zijn nog steeds goed, maar de daadwerkelijke gezondheidsfactoren ervan zijn verwaarloosbaar. Bovendien heeft Esquire z’n bericht gebaseerd op een onderzoek dat niet volledig onomstreden is. Ons advies: geniet, maar met mate.

Word je geboren als koffieleut?

Friday, November 11th, 2016

door: Gabe Kramer en Misha Melita

‘Koffieleut? Dat ligt aan je genen,’ kopte het AD op 6 september 2016. Dat klinkt niet gek: er wordt immers wel meer bepaald door je genen. De kleur van je haar en ogen en aanleg voor sommige ziekten zitten ook in ons dna. Maar geldt dat ook voor koffie? Nieuwscheck: er is niet één koffiegen, er zijn er meer. Maar hun invloed is beperkt en onzeker.

Het AD was niet het enige medium dat het nieuwtje publiceerde. Ook Nu.nl, de Telegraaf en NRC schreven erover. Het artikel is gebaseerd op een onderzoek waaraan onder andere het Erasmus Medisch Centrum meewerkte. De AD-kop suggereert dat er een verband is gevonden tussen genen en een voorkeur voor koffie. Maar wie het artikel leest, komt er achter dat niet bedoeld wordt dat genen bepalen of iemand koffie lekker vindt, maar hoeveel koffie die persoon drinkt.

De onderzoekers zouden het ‘koffie-dna’ hebben gevonden. Bij aanwezigheid van dit dna breken mensen de giftige stof cafeïne langzaam af, waardoor ze niet snel behoefte krijgen aan een nieuwe kop koffie. Heb je dat gen niet? Dan breek je cafeïne wel snel af, en heb je dus gauw behoefte aan een nieuwe kop.

Het lijkt aannemelijk: je hebt een gen in je dna dat bepaalt hoe snel je na het drinken van koffie zin hebt in meer. Maar is dat verband wel zo eenduidig?

Gen bepaalt koffieconsumptie
Het verband dat de AD-kop suggereert, is in principe niet onwaar, vertelt Najaf Amin van het Erasmus MC: “Op basis van dit onderzoek kun je stellen dat koffiedrinken bepaald wordt door het koffie-gen dat we gevonden hebben.” Maar, geeft ze toe, dat verband is niet geheel eenduidig: “Er zijn natuurlijk ook andere factoren.” Daarmee doelt Amin op externe factoren, zoals cultuur en (werk)omgeving. In de onderzochte groep zijn daarom alle mensen die helemaal geen koffie (met cafeïne) drinken weggelaten. Daarmee is gecorrigeerd voor mensen die het gen wel hebben, maar geen koffie drinken. Maar in de onderzoekspopulatie zitten ook mensen die wél koffiedrinken hoewel dat ze het gen niet hebben. Amin: “Daarvoor is het heel moeilijk corrigeren. Bovendien zou dan de onderzoekspopulatie heel klein worden.” Daarmee zou de betrouwbaarheid van het verband in het geding komen. Het was dus kiezen tussen twee kwaden.

Epigenetica
Genetische verbanden zijn behoorlijk ingewikkelde materie, vertelt Amin. Ook daarom is aanvullend onderzoek nodig. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het gen leeftijdsafhankelijk is, waardoor het zich verschillend gedraagt bij verschillende leeftijden. Amin wijst op het relatief nieuwe onderzoeksgebied van de epigenetica, dat niet alleen de aanwezigheid van genen bestudeert, maar ook of die zich uiten. Uit epigenetische onderzoeken blijkt dat de aanwezigheid van een gen alleen niet bepaalt of iemand bijvoorbeeld koffie drinkt, maar dat externe factoren invloed kunnen hebben op de ‘expressie’ van het gen. Daarmee wordt het verband tussen het ‘koffie-gen’ en koffieconsumptie steeds minder direct en staat het bewijs dat gevonden werd zonder kennis over gedragingen van het gen enigszins op losse schroeven.

Hét koffie-gen bestaat niet
Het onderzoek waaraan Amin meewerkte is niet het eerste dat koffieconsumptie vanuit de genetica wil verklaren. Onder andere Harvard deed dat in 2011. Onderzoekers vonden toen twee genen die in verband konden worden gebracht met koffieconsumptie. Dat blijken echter andere genen te zijn dan in het recente onderzoek waaraan Amin meewerkte.

“Dat kan,” zegt Amin desgevraagd. “Er zijn meerdere genen die meespelen als het gaat om koffieconsumptie.” Het vinden van een gen is dus niet meteen bepalend voor hoeveel koffie iemand drinkt. En er kunnen verschillende combinaties aanwezig zijn tussen genen die wel en genen die niet zorgen voor een snelle afbraak van cafeïne. Dat bevestigt bio-psycholoog Gonneke Willemsen, die vanuit de Vrije Universiteit in Amsterdam meewerkte aan een ander onderzoek naar het verband tussen genen en koffieconsumptie. “Er zijn meerdere genen betrokken bij het proces, die elk kleine effecten hebben. Zo zorgt de ene combinatie van genen ervoor dat iemand sneller misselijk wordt van koffie en een andere set dat iemand in de hersenen snel positieve effecten van koffie ervaart. De combinatie van al deze verschillende genen bepaalt de mate van koffiedrinken.”

Er kan dus eigenlijk niet gesproken worden van hét koffie-gen. Willemsen: “Er is nooit één gen. Dat klinkt mooi natuurlijk, ‘het koffie-gen’, en dat wordt er door de media uitgehaald, maar er zijn altijd een heleboel genen die dat bepalen.” Ook voorspellingen doen op basis van iemands genen is volgens Willemsen ingewikkeld: “Het is niet dat ik een gen meet en denk: die persoon gaat veel koffie drinken.”

Zoals in veel wetenschappelijke studies, roept Amin op tot meer onderzoek. Daarmee sluit ook het onderzoek van Harvard af: “Meer onderzoek naar de precieze functies van deze genen is echter nodig, en het is waarschijnlijk dat er meer ‘cafeïnegenen’ worden geïdentificeerd.” Bovendien, stelt Willemsen, moeten we niet vergeten dat genen niet de enige factor zijn die bepalen of we koffie drinken. “De genen die ontdekt zijn, verklaren maar een klein deel van de individuele verschillen in koffiegebruik, andere factoren zoals simpelweg of koffie standaard wordt geserveerd bij de maaltijd en of koffie duur is, hebben ook een invloed.”

Conclusie
Word je dus geboren met een koffie-gen dat bepaalt of je veel of weinig koffie gaat drinken? Het lijkt er niet op. Het domein van de genetica is behoorlijk ingewikkeld, en een eenduidig verband is niet eenvoudig getrokken. Bovendien zijn er meerdere genen die meespelen in hogere of lagere koffieconsumptie, genen die vooral te maken hebben met de afbraak van cafeïne, waardoor nuance op zijn plaats is. En externe factoren zijn in deze onderzoeken nog niet eens meegenomen. Meldde het AD een onwaarheid? Dat ook niet, want het klopt in principe wel dat er een verband is, maar er spelen ook externe factoren mee waardoor voorspellen op basis van genetische informatie niet mogelijk is.

NU.nl en het Algemeen Dagblad hebben niet gereageerd op onze vragen.

Foto: Lukas Kubicek (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Eten alle Nederlanders te zout? Dat ligt iets genuanceerder

Thursday, November 10th, 2016

Door: Anouk de Bruijn en Jeroen Jonkers

‘Nederlander eet nog altijd te zout’, berichtte Telegraaf.nl op 5 oktober 2016. De bron was een onderzoek van het RIVM over de zoutinname van Nederlanders. Ook Nu.nl, Trouw.nl, rtlnieuws.nl en NOS.nl schreven hierover alsof het alle Nederlanders betrof. Maar  zowel het onderzoek als de berichtgeving erover rammelen. Het onderzoek is weinigzeggend: de steekproef is te klein, de deelnemersgroep niet divers en het verschil tussen mannen en vrouwen wordt genegeerd. Waarom dan wel zoveel aandacht? Het RIVM en de media lijken vooral een gezondheidsprobleem op de maatschappelijke agenda te willen zetten.

Het RIVM onderzoekt de zoutinname van Nederlanders om de gezondheid van de bevolking te peilen. Op basis van een steekproef onder 289 inwoners van Doetinchem, concludeerde het RIVM dat Nederlanders in 2015 net zoveel zout aten als in 2006 en dat deze inname nog steeds hoger is dan de geadviseerde hoeveelheid. Maar zegt deze steekproef iets over heel Nederland?

Volgens hoogleraar epidemiologie Marianne Geleijnse (Wageningen University) niet: ”De steekproef is te klein om iets te zeggen over heel Nederland.” Zij plaatst ook andere kanttekeningen bij de methode van het onderzoek: “Nederlandse steden zijn niet met elkaar te vergelijken. Je kunt uitspraken over Doetinchem niet vertalen naar steden als bijvoorbeeld Leeuwarden of Groningen.” Sterker nog: het onderzoek zegt zelf dat de steekproef niet eens representatief is voor Doetinchem.

Bewuste deelnemers

Naast de grootte van de steekproef, valt ook over de samenstelling wat te zeggen. Deelname was vrijwillig en dit brengt volgens Geleijnse een risico met zich mee: ”Vaak doen dan milieubewuste mensen mee die letten op hun eetgewoontes. Laagopgeleide bewoners doen juist niet mee, omdat zij zich bijvoorbeeld schamen of geen belang zien in deelname. De samenstelling van deelnemers is daardoor niet representatief.”

Epidemioloog en voedingsdeskundige prof. Daan Kromhout (RU Groningen) ziet nog een probleem. Door de uitspraak van het RIVM lijkt het alsof mannen en vrouwen even veel zout eten, maar dat is volgens Kromhout niet het geval. Bij mannen is niets veranderd; bij de vrouwen is sprake van een daling. Maar doordat de steekproef te klein is, is deze daling niet significant. Kromhout meent dat het onderzoek deze daling had kunnen aantonen, als de steekproef groter was geweest.

Overhaaste conclusies

Journalisten lijken niet stil te hebben gestaan bij mogelijke kanttekeningen. Een rondje langs de media die het bericht plaatsten, leert Nieuwscheckers dat ze de artikelen grotendeels hebben overgenomen van het ANP en dat geen van de journalisten het RIVM-onderzoek gelezen heeft. De redacties van Telegraaf, Trouw en NOS gaven hiervoor allemaal dezelfde reden: ze zien ANP en RIVM als betrouwbare bronnen en gaan er dus van uit dat de informatie ‘wel zal kloppen’.

De NOS pakte de berichtgeving iets voorzichtiger aan dan de andere media. De redactie had geen tijd om het onderzoek te lezen, maar klakkeloos overnemen was geen optie. Daarom werd minister Schippers geciteerd als toelichting op het onderzoek, een standaardprocedure van NOS.nl. “Om te voorkomen dat we een onderzoek verkeerd interpreteren, vragen we een deskundige, zoals een minister, om een reactie”, zo lichtte de journalist die het stuk schreef toe (hij wilde niet bij naam genoemd worden). Opvallend is wel dat dit wetenschappelijke onderwerp door de politieke redactie werd behandeld en dat minister Schippers niet de aangewezen persoon is om epidemiologisch onderzoek te beoordelen.

Politieke agenda

Hoewel het RIVM-onderzoek dus geen uitspraak over Nederland kan doen, schrijven de media dit wel. Marieke Hendriksen, hoofdauteur van het RIVM-onderzoek, vindt dit geen probleem. Zij verwacht namelijk dat de zoutinname in Doetinchem niet afwijkt van die in de rest van Nederland: ”Hoewel de steekproef te klein is, verwacht ik dat het in Doetinchem niet anders is dan ergens anders. De berichten in de media zijn niet helemaal correct, maar dat is niet erg. De zoutinname in Nederland is nog steeds te hoog.”

Het lijkt er op dat het onderzoek een hoger doel dient dan enkel berichten over de zoutinname van Nederlanders. Het RIVM en de media gebruiken de resultaten als kapstok voor een opvoedende boodschap: eet minder zout. Dat de resultaten van het onderzoek deze boodschap niet direct ondersteunen, lijkt van ondergeschikt belang.

Dr. Willem Koetsenruijter, docent Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden en auteur van het boek Cijfers in het nieuws, begrijpt de bedoelingen van het RIVM. ”De conclusies van het onderzoek kloppen eigenlijk niet, maar voor het doel van het RIVM zijn kloppende cijfers misschien minder belangrijk”, aldus Koetsenruijter.

Opvoedende boodschap belangrijker dan kloppende resultaten

Nieuwscheckers concludeert dat de interpretaties van de media niet overeenkomen met de resultaten van het RIVM-onderzoek. Hoewel deze resultaten het niet toelaten een uitspraak te doen over alle Nederlanders, doen de media dit wel. Het RIVM vindt dit niet erg, omdat het de zoutinname als probleem ziet en daarom wil dat het onder de aandacht komt. Als de media hadden gevraagd om een second opinion, had dat de berichtgeving accurater gemaakt.

Foto: René Gademann (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Gewicht niet altijd laagst in oktober

Friday, November 4th, 2016

door: Dominique Hofman en Martijn Kousen

In oktober wegen we het minst. Althans dat zeggen Het Laatste Nieuws, het AD en Metro. Omdat we in de zomer getraind hebben voor een strak lichaam en nog niet toe zijn aan het winterse lekkers zoals warme chocomel, vertaalt dat zich in minder kilo’s op de weegschaal.  Nieuwscheckers consulteerde voedingswetenschappers en concludeert: ja, voor en na de feestdagen wegen we meer, maar dat we in oktober het minst wegen staat niet vast. En de beweringen over die strakke beach body en chocomel komen voor rekening van de journalisten: het onderzoek zegt er niets over.

Het nieuws is gebaseerd op een onderzoek van Cornell University. De onderzoekers hielden het gewicht van bijna 3000 mensen uit de Verenigde Staten, Duitsland en Japan een jaar lang nauwlettend in de gaten. Daarbij keken ze onder andere naar het gewichtspatroon rond de belangrijke feestdagen van elk land: Thanksgiving in Amerika, Kerstmis in Duitsland en de Gouden Week in Japan. Tijdens en na deze feestdagen, waarbij veel gegeten wordt, was een duidelijke stijging in gewicht te zien. De conclusie luidt dat deze stijging vlak na de feestdagen ontstaat en in de helft van de gevallen aanhoudt tot of zelfs na de zomer.

Toevalsdeukje

De conclusie lijkt solide en misschien wel ietwat aan de voorspelbare kant, zo meent ook Martijn Katan, emeritus hoogleraar in de voedingsleer aan de Vrije Universiteit: “Het verhaal dat Amerikanen in oktober het lichtst zijn en Duitsers in september is niet onderbouwd, dat kan net zo goed een toevalsdeukje in de gewichtscurve zijn.” Hij ziet er eerder een PR-trucje van de onderzoekers in, om zo in het nieuws te komen. “Dat moeten wetenschappers tegenwoordig, helaas.” Katan legt de schuld niet bij de media.

Liesbeth Smit, voedingswetenschapper, heeft weinig kritiek op het onderzoek zelf: “Het is een simpel onderzoek. Het lijkt ook heel logisch.” Wel zet ze vraagtekens bij de proefpersonen: “Drieduizend participanten is waarschijnlijk genoeg om een trend te zien, maar ze zeggen niet wie de participanten zijn. Zijn ze random gekozen? Zijn het specifieke mensen?”

Belangenconflict

Smit vindt het ook raar dat er zo weinig bekend is over de proefpersonen. Enkel de gemiddelde leeftijd, het percentage participanten met overgewicht en de verdeling in geslacht zijn naar buiten gebracht. Zo is de gemiddelde leeftijd per land 42 jaar en is de minderheid van de participanten vrouw. Smit denkt dat de onderzoekers hun participanten niet willekeurig gekozen hebben: ”Als je een random steekproef doet, zou het in principe ongeveer 50 procent vrouw moeten zijn. De onderzoekers zouden kunnen aandragen dat  de participanten niet willekeurig zijn geweest.”

De data, ontdekt Nieuwscheckers, zijn geleverd door draadlozeweegschalenverkoper Withings, die ook een van de drie onderzoekers betaalde – een belangenconflict dat AD en Metro niet vermelden.

Over de uitkomst zegt Smit dat het enige dat significant is, dat de participanten meer wegen tien dagen na een feestdag dan tien dagen voor een feestdag. Ze vindt dit een logische verklaring. Mensen eten meer tijdens de feestdagen en komen daardoor aan. Dat mensen in oktober het minst wegen is niet significant vastgesteld, zegt Smit. Ofwel, het was nooit de bedoeling van de onderzoekers om dit gegeven specifiek te onderzoeken en daarbij oorzaken te ontdekken. Dat de participanten het minst wogen in oktober, zagen de onderzoekers misschien achteraf aan hand van de grafiek waarin het gewichtspatroon te zien is, meent Smit.

Nattevingerwerk

Hans van Trijp, hoogleraar in consumentengedrag aan de Universiteit van Wageningen, vindt de twee zelfbedachte redenen van het AD, HLN.be en Metro voor de gewichtsafname in oktober niet getuigen van goede journalistiek. De eerste reden is dat we na de zomer nog een strak ‘bikinilijf’ hebben, de tweede dat we in oktober nog geen zin hebben in warme chocomel met slagroom. Van Trijp: ”Je kan van gekkigheid alles verzinnen. Als je het echt wil weten, moet je gewoon goed onderzoek doen.”

Van Trijp vindt bovendien dat journalisten in hun berichtgeving bij de daadwerkelijke resultaten van een onderzoek moeten blijven: ”Maar dat is soms een beetje saai. Die journalisten moeten ook hun boterham verdienen, toch?” Smit noemt het vooral ”slechte journalistiek”: “Nou, ik zie die redenen niet in het onderzoek staan. Dat zou ook niet heel erg wetenschappelijk zijn. Dat is allemaal verzonnen door journalisten. Het is nattevingerwerk.”

Ook over de reden dat mensen in oktober nog een strak lichaam hebben door meer te sporten in de zomer, is Smit bijzonder kritisch. Als je door het trainen meer spiermassa aanmaakt, is dat immers zwaarder dan vetmassa. Hierdoor zou je in oktober misschien wel meer kunnen wegen dan tijdens de zomermaanden, zegt de voedingswetenschapper. Metro meldt tevens dat mensen in oktober sowieso minder eten dan tijdens andere periodes van het jaar. Smit: ”Daar moet je heel kritisch over zijn, want het kan zijn dat mensen dan wel meer sporten.”

Brian Wansink, een van de onderzoekers, reageert tegenover Nieuwscheckers: “De media verzinnen graag hun eigen redenen waarom dit [mensen wegen het minst in oktober] gebeurt.” Ook stelt Wansink dat hij zijn collega’s niet hebben getracht redenen te ontdekken: “We wisten alleen hoeveel ze wogen, wanneer ze zich wogen en uit welk land ze kwamen.”

Reactie AD

Mark Langeslag, nieuwschef van AD.nl, laat weten: “Wij hebben een redactionele samenwerking met onze Persgroep-zusterkrant Het Laatste Nieuws in Vlaanderen waarmee we artikelen uitwisselen. Daar is dit artikel geschreven.” Het Laatste Nieuws en Metro hebben niet gereageerd op een verzoek om commentaar.

Conclusie

Het is al met al een simpel en logisch onderzoek. Na de feestdagen wegen we meer, daar is geen speld tussen te krijgen. Maar concluderen dat we in oktober het minst wegen is niet onderbouwd. Het kan een toevalsdeukje zijn in de curve, meent Katan. Volgens Smit en Van Trijp is het vooral slechte journalistiek. Er kan volgens hen niets anders worden gezegd dan dat de weegschaal na de feestdagen een paar (kilo)gram meer aangeeft. Dus juich niet te vroeg en stap ook in oktober op de weegschaal.

Poepbacterie: Wakker Dier profiteert van onoplettende journalisten

Wednesday, October 8th, 2014

door: Jennie Barbier en Frances Vermeeren

‘Barbecuevlees wemelt van de poepbacterie’

Barbecuevlees wemelt van de poepbacterie’. Deze onsmakelijke kop prijkte boven een nieuwsartikel van 16 september. Het bericht stelt dat barbecuevlees uit supermarkten “veelal niet diervriendelijk, besmet met schadelijke bacteriën en soms zelfs bijna bedorven” is.  Er zouden “veel besmettingen met bacteriën” zijn aangetroffen, waaronder E. coli, beter bekend als de ‘poepbacterie’. Dat was althans de conclusie uit een onderzoek van Wakker Dier. Het klinkt ernstig, maar uit nader onderzoek van Nieuwscheckers blijkt het wel mee te vallen.

Het bericht, afkomstig van het ANP, was te vinden op alle grote online nieuwsmedia, waaronder de Volkskrant, Metronieuws, Trouw, Telegraaf en NU.nl. Het AD maakte het nog bonter: het dagblad kopte in de krant ‘Spontane abortus van besmet barbecuevlees’. In een van de vleesproducten was namelijk listeria aangetroffen, een bacterie die vooral gevaarlijk kan zijn voor zwangere vrouwen.

In de originele ANP-kop ontbrak de poepbacterie. Het persbureau koos voor het minder sensationele: ‘Barbecuevlees dieronvriendelijk en besmet’. Het bericht is gebaseerd op een persbericht van Wakker Dier. De kop lijkt rechtstreeks te zijn overgenomen van dat persbericht: ‘BBQ-vlees: dieronvriendelijk en besmet’.

Die conclusie is gebaseerd op twee onderzoeken in opdracht van Wakker Dier: naar welzijnskeurmerken op barbecuevlees en naar de voedselveiligheid daarvan. Het eerste onderzoek zou aantonen dat het barbecuevlees niet diervriendelijk is, het tweede dat het wemelt van de ziekmakende bacteriën en vaak bijna bedorven is. Dat eerste geloven we wel, maar het tweede onderzoek verdient het om eens goed tegen het licht gehouden te worden.

Onderzoeksmethode

In het ANP-bericht staat dat Wakker Dier voor dit onderzoek “ruim 1000 vleesproducten in acht verschillende supermarkten” heeft gekocht. Dit is niet correct. In verschillende supermarkten zijn ter plaatse 1.038 vleesproducten (waarvan 109 speciaal voor de barbecue) onderzocht op een keurmerk dat aangeeft hoe diervriendelijk het product is. Het onderzoek naar (schadelijke) bacteriën en sporen van bederf beperkte zich tot een steekproef van slechts 11 barbecueproducten, allemaal afkomstig uit dezelfde supermarkt. Niet erg representatief dus.

Een onafhankelijk gecertificeerd monsternamebedrijf kocht de vleesproducten, die vervolgens zijn onderzocht door geaccrediteerd laboratorium Eurofins. “Wij hebben instructies gegeven wat ze moesten onderzoeken, maar verder hebben we het helemaal uit handen gegeven”, aldus Wakker Dier-campagneleider Sjoerd van der Wouw. De onderzoekers presenteerden de resultaten vervolgens aan de dierenwelzijnsorganisatie, die op basis daarvan het onderzoeksrapport schreef.

Dat het ANP-bericht de onderzoeksmethode onjuist weergaf, had Van der Wouw gezien, maar hij vond dat niet relevant genoeg om te corrigeren: “Het is nu ook al verspreid, dus er zijn ook niet veel mogelijkheden om het nog aan te passen.” Bovendien klopte volgens hem de strekking van bericht wel, namelijk dat barbecuevlees ‘dieronvriendelijk en besmet’ is.

Bedorven

Het persbericht van Wakker Dier stelt dat een deel van het vlees bijna bedorven was. Maar uit het onderzoeksrapport blijkt het “niet helemaal eenduidig waar de grens ligt voor wanneer voedsel bedorven is.” Om een indicatie te geven van de algemeen aangenomen grenzen van bederf worden verschillende bronnen aangehaald, zoals Scienta Nova (adviesbureau voor de voedingsmiddelenindustrie), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Wageningen Universiteit, handboeken over microbiologie en de Consumentenbond.

“Belangrijk hierbij is op te merken”, staat in het rapport, “dat een overschrijding van deze grenswaarden niet betekent dat er direct een gevaar is voor de voedselveiligheid, maar wel dat de voedselkwaliteit in het geding is.” Een belangrijke nuance, die we niet terugvinden in het persbericht, noch in het ANP-bericht. Wakker Dier stelt vervolgens dat de grenzen die de aangehaalde bronnen noemen bij drie van de 11 onderzochte vleesproducten wel werden overschreden, maar dat er inderdaad geen sprake is van wetsovertreding. Dat het vlees bijna bedorven was, is dus discutabel.

‘Poepbacterie’

En de poepbacterie dan? Het gaat om de E. coli-bacterie die voorkomt in de dikke darm van zoogdieren. De E. coli-bacterie wordt volgens talloze onderzoeken en berichten zo’n beetje overal aangetroffen: op je kleding, handtastelefoon en zelfs op je tandenborstel. Steevast wordt de bacterie dan aangeduid als ‘poepbacterie’.

Het ANP noemt E. coli een ‘potentieel schadelijke bacterie’, maar dat wekt niet helemaal de juiste indruk. In principe is E. coli namelijk een goedaardige bacterie: de meeste varianten zijn onschuldig. Wakker Dier erkent in het onderzoeksrapport dat de schadelijke E. coli-varianten niet in het onderzochte vlees zijn aangetroffen.

Daarnaast geeft Wakker Dier toe dat volgens de wet de E. coli-bacterie gewoon in vleeswaren mag zitten. Alleen de ziekmakende variant wordt beboet. Onafhankelijk voedselveiligheidsspecialist IJsbrand Velzeboer van Scienta Nova bevestigt dit. “De schadelijke variant kan zorgen voor nierschade tot totale nieruitval. Als deze variant in je vlees zit krijg je een boete van de NVWA. Dat wordt ook gehandhaafd.”

ESBL’s, campylobacter en listeria

Verder werden op iets minder dan de helft van het namens Wakker Dier onderzochte kippenvlees ESBL’s en campylobacter aangetroffen, een potentiële bron van voedselinfecties. Maar volgens de NWVA is ook dat gewoon toegestaan. De voedselautoriteit legt de nadruk op het hygiënisch bereiden en goed verhitten van kippenvlees, wat vrijwel alle ziekmakers doodt.

De ‘spontane abortus’ veroorzakende listeria-bacterie, die bij zwangere vrouwen inderdaad een miskraam of vroeggeboorte kan veroorzaken, werd éénmaal aangetroffen, op een kipsaucijs, maar wederom niet in een concentratie die de EU-hygiënerichtlijn overschrijdt.

Kritiek sneuvelt in eindredactie

De auteur van het ‘spontane abortus’-bericht in het AD laat Nieuwscheckers weten dat hij niet blij was met de kop boven zijn stuk en überhaupt met de wijze waarop het is geredigeerd. In het originele stuk was de nodige kritiek op het onderzoek wel verwerkt, maar dat is gesneuveld in de eindredactie.

De ANP-journalist was niet bereikbaar voor commentaar. Het is in ieder geval duidelijk dat zij het onderzoeksrapport van Wakker Dier niet goed heeft gelezen en ook niet heeft gecheckt of wat beweert wordt wel klopt. De onjuiste en misleidende informatie in het bericht ging vervolgens een eigen leven leiden, zo blijkt uit de grootschalig overgenomen kop ‘Barbecuevlees wemelt van de poepbacterie’.

Wakker Dier was in ieder geval tevreden met de media-aandacht: “Ons beleid is dat zonder mediadruk niets verandert.”

Sporten voor ontbijt beter tegen vet? Wacht op het echte onderzoek

Monday, December 10th, 2012

door: Wendy Dallinga en Ismay Gossen

‘Afvallen? Sport voor het ontbijt.’ Het katern VROUW op Telegraaf.nl geeft de tips en feiten: ‘met een nuchtere maag naar de sportschool’. Ook Gezondheidsnet.nl, AD.nl, Nu.nl en andere nieuwssites brengen ‘sporten voor het ontbijt’ als dé oplossing voor vetverbranding. Het is immers onderzocht door professionals van de Universiteit van Glasgow en die kunnen het weten.

Hoofdonderzoeker was doctor Jason Gill van het cardiovasculaire en medische instituut van de Universiteit van Glasgow. Hij doet onderzoek naar alles rondom diabetes type 2 en lichaamsbeweging, dieet, energiebalans en obesitas. Dit jaar onderzocht hij samen met zijn collega Farah manieren van vetverbranding. Hiervoor vroeg hij tien mannen met overgewicht drie keer naar de universiteit te komen om tests te ondergaan. De eerste keer bewogen de mannen niet, de tweede keer kwamen de heren ontbijten, waarna ze een uur gingen wandelen, en de daaropvolgende keer wandelden ze voorafgaand aan het ontbijt. Het resultaat, gepubliceerd in het British Journal of Nutrition: ‘The present findings suggest that there may be an advantage for body fat regulation and lipid metabolism in exercising before compared with after breakfast.’

Gezondheidsnet, de bron voor de berichten op ad.nl en nu.nl, laat de proefpersonen per abuis twee maal dezelfde opdracht uitvoeren: ‘De tweede keer maakten ze voor het ontbijt een stevige wandeling van een uur. Het derde bezoek bestond uit een flinke wandeling, gevolgd door ontbijt.’ (‘Sporten voor ontbijt stimuleert vetverbranding’, 30 oktober) Redactrice Jolanda Niemantsverdriet: ‘Het klopt dat er een foutje is ingeslopen. Mijn collega’s en ik hebben over het hoofd gezien dat het tweede onderzoek bestond uit een wandeling van een uur ná het ontbijt.’ Het foutje is inmiddels hersteld.

Voorlopig

Maar er is meer mis met het nieuws: het onderzoek is te voorlopig om adviezen aan te ontlenen. Gill en collegae plaatsen zelf de kanttekening: ‘However, further study is needed to determine whether the present findings extend over the long term under free-living conditions.’ Uit extra onderzoek zou bijvoorbeeld moeten blijken of we niet veel meer gaan eten als we voor het ontbijten gaan trainen. Dit is ook een vraag die Nathalie Masurel, voedingsspecialiste van Dianet Dialysecentra, stelt: ‘Als je te lang wacht met eten, heb je daarna over het algemeen een onstilbare trek. Grotere kans dus dat je na het sporten op lege maag meer gaat eten.’ In Gills onderzoek werd gelet op de kortetermijnreacties van één dag en geen rekening gehouden met de voedinginname van de dag ervoor. Andere effecten op langere termijn kunnen daarom niet worden uitgesloten.

Verschil man en vrouw

Dit is echter niet het enige waar onderzoek naar gedaan moet worden. Hoewel De Telegraaf – in een bericht dat inmiddels is verwijderd – schrijft dat ‘vrouwen die graag snel wat extra pondjes kwijt willen raken, beter voor het ontbijt kunnen gaan sporten dan na het ontbijt’,  is het onderzoek tot nu toe slechts gericht geweest op mannen met overgewicht. En onderzoeker Gill geeft in een mail aan Nieuwscheckers aan dat hij niet zeker weet of deze exacte resultaten ook voor vrouwen zullen gelden. ‘Er zijn een aantal verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft de vetverbranding tijdens en na het trainen. Vrouwen verbranden meer vet tijdens het sporten dan mannen, maar minder erna. Dus we kunnen niet 100 procent zeker zijn dat de bevindingen hetzelfde zullen zijn voor beide seksen.’

Geen dikke buik

Hoewel de proefpersonen allemaal mannen waren met overgewicht, verwacht Gill dat een herhaling met mannen van normaal gewicht hetzelfde resultaat zal opleveren. Professor Hanno Pijl, onderzoeker diabetologie en overgewicht aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) is het hier niet mee eens: ‘Er kunnen nog geen uitspraken gedaan worden over mensen zonder overgewicht. Zij zitten qua stofwisseling anders in elkaar dan zwaarlijvige personen.’

Pijl vindt de artikelen van Telegraaf.nl en Gezondheidsnet.nl misleidend: ‘Het is een goed onderzoek, maar het is te beperkt om op basis van dit onderzoek te zeggen dat we moeten gaan sporten voor het ontbijt.’ Een site met de naam ‘Gezondheidsnet.nl’ zou zo’n onderzoek meer in context moeten plaatsen, vindt Pijl: ‘Dan informeer je de mensen op een nette manier.’

Ook volgens Gill zelf hebben de media een scheef beeld gegeven van zijn onderzoek: ‘Eigenlijk is het belangrijkste aspect van ons onderzoek dat het grootste verschil bestaat tussen niet en wel trainen, in plaats van tussen eten voor of na de training. Dus als je eerst een boterham wil eten voordat je aan de wandel gaat, go ahead.’

Reactie Gezondheidsnet

Wisten de journalisten hoe voorlopig het onderzoek was waarover zij schreven? Over de artikelen van nieuwssites als AD.nl en Nu.nl kunnen we volgens Jolanda Niemantsverdriet van Gezondheidsnet.nl kort zijn: ‘Wij hebben een samenwerkingsovereenkomst met deze websites. Zij mogen artikelen van ons overnemen.’

Waarom dan dit onderzoek naar effecten van één dag bij tien proefpersonen?  ‘Bij de nieuwsselectie kijken wij naar actualiteit, draagwijdte en betrouwbaarheid. Een klein aantal proefpersonen maakt een onderzoek nog niet onbetrouwbaar, maar we kunnen het resultaat niet generaliseren naar de gehele populatie. Maar schrijven over vooronderzoeken doen wij zeer regelmatig, omdat we deze ook nieuwswaardig vinden.’

Consumentenbond misbruikt stigmatiserend ‘broodje poep’

Friday, November 23rd, 2012

door: Vincent Frequin en Rosa Marijnen

Mensen met een verminderde weerstand kunnen maar beter geen broodjes döner kebab eten,waarschuwde de Consumentenbond op 26 oktober. Meer dan de helft van de onderzochte broodjes zit vol met bacteriën en op 5 van de 49 zat zelfs een ‘poepbacterie’. Maar zo bijzonder en gevaarlijk is die bacterie helemaal niet. Met het döneronderzoek wil de Consumentenbond ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onder druk zetten om inspectie-gegevens openbaar te maken. Maar het rapport van de bond zelf mag Nieuwscheckers niet zien. “Onze eigen testmethodes maken wij niet openbaar.”

Het onderzoek van de Consumentenbond bestrijkt 49 kebabzaken in vijf grote steden in Nederland. 27 van de 49 broodjes werden door de bond bestempeld als ‘te vol’ met bacteriën. Daarbij benadrukt de Consumentenbond dat op vijf broodjes de darmbacterie Escherichia coli (E. coli) werd aangetroffen.

Media smullen van poepbacterie

Vrijwel alle nationale media schrijven dezelfde dag nog over het onderzoek. Waar de Volkskrant nog redelijk trouw blijft aan het persbericht (‘Helft broodjes döner kebab volgens Consumentenbond vol bacteriën’), dikt Sp!ts het nieuws een beetje aan (‘Döner kebab stikt van de bacteriën’). De Telegraaf spant de kroon met de kop ‘Broodje kebab vaak broodje poep’. Zelfs het Jeugdjournaal besloot niet zo ver te gaan, zo meldt eindredacteur Joris Marseille op Twitter.

Robbert Ophorst, de internetredacteur van De Telegraaf die het bewuste artikel heeft geschreven, reageert: “Ik kon hem niet weerstaan. E. coli is natuurlijk niet letterlijk poep, maar ja: een kop wil je toch een beetje vettig en prikkelend aanzetten. Een kop over het aantal bacteriën zou wellicht feitelijker zijn geweest, maar in dit geval beleefde ik te veel plezier aan de poep-analogie.”

Ook de rest van de media volgt het persbericht en schrijft over de poepbacterie en de grote risico’s voor zwakkeren. Google indexeert maar liefst 571 resultaten (van traditionele nieuwsmedia tot blogs en tweets) die melding maken van deze vieze vondst in broodjes kebab.

Zwartmakerij van gehele sector

Kebabproducenten organiseerden op 5 november een bijeenkomst om de aantijgingen te bestrijden. Abdurrahman Akbulut (Helal Food) heeft niets tegen het onderzoek van de Consumentenbond, maar werd kwaad omdat de media te veel de nadruk legden op het negatieve. Faruk Halici (Jilpaq Holding): “Wij kebabproducenten zijn tegen de overdreven generalisatie die de Nederlandse pers maakt, wij verzetten ons tegen de zwartmakerij van de volledige kebabindustrie. Het is niet fair om een sector, waar jaarlijks vijftig miljoen euro in wordt omgezet, over dezelfde kam te scheren. Uit drie à vijf slechte voorbeelden de conclusie trekken dat alle gevallen zo zijn, is onlogisch en onbegrijpelijk.”

“Onderzoek is uit de context geplukt, met een enorme beschuldiging eronder”
Hoe gevaarlijk is die ‘poepbacterie’ nu eigenlijk? Escherichia coli is een goedaardige darmbacterie die bij alle mensen voorkomt. In bijzondere gevallen kan hij ziektes veroorzaken: volgens het RIVM is e. coli jaarlijks de oorzaak van 625 tot 1125 voedselinfecties. Maar deze nuancering maakt de Consumentenbond niet.

Ivan Wolffers, bijzonder hoogleraar Gezondheidszorg en Cultuur aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, vindt de ophef rondom de bacterie enorm overdreven. “Het klinkt onfris, maar in het echt valt het mee. Hier wordt niemand ziek van, die bacterie hebben we allemaal. Zwakkeren kunnen altijd wel iets oplopen omdat zij nu eenmaal minder weerstand hebben.” De hoogleraar stelt vooral dat het onderzoek aan context mist: “Dit onderzoek is gedaan op basis van een vooraf gegeven stelling dat deze bacteriën er niet in mogen zitten, terwijl ze zich ook op toetsenborden, deurklinken en bankbiljetten bevinden. De belangrijkste vraag is dan ook niet welke bacteriën er in een broodje kebab zitten, maar welke bacteriën er absoluut niet in zouden mogen zitten. Als er bijvoorbeeld salmonella was aangetroffen, was het een heel ander verhaal.”

Het is een algemeen waanbeeld dat er vreselijke ziektemakers op zo’n Turks broodje kunnen zitten, vindt Wolffers: “We hebben een rare fobie ten opzichte van dergelijk voedsel, dat maakt dat onze perceptie een graadje gespannener is om iets te ontdekken. Ik wil niet zeggen dat het een tendentieus onderzoek is, maar ik zou hierom graag een breder onderzoek gezien hebben.” Hij oppert dat er naast broodjes kebab ook broodjes gezond onderzocht hadden kunnen worden, iets dat men van nature wellicht meer vertrouwt, maar waar evengoed deze bacteriën op zitten. Ook laakt de hoogleraar het feit dat het aantal bacteriën niet gekwantificeerd wordt en dat er nu enkel geroepen wordt dat de broodjes ‘vol zitten met’.

Sensatie

Volgens Wolffers zijn zowel de bond als de media zelf schuldig aan de overdrijving rondom het onderzoek. Om media-aandacht te genereren leggen onderzoekers te vaak de nadruk op het sensationele aspect, maar journalisten moeten op hun beurt weer wat kritischer zijn. Het artikel van De Telegraaf vindt Wolffers dan ook getuigen van slechte smaak en hij is van mening dat dit soort berichtgeving niemand helpt.

De Telegraaf-journalist zelf, Robbert Ophorst, vindt dat het aan de lezer is om bij het lezen van een dergelijk nieuwsbericht de betrouwbaarheid van de Consumentenbond te wegen: “In het verleden hebben ze wel een paar pijnlijke missers gehad, waaronder hun onderzoek naar printercartridges, maar dit was een dusdanig opvallend bericht met de juiste mix van luchtigheid, herkenbaarheid en aansprekendheid dat alle media het onmiddellijk oppikken.” Omdat op de bewuste vrijdagochtend drie media het nieuws publiceerden (AD, ANP en de Consumentenbond) vond Ophorst het niet nodig om het bericht te checken bij de bond of bij een externe deskundige om meer context te bieden.

Lobby tegen NVWA

Het grote verhaal achter het kebabonderzoek, vertelt woordvoerder Babs van der Staak, is dat de Consumentenbond wil benadrukken dat de Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) haar gegevens openbaar moet maken over onhygiënische horecagelegenheden.  De bond wil al jaren dat consumenten precies weten waar ze aan toe zijn als ze ergens eten. Zelf weigert de Consumentenbond echter haar eigen onderzoeksgegevens vrij te geven: “Onze eigen testmethodes maken wij niet openbaar.” De bond publiceert een persbericht waarin staat dat de helft van alle broodjes vol zit met bacteriën, maar Van der Staak reageert met de mededeling dat het niet de taak van de bond is om te melden om hoeveel en welke bacteriën het hier gaat. Dit zou de NVWA juist moeten doen.

Conclusie

Hoewel de Consumentenbond aangeeft vaker dergelijk onderzoek te doen, lijkt de uitkomst van de dönertest haar erg goed uit te komen. Om nogmaals te benadrukken dat de NVWA-gegevens openbaar moeten worden gemaakt, scoort de bond met nieuws over ‘poepbacteriën’ in een sector die toch al niet door iedereen vertrouwd wordt. Doordat context en nuancering ontbreken, worden consumenten onterecht bang gemaakt. Kebabzaken lijden onder de generalisatie door de bond en de media. Iedereen kan gerust een broodje kebab eten, de poepbacterie is namelijk ongevaarlijk. Het klinkt onfris, dat wel. Maar daar proef je niks van.

Horrorfilms: de nieuwe afslanktip?

Wednesday, November 21st, 2012

door: Willem de Gelder en Kim-Lan Jong Baw

Van kijken naar horrorfilms kun je afslanken. Dat maakte de Engelse universiteit van Westminster bekend op 28 oktober. Horrorfilms zijn eng, dus het lichaam maakt adrenaline aan. Dit vermindert de eetlust en leidt tot afvallen, aldus hoofdonderzoeker Richard Mackenzie. The Shining zou zo’n 184 calorieën schelen. Wie echter verder leest dan de kop, komt te weten dat er in het onderzoek slechts tien proefpersonen waren die tien films keken. En 184 calorieën, die zitten er met één bolletje kaas weer aan.

Op 29 oktober namen verschillende Nederlandse media, o.a. NOS en Elsevier, het persbericht over het onderzoek over van het ANP. Uit het onderzoek bleek dat de tien proefpersonen gemiddeld 113 calorieën verbrandden tijdens anderhalf uur horror. De onderzoekers hebben onder meer gekeken naar de hartslag en zuurstofopname van de proefpersonen. Richard Mackenzie: “Bij het bekijken van alle tien de films gingen de harten van onze tien proefpersonen sneller kloppen. Als dat gebeurt, wordt het bloed sneller door het lichaam gepompt waardoor het lichaam een adrenalinestoot ervaart.” Geen slecht resultaat voor online videotheek LOVEFiLM, de opdrachtgever van het onderzoek.

Onvindbare bronnen
De website van NOS en andere media verwijzen naar het ANP als bron. Maar daar blijkt het nieuwsbericht onvindbaar. “Ik kan me zeker herinneren dat we dit bericht gepubliceerd hebben, maar ik kan het niet meer vinden,” aldus een medewerker. Een virus is de oorzaak, zo wordt gegokt. Ook het Engelse onderzoek zelf bleek niet te pakken te krijgen. Zowel de onderzoeker zelf als de universiteit van Westminster als opdrachtgever LOVEFiLM waren niet bereid het onderzoek vrij te geven of reageerden niet op ons verzoek. LOVEFiLM heeft echter zelf ook een persbericht gepubliceerd over het onderzoek en heeft ons dit opgestuurd. Hier zijn we dan ook mee aan de slag gegaan.

Deskundigen aan het woord
Dr. Jaap Fogteloo, internist bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), heeft verschillende artikelen gepubliceerd over overgewicht en gewichtsverlies. Volgens hem zijn de conclusies van dit onderzoek niet zo eenvoudig als de onderzoekers doen geloven. “Er zijn heel weinig goede data over relaties tussen psychisch-lichamelijke angst en energiegebruik omdat energiegebruik bij mensen gewoon heel moeilijk te meten is.”

Ook dr. Aart Velthuijsen van de Universiteit van Amsterdam, specialist in invloed van media op het menselijk lichaam, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. “Ze lieten tien mensen kijken naar tien horrorfilms. Dit zijn wel erg weinig proefpersonen om individuele verschillen tussen mensen via statistiek te controleren.” Daarnaast maakt de onderzoeker volgens Velthuijsen een cruciale fout: hij gooit stress en angst op één hoop. “Natuurlijk kun je een film of scène wel eng vinden, maar daar ga je heus geen adrenaline van aanmaken.” En dat is nu juist de redenering van dit onderzoek: door de aanmaak van adrenaline als gevolg van stress zou je afvallen.

113 calorieën voor anderhalf uur, zo indrukwekkend is dat verder niet. Met één bolletje kaas (188 kcal) zit The Shining er al weer ruimschoots aan, meldt het Voedingscentrum. Met een flinke zak popcorn maak je nog bonter: met een zak van 80 gram werk je meer dan 300 calorieën naar binnen. Daarnaast verbrandt het gemiddeld menselijk lichaam al zo’n 100 calorieën door anderhalf uur rechtop te zitten, schrijft The Telegraph in een kritisch commentaar. Het effect van de film is dus nog kleiner dan wordt voorgesteld.

Conclusie
Methode en conclusies van het horrordieetonderzoek zijn discutabel. De resultaten zijn niet representatief, de gesuggereerde verbanden niet overtuigend. Helaas voor de luie types onder ons, het is erg onwaarschijnlijk dat je 184 calorieën verliest van een avondje griezelen met The Shining. “Bovendien,” zegt Velthuijsen, “als men naar horrorfilms kijkt en daardoor stress ondervindt, gaan mensen juist vaak proberen dit ‘weg te eten’. Ik zou dus het tegenovergestelde voorspellen.”

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes