medisch

Koffiedrinken helpt tegen baarmoederkanker?

Friday, October 11th, 2013

door: Kelly van Alphen en Liza Karsemeijer

Rendy/flickr.com

“Koffie helpt tegen baarmoeder-kanker”, kopt Metro op 11 september. Metro is veel zekerder over het effect van koffie dan andere berichten over hetzelfde onderzoek, bijvoorbeeld bij Hart van Nederland en de BBC, en dan het persbericht van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds. Volgens experts op het gebied van voeding en kanker is de kop te stellig en is het nog te vroeg voor advies aan de bevolking.

De beschermende werking van koffie komt naar voren in een rapport (Endometrial Cancer 2013 Report) van het World Cancer Research Fund (WCRF) dat ook die dag werd gepubliceerd. Metroredacteur Marieke van der Voort heeft gesproken met Germund Daal, communicatiemanager van de stichting. Deze noemt het onderzoek in het artikel “mogelijk baanbrekend”. In het rapport van het WCRF lezen we dat ‘overtuigend’ bewijs is gevonden dat overgewicht de kans op baarmoederkanker vergroot. Van het beschermende effect van koffiedrinken is slechts een ‘waarschijnlijk’ bewijs gevonden. Toch is de uitkomst sterk genoeg om uitspraken te kunnen doen, aldus  Daal: “We gebruiken deze aanduidingen beide om aan te geven dat er sprake is van een sterk verband. We kunnen nog geen aanbevelingen doen over hoeveelheden en er moet nog onderzoek gedaan worden naar biologische mechanismen bij dit verband.”

Nieuwscheckers sprak dr. Martijn Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer aan de VU. Volgens hem is het effect van koffie niet groot en staat er zelfs niet vast dat er een effect is. “Dergelijke zwakke effecten in epidemiologisch onderzoek blijken achteraf vaak niet causaal te zijn. Ik vind het dus te optimistisch om te concluderen dat koffie ‘waarschijnlijk’ het risico op baarmoederkanker verlaagt”, stelt Katan. Anderzijds geeft hij aan dat het effect in allerlei landen en bevolkingen wordt gevonden en dat er geen andere, voor de hand liggende verklaring is waarom koffiedrinksters minder snel baarmoederkanker krijgen. Toch vindt hij het te vroeg voor adviezen aan de bevolking. Ook dr. Janneke Hogervorst, post-doctoraal onderzoeker aan de medische faculteit van de Universiteit Maastricht, vindt de Metro-kop te stellig. “Ik vind het jammer dat krantenredacteurs niet om kunnen gaan met de woorden ‘waarschijnlijk’ en ‘mogelijk’.”

Gezondheidseffecten van koffie

Het risicoverlagende effect van koffie op baarmoederkanker is dus nog niet onomstotelijk bewezen, maar we stellen ons even voor dat dit wel zo is en dat onderzoekers vrouwen aanbevelen om koffie te drinken om hun kans op baarmoederkanker te verkleinen. Welke andere effecten zou dit dan op hun gezondheid hebben?

Onderzoekers komen steeds meer terug van de bewering dat koffie ongezond is, aldus Hogervorst. Er blijkt geen duidelijke relatie te zijn met hart- en vaatziekten en een gematigde koffie-inname wordt zelfs in verband gebracht met enkele gezondheidsvoordelen, zoals een lagere kans op diabetes, Parkinson en Alzheimer. Wel moeten mensen met een hoge bloeddruk, kinderen, ouderen en zwangere vrouwen oppassen met het drinken van koffie met cafeïne.

Katan voegt hieraan toe dat koffie kan zorgen voor slapeloosheid en gejaagdheid. Volgens hem kan koffie de bloeddruk iets verhogen, maar loopt dit in de praktijk wel los. Wel verhoogt ongefilterde koffie het cholesterol en de kans op een hartinfarct. Filterkoffie doet dat niet en het effect van espresso zit er tussenin. Koffie kan verder suiker en verzadigde vetten in de vorm van koffiemelk bevatten. Alles bij elkaar is echter in Nederland koffie volgens Katan geen groot issue voor de gezondheid.

Koffie veroorzaker van kanker?

Koffie is niet alleen gezond. Koffie bevat ook acrylamide, een stof die door onderzoekers in verband wordt gebracht met het veroorzaken van baarmoeder- en eierstokkanker. Volgens KWF Kankerbestrijding verhoogt acrylamide in bijvoorbeeld chips, patat en koekjes mogelijk de kans op baarmoederkanker, eierstokkanker en nierkanker.

Hogervorst deed hier onderzoek naar en concludeerde dat de kans op baarmoederkanker en eierstokkanker mogelijk toeneemt naarmate vrouwen meer acrylamide binnenkrijgen. “Het acrylamidegehalte in gezette koffie is niet zo hoog in vergelijking met het gehalte in andere voedingsmiddelen, maar we drinken gemiddeld behoorlijk wat koffie en daardoor kan het toch een belangrijke bron van acrylamide-inname zijn.” De gevolgen zijn echter nog niet duidelijk. Feit is wel dat de stof in grote hoeveelheden in ons voedsel aanwezig is, dat het kanker veroorzaakt bij proefdieren en dat het in sommige studies ook bij mensen een verband laat zien met kanker. De bewijskracht voor een oorzakelijk verband tussen acrylamideblootstelling via voeding en een verhoogd risico op kanker is echter niet zo sterk als dat voor een oorzakelijk verband tussen koffiedrinken en een verlaagde kans op baarmoederkanker.

Voedingsinstanties bevelen aan dat we moeten proberen om onze inname van acrylamide te beperken door gezond en gevarieerd te eten. Zij moedigen de voedingsindustrie aan om het acrylamidegehalte in voeding te verlagen. Ook het KWF sluit zich hierbij aan.

Conclusies
Metroredacteur Marieke van der Voort vertelde Nieuwscheckers dat ze haar artikel in nauwe samenspraak heeft geschreven met voorlichter Germund Daal van het kankeronderzoekfonds. Daal bevestigde dit. Hij vertelde Nieuwscheckers bovendien dat het gevonden effect sterk genoeg is om koffie een positieve werking toe te schrijven, maar dat meer onderzoek nodig is. Hij vindt de kop erg sterk. “Maar ik begrijp dat een journalist lezers moet trekken. Zo’n kop trekt nu eenmaal meer aandacht. Omdat dit verderop in het artikel meer genuanceerd wordt, ben ik er toch mee akkoord gegaan”. Katan noemt deze reactie zwak omdat Daal zelf heeft meegeholpen om het artikel op die manier in de publiciteit te brengen.

Het risicoverlagende effect van koffie op baarmoederkanker moet dus verder worden onderzocht voordat er definitieve uitspraken over gedaan kunnen worden. De kop in Metro is erg stellig, maar de journaliste wist zich gesteund door de voorlichter. Feit blijft dat andere media een minder stellige kop hebben gekozen. Koffie kan negatieve effecten hebben voor de gezondheid, maar kan ook in verband gebracht worden met het voorkómen van bepaalde ziektes. Over het algemeen zijn onderzoekers het eens dat de gezondheidseffecten niet negatief zijn en dat één kop koffie per dag geen kwaad kan. De bewijskracht voor een causaal verband tussen acrylamide-inname via voeding en een verhoogd risico op baarmoederkanker is niet zo sterk als het verband tussen koffiedrinken en een verlaagde kans op baarmoederkanker.

‘Koud weer lokt hartaanval uit’, maar alleen als laatste trigger

Wednesday, October 9th, 2013

door: Maarten van Ast & Joost de Kleuver

‘Koud weer lokt hartaanval uit’, kopte Gezondheidsnet op 3 september van dit jaar. Toch hoeft u uw Antarctica-cruise nog niet te annuleren. Temperatuurverschil is niet de killer die het lijkt. Het zou alleen een laatste trigger kunnen zijn bij mensen die toch al een groot risico lopen. Roken en overgewicht zijn veel grotere gevaren.

Gezondheidsnet baseert zich op een studie van de Belgische onderzoeker Marc Claeys. Hij onderzocht tussen 2006 en 2009 16.000 mensen die gedotterd werden in de kransslagader. Het bleek dat temperatuur een significant verband heeft met acute hartaanvallen. ‘Met elke tien graden dat de temperatuur afneemt, wordt de kans op een hartinfarct met 7 procent groter’, schrijft Gezondheidsnet. Maar na onderzoek van Nieuwscheckers blijkt dat toch iets genuanceerder te zitten.

Temperatuurverschil is nooit de enige factor

Moeten we ons nu zorgen maken als de winter aanbreekt? Dat valt best wel mee. ‘Het gaat om relatieve kansen’, zegt Claeys. ‘Dus als iemand een kans van 50 procent loopt op een hartaanval, neemt die kans toe met 7 procent. Hij heeft dan dus een kans van 53 procent.’ Een kerngezonde jongen die maar 1 procent kans loopt op een hartaanval, zal die kans in een 10 graden koudere omgeving zien oplopen tot 1.07 procent. Dat klinkt toch minder angstaanjagend dan de kop van het artikel doet vermoeden.

Daarnaast krijgt iemand geen hartaanval door alleen temperatuurverschillen. ‘Het optreden van een infarct komt door verschillende factoren’, zegt Claeys. ‘Temperatuurverschil is er daar een van, maar zeker en vast niet de enige.’ De Hartstichting beaamt dit. ‘Het proces voorafgaand aan een hartinfarct strekt zich uit over tientallen jaren en wordt bevorderd door onder andere roken, hoge bloeddruk, hoog cholesterol en diabetes. Dat zijn de ware oorzaken’, aldus Ineke van Dis, beleidsadviseur bij de Hartstichting. Een koude periode kan volgens Van Dis gezien worden als een laatste trigger bij mensen die toch al gevoelig waren voor het krijgen van een infarct.

Een toename van 7 procent klinkt misschien als heel wat, maar is het volgens de Hartstichting niet: ‘Rokers hebben bijvoorbeeld een 100 procent hoger risico op een hartaanval dan niet-rokers’, zegt Van Dis. Bovendien geldt het effect van temperatuurverschillen alleen boven een minimale omgevingstemperatuur van 10 graden Celsius. Antarctica of Nederland; voor het risico op een hartaanval maakt het weinig uit.

Onderzoek moet nog gepubliceerd worden

Er mist dus nogal wat context in het artikel op Gezondheidsnet. En dat is misschien ook niet zo gek: Het artikel is vrijwel identiek aan het officiële persbericht op de website van het ESC Congress, een Europees cardiologencongres dat elk jaar in Amsterdam gehouden wordt. Claeys presenteerde daar zijn onderzoeksresultaten. ‘In het persbericht staat niets over de risicofactoren en oorzaken van een hartinfarct’, zegt Van Dis. Met de link op het woord ‘onderzoek’ verwijst Gezondheidsnet niet naar het onderzoek, maar naar het persbericht. En ook dat is te begrijpen: het onderzoek moet namelijk nog gepubliceerd worden. De auteur heeft dus niet de kans gehad om zelf de onderzoeksresultaten kritisch te bekijken.

Onvoldoende tijd

De journalist in kwestie, Annemieke Hoogland,  bestrijdt dat het artikel is overgenomen van het persbericht. Ze zou het bericht hebben gebaseerd op een artikel van Science Daily.  Het persbericht zou pas daarna verschenen zijn. Hoogland geeft toe dat de journalisten van Gezondheidsnet de onderzoeksrapporten nooit lezen, want ‘daarvoor ontbreekt de tijd.’ Ze vindt niet dat er te weinig context gegeven wordt: ‘Het bericht gaat over dit specifieke onderzoek. We noemen niet elke keer andere factoren, omdat we dan elke keer die verbanden moeten noemen.’ Ook de kop is volgens Hoogland niet te zwaar aangezet. ‘Ik neem aan dat je als student journalistiek de functie van een kop weet: de mensen triggeren en uitnodigen. Als je veel mitsen en maren in een kop zet, vinden mensen je artikel niet leuk. Je kan zeggen dat het té is, maar de eerste alinea’s nuanceren het wel.’

Sporten voor ontbijt beter tegen vet? Wacht op het echte onderzoek

Monday, December 10th, 2012

door: Wendy Dallinga en Ismay Gossen

‘Afvallen? Sport voor het ontbijt.’ Het katern VROUW op Telegraaf.nl geeft de tips en feiten: ‘met een nuchtere maag naar de sportschool’. Ook Gezondheidsnet.nl, AD.nl, Nu.nl en andere nieuwssites brengen ‘sporten voor het ontbijt’ als dé oplossing voor vetverbranding. Het is immers onderzocht door professionals van de Universiteit van Glasgow en die kunnen het weten.

Hoofdonderzoeker was doctor Jason Gill van het cardiovasculaire en medische instituut van de Universiteit van Glasgow. Hij doet onderzoek naar alles rondom diabetes type 2 en lichaamsbeweging, dieet, energiebalans en obesitas. Dit jaar onderzocht hij samen met zijn collega Farah manieren van vetverbranding. Hiervoor vroeg hij tien mannen met overgewicht drie keer naar de universiteit te komen om tests te ondergaan. De eerste keer bewogen de mannen niet, de tweede keer kwamen de heren ontbijten, waarna ze een uur gingen wandelen, en de daaropvolgende keer wandelden ze voorafgaand aan het ontbijt. Het resultaat, gepubliceerd in het British Journal of Nutrition: ‘The present findings suggest that there may be an advantage for body fat regulation and lipid metabolism in exercising before compared with after breakfast.’

Gezondheidsnet, de bron voor de berichten op ad.nl en nu.nl, laat de proefpersonen per abuis twee maal dezelfde opdracht uitvoeren: ‘De tweede keer maakten ze voor het ontbijt een stevige wandeling van een uur. Het derde bezoek bestond uit een flinke wandeling, gevolgd door ontbijt.’ (‘Sporten voor ontbijt stimuleert vetverbranding’, 30 oktober) Redactrice Jolanda Niemantsverdriet: ‘Het klopt dat er een foutje is ingeslopen. Mijn collega’s en ik hebben over het hoofd gezien dat het tweede onderzoek bestond uit een wandeling van een uur ná het ontbijt.’ Het foutje is inmiddels hersteld.

Voorlopig

Maar er is meer mis met het nieuws: het onderzoek is te voorlopig om adviezen aan te ontlenen. Gill en collegae plaatsen zelf de kanttekening: ‘However, further study is needed to determine whether the present findings extend over the long term under free-living conditions.’ Uit extra onderzoek zou bijvoorbeeld moeten blijken of we niet veel meer gaan eten als we voor het ontbijten gaan trainen. Dit is ook een vraag die Nathalie Masurel, voedingsspecialiste van Dianet Dialysecentra, stelt: ‘Als je te lang wacht met eten, heb je daarna over het algemeen een onstilbare trek. Grotere kans dus dat je na het sporten op lege maag meer gaat eten.’ In Gills onderzoek werd gelet op de kortetermijnreacties van één dag en geen rekening gehouden met de voedinginname van de dag ervoor. Andere effecten op langere termijn kunnen daarom niet worden uitgesloten.

Verschil man en vrouw

Dit is echter niet het enige waar onderzoek naar gedaan moet worden. Hoewel De Telegraaf – in een bericht dat inmiddels is verwijderd – schrijft dat ‘vrouwen die graag snel wat extra pondjes kwijt willen raken, beter voor het ontbijt kunnen gaan sporten dan na het ontbijt’,  is het onderzoek tot nu toe slechts gericht geweest op mannen met overgewicht. En onderzoeker Gill geeft in een mail aan Nieuwscheckers aan dat hij niet zeker weet of deze exacte resultaten ook voor vrouwen zullen gelden. ‘Er zijn een aantal verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft de vetverbranding tijdens en na het trainen. Vrouwen verbranden meer vet tijdens het sporten dan mannen, maar minder erna. Dus we kunnen niet 100 procent zeker zijn dat de bevindingen hetzelfde zullen zijn voor beide seksen.’

Geen dikke buik

Hoewel de proefpersonen allemaal mannen waren met overgewicht, verwacht Gill dat een herhaling met mannen van normaal gewicht hetzelfde resultaat zal opleveren. Professor Hanno Pijl, onderzoeker diabetologie en overgewicht aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) is het hier niet mee eens: ‘Er kunnen nog geen uitspraken gedaan worden over mensen zonder overgewicht. Zij zitten qua stofwisseling anders in elkaar dan zwaarlijvige personen.’

Pijl vindt de artikelen van Telegraaf.nl en Gezondheidsnet.nl misleidend: ‘Het is een goed onderzoek, maar het is te beperkt om op basis van dit onderzoek te zeggen dat we moeten gaan sporten voor het ontbijt.’ Een site met de naam ‘Gezondheidsnet.nl’ zou zo’n onderzoek meer in context moeten plaatsen, vindt Pijl: ‘Dan informeer je de mensen op een nette manier.’

Ook volgens Gill zelf hebben de media een scheef beeld gegeven van zijn onderzoek: ‘Eigenlijk is het belangrijkste aspect van ons onderzoek dat het grootste verschil bestaat tussen niet en wel trainen, in plaats van tussen eten voor of na de training. Dus als je eerst een boterham wil eten voordat je aan de wandel gaat, go ahead.’

Reactie Gezondheidsnet

Wisten de journalisten hoe voorlopig het onderzoek was waarover zij schreven? Over de artikelen van nieuwssites als AD.nl en Nu.nl kunnen we volgens Jolanda Niemantsverdriet van Gezondheidsnet.nl kort zijn: ‘Wij hebben een samenwerkingsovereenkomst met deze websites. Zij mogen artikelen van ons overnemen.’

Waarom dan dit onderzoek naar effecten van één dag bij tien proefpersonen?  ‘Bij de nieuwsselectie kijken wij naar actualiteit, draagwijdte en betrouwbaarheid. Een klein aantal proefpersonen maakt een onderzoek nog niet onbetrouwbaar, maar we kunnen het resultaat niet generaliseren naar de gehele populatie. Maar schrijven over vooronderzoeken doen wij zeer regelmatig, omdat we deze ook nieuwswaardig vinden.’

Horrorfilms: de nieuwe afslanktip?

Wednesday, November 21st, 2012

door: Willem de Gelder en Kim-Lan Jong Baw

Van kijken naar horrorfilms kun je afslanken. Dat maakte de Engelse universiteit van Westminster bekend op 28 oktober. Horrorfilms zijn eng, dus het lichaam maakt adrenaline aan. Dit vermindert de eetlust en leidt tot afvallen, aldus hoofdonderzoeker Richard Mackenzie. The Shining zou zo’n 184 calorieën schelen. Wie echter verder leest dan de kop, komt te weten dat er in het onderzoek slechts tien proefpersonen waren die tien films keken. En 184 calorieën, die zitten er met één bolletje kaas weer aan.

Op 29 oktober namen verschillende Nederlandse media, o.a. NOS en Elsevier, het persbericht over het onderzoek over van het ANP. Uit het onderzoek bleek dat de tien proefpersonen gemiddeld 113 calorieën verbrandden tijdens anderhalf uur horror. De onderzoekers hebben onder meer gekeken naar de hartslag en zuurstofopname van de proefpersonen. Richard Mackenzie: “Bij het bekijken van alle tien de films gingen de harten van onze tien proefpersonen sneller kloppen. Als dat gebeurt, wordt het bloed sneller door het lichaam gepompt waardoor het lichaam een adrenalinestoot ervaart.” Geen slecht resultaat voor online videotheek LOVEFiLM, de opdrachtgever van het onderzoek.

Onvindbare bronnen
De website van NOS en andere media verwijzen naar het ANP als bron. Maar daar blijkt het nieuwsbericht onvindbaar. “Ik kan me zeker herinneren dat we dit bericht gepubliceerd hebben, maar ik kan het niet meer vinden,” aldus een medewerker. Een virus is de oorzaak, zo wordt gegokt. Ook het Engelse onderzoek zelf bleek niet te pakken te krijgen. Zowel de onderzoeker zelf als de universiteit van Westminster als opdrachtgever LOVEFiLM waren niet bereid het onderzoek vrij te geven of reageerden niet op ons verzoek. LOVEFiLM heeft echter zelf ook een persbericht gepubliceerd over het onderzoek en heeft ons dit opgestuurd. Hier zijn we dan ook mee aan de slag gegaan.

Deskundigen aan het woord
Dr. Jaap Fogteloo, internist bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), heeft verschillende artikelen gepubliceerd over overgewicht en gewichtsverlies. Volgens hem zijn de conclusies van dit onderzoek niet zo eenvoudig als de onderzoekers doen geloven. “Er zijn heel weinig goede data over relaties tussen psychisch-lichamelijke angst en energiegebruik omdat energiegebruik bij mensen gewoon heel moeilijk te meten is.”

Ook dr. Aart Velthuijsen van de Universiteit van Amsterdam, specialist in invloed van media op het menselijk lichaam, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. “Ze lieten tien mensen kijken naar tien horrorfilms. Dit zijn wel erg weinig proefpersonen om individuele verschillen tussen mensen via statistiek te controleren.” Daarnaast maakt de onderzoeker volgens Velthuijsen een cruciale fout: hij gooit stress en angst op één hoop. “Natuurlijk kun je een film of scène wel eng vinden, maar daar ga je heus geen adrenaline van aanmaken.” En dat is nu juist de redenering van dit onderzoek: door de aanmaak van adrenaline als gevolg van stress zou je afvallen.

113 calorieën voor anderhalf uur, zo indrukwekkend is dat verder niet. Met één bolletje kaas (188 kcal) zit The Shining er al weer ruimschoots aan, meldt het Voedingscentrum. Met een flinke zak popcorn maak je nog bonter: met een zak van 80 gram werk je meer dan 300 calorieën naar binnen. Daarnaast verbrandt het gemiddeld menselijk lichaam al zo’n 100 calorieën door anderhalf uur rechtop te zitten, schrijft The Telegraph in een kritisch commentaar. Het effect van de film is dus nog kleiner dan wordt voorgesteld.

Conclusie
Methode en conclusies van het horrordieetonderzoek zijn discutabel. De resultaten zijn niet representatief, de gesuggereerde verbanden niet overtuigend. Helaas voor de luie types onder ons, het is erg onwaarschijnlijk dat je 184 calorieën verliest van een avondje griezelen met The Shining. “Bovendien,” zegt Velthuijsen, “als men naar horrorfilms kijkt en daardoor stress ondervindt, gaan mensen juist vaak proberen dit ‘weg te eten’. Ik zou dus het tegenovergestelde voorspellen.”

Kranten maken reclame voor dubieuze anti-katerpleister

Monday, November 19th, 2012

door: Gerline van der Giessen en Lucia van den Brink

Er is een nieuw middel op de markt dat een kater helpt voorkomen: de anti-katerpleister. Eind oktober schreven Metro, gevolgd door Spits, Telegraaf en Editie NL over de wonderpleister die – ontwikkeld door een Amerikaanse plastisch chirurg – dé oplossing zou zijn voor de vervelende gevolgen van te veel alcohol. Dat enthousiasme was voorbarig: kort daarna werd het middel in Engeland uit de handel gehaald. Een alcoholdeskundige van het Trimbos Instituut: ‘Een pleister tegen een kater? Onzin.’

Volgens de officiële website is de Bytox Hangover Prevention Patch, zoals de pleister officieel heet, simpel en te vergelijken met een nicotinepleister. Een uur voordat je begint met het drinken van alcohol plak je de pleister op en acht uur na het laatste glas verwijder je hem. De pleister zou verschillende vitamines en zuren (van onder andere açaibessen) bevatten, die je bij het drinken van alcohol verliest. Doordat deze vitamines langzaam aan het lichaam worden afgegeven, herstelt de natuurlijke balans zich.

Plastisch chirurg
De man achter de pleister blijkt de Amerikaanse plastisch chirurg Dr. Leonard Grossman. Wat weet een plastisch chirurg van katers? Grossman vertelt Nieuwscheckers dat hij per toeval de werking van vitamines tegen een kater ontdekte: “Toen een patiënt van me last had van een heftige kater, werd ik door de ouders gevraagd om te helpen. Als plastisch chirurg weet ik niks van het behandelen van katers af, maar een collega raadde me aan om mineralen en vitamines te gebruiken. Hierdoor was mijn patiënt binnen tien minuten op miraculeuze wijze genezen.” Hierop besloot Grossman dat hij meer mensen wilde helpen met zijn vondst en hij ontwikkelde de bytox-pleister.

Geen wetenschappelijk bewijs
Maar wat is de reactie van experts op het gebied van alcohol? Directeur van het Nederlandse Instituut voor Alcoholbeleid (STAP), Wim van Dalen, ziet dergelijke berichten regelmatig in de media verschijnen: “Steeds duikt er een nieuw idee op, maar toch is er is tot dusver geen enkel medicijn gevonden tegen een kater.” Ook Eva Ehrling van het Trimbos Instituut ziet een trend: “Er bestaan geen medicijnen en middelen die helpen tegen een kater. Zoiets is nog nooit wetenschappelijk bewezen. Eens in de zoveel tijd duiken dit soort bericht in de media op, maar deze zijn nooit ondersteund door wetenschappelijk bewijs.”

De pleister zou vol zitten met vitaminen en zuren van açaibessen die aan het lichaam worden afgegeven. Ehrling: “Een kater ontstaat door vochttekort in de hersenen, door uitdroging. Daar helpen vitaminen niet tegen. Het bericht is dus onzin.” Dit beaamt ook het Voedingscentrum: “Het enige middel dat wil helpen tegen een kater is veel water drinken, gelijk met alcohol of direct daarna.”

Toch blijft Dr. Grossman volhouden dat zijn pleisters wel degelijk helpen: “Grappig dat je zegt dat de hersenen uitgedroogd raken door het drinken van alcohol, ik heb hetzelfde geleerd. Dit klopt ook wel, want je nieren worden gestimuleerd waardoor je vaker naar het toilet moet en vocht verliest. We raden onze klanten daarom aan om goed te blijven drinken, maar dat is lang niet zo belangrijk als het – een uur van tevoren – plaatsen van de pleister.”

Gelukzoekers
Nieuwscheckers was blijkbaar niet de enige die twijfelde aan de pleister. Een dag na de aanprijzingen in Spits en Telegraaf kwam NOS op 3 met een kritisch bericht: Feestje? Even een anti-katerpleister plakken. Hierin doen verschillende Engelse organisaties zoals Drinkaware hun beklag over de pleister, die zij beschouwen als een excuus om nog meer te drinken. Volgens hen is het “compleet onverantwoord om dit soort producten te verkopen.”
Wat bovendien opvalt, is de promotionele toon van de artikelen in de diverse Nederlandse en Engelse media. Is hier niet gewoon sprake van reclame? De timing van het product en de berichtgeving zijn dubieus, zo net voor de feestdagen. Hebben we hier niet te maken met een slimme pr-truc? Voor Van Dalen (STAP) is het duidelijk: “De makers van deze pleister zijn pure gelukszoekers.”

Ondanks verschillende pogingen een reactie van de betreffende journalisten van Metro en Spits te krijgen, waren beiden niet beschikbaar voor commentaar. Kees de Graaff van Spits liet per email weten dat hij het te druk had, de stagiaire van Metro, die het bericht als eerste online had gezet, reageerde niet op de e-mails en was telefonisch niet bereikbaar.

Uit de schappen
Hadden wij tijdens onze research al zo onze bedenkingen over de werking van de pleister, na een bericht van The Independent op 7 november is het overduidelijk: de werking van de anti-katerpleister is op zijn minst discutabel. De Engelse toezichthouder op medicijnverkoop, het Medicines and Healthcare products Regulatory Agency (MHRA), heeft de fabrikant namelijk verboden te pleister nog langer te verkopen, omdat het product wordt aangeprezen als een geneesmiddel, hoewel er geen wetenschappelijk bewijs is voor de werking. De Bytox Hangover Patches zijn daarom per direct uit de schappen gehaald.

Allochtone specialisten niet per se beter voor kosten en kwaliteit

Tuesday, November 13th, 2012

door: Jelena Barisic en Willemijn Sneep

“Groot tekort aan allochtone medisch specialisten”, kopt de voorpagina van de Volkskrant op 5 oktober. Dat gebrek aan allochtone specialisten zou slecht zijn voor de kwaliteit en de kosten van de zorg. Trouw, De Telegraaf en Het Parool namen het bericht over. Nieuwscheckers ontdekte echter dat er in de rapporten waar de berichtgeving op gebaseerd is nergens gesproken wordt over een ‘tekort’ aan allochtone medische specialisten, noch van een duidelijke relatie met de kwaliteit of kosten van de zorg.

Waarom leidt het huidige ‘tekort’ aan allochtone specialisten tot negatieve gevolgen voor de kwaliteit en kosten van de zorg? Het nieuwsbericht in de Volkskrant gaat niet dieper op de bewering in maar het lange vervolgartikel op pagina acht van dezelfde krant biedt wel wat verheldering:

“Volgens een rapport van oud-minister Ab Klink kunnen er miljarden euro’s bespaard worden in de zorg door onder meer betere communicatie. Dat voorkomt onnodige behandelingen en kan snelle genezing bevorderen. De beleving van ziekten kan verschillen per cultuur, waardoor het kan helpen een arts te hebben die de taal en cultuur van de patiënt begrijpt. Maar voorlopig krijgt een patiënt met een Turkse, Marokkaanse of Surinaamse achtergrond normaal gesproken te maken met een ‘Hollandse’ arts.”

Volkskrantredacteur Wilco Dekker werkt in het achtergrondartikel ‘Nog steeds vechten tegen de vooroordelen’ die communicatieproblemen niet uit, maar gaat vooral in op de discriminatie van allochtone artsen in opleiding. We pakken de rapporten erbij waar het artikel naar verwijst.

Rapport Klink

‘Kwaliteit als medicijn: aanpak voor betere zorg en lagere kosten’, het rapport van Ab Klink en vier andere auteurs, identificeert drie pijlers die zouden leiden tot betere zorg: het verminderen van overbehandeling en praktijkvariatie (bijvoorbeeld: verschillen in de mate waarin artsen overgaan tot een operatie); patiënten beter in staat stellen mee te beslissen bij medische keuzes; en de zorg beter organiseren.

De ‘betere communicatie’ waar het achtergrondartikel over spreekt, lijkt vooral te slaan op de tweede pijler. Een betere voorlichting aan patiënten zou leiden tot minder onnodige behandelingen. In het rapport gaat het echter over alle patiënten: er wordt nergens specifiek geadviseerd over communicatie met allochtone patiënten.

“De heer Dekker maakt impliciet de denkstap dat specialisten met een allochtone achtergrond beter communiceren met patiënten met een allochtone achtergrond en daarmee ook automatisch tot een betere afweging komen of zorg wel of niet moet plaatsvinden,” stelt Sander Visser, een van de auteurs van het rapport. “Ik vind dit op zichzelf wel een sympathiek pleidooi, maar op basis van ons rapport kun je niet de conclusie trekken dat er meer allochtone medisch specialisten moeten komen.”

De opvatting dat een toename van allochtone specialisten zal bijdragen aan de kwaliteit en de verlaging van de kosten in de zorg, is dus een ongefundeerde interpretatie van het onderzoek van Klink.

Andere oplossingen

Miscommunicatie tussen artsen en allochtone patiënten is een erkend probleem waar het afgelopen decennium veel wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan. Wederzijds begrip kan door zowel taalbarrières als cultuurverschillen belemmerd worden. Deskundigen zijn behoorlijk eensgezind over de oplossingen. Wetenschappers stellen dat de culturele kennis van zowel artsen als patiënten vergroot moet worden om de communicatie te bevorderen. Zo zou er op medische opleidingen uitgebreide aandacht besteed moeten worden aan cultuurverschillen binnen de zorg. Deze optie is echter nergens terug te lezen in de Volkskrant-artikelen.

Neuroloog en specialistenopleider Hans Carpay is het dan ook niet eens met de opvattingen in het achtergrondartikel, zo blijkt uit zijn ingezonden brief in de Volkskrant van 8 oktober: “Het opmerkelijk naïeve idee is dat ‘allochtone’ dokters en patiënten beter met elkaar communiceren, en dat de zorg dan goedkoper wordt. Specialisten doen al zo weinig goed. Ze selecteren hun opvolgers dus ook al verkeerd.”

Tekort of discrepantie?

De term ‘tekort’ uit de Volkskrantkop suggereert dat er iets bestaat als een minimale hoeveelheid allochtone specialisten. In het onderzoek van hoogleraar Tineke Abma, waar de bewering deels gebaseerd op zou zijn, wordt die term echter niet gebruikt.

Abma zelf zegt tegen Nieuwscheckers dat zij de kop ‘Groot tekort aan allochtone medische specialisten’ niet gekozen zou hebben: “Deze legt sterk het accent op een kwantitatief tekort. De inhoud van het artikel gaat meer in op hetgeen dat wij onderzochten, namelijk de ervaringen en processen om in de specialistenopleiding te komen als allochtone basisarts, en de bevorderende en belemmerende factoren daarbij.” Abma stelt dat er sprake is van een ‘discrepantie’ tussen het aantal allochtone geneeskundestudenten en het aantal specialisten met deze achtergrond.

Dekker: wel een tekort

Volkskrantredacteur Wilco Dekker blijft van mening dat er wel gesproken kan worden van een tekort. “Dit is de conclusie die ik heb getrokken op basis van het onderzoek van Abma en het rapport van Klink. Het achtergrondartikel gaat verder vooral in op de discriminatie die onder andere plaatsvindt bij de selectie van medische specialisten. Het is geen wetenschappelijk artikel, daarom heb ik niet gekeken naar andere wetenschappelijke voorstellen om de communicatie tussen artsen en allochtone patiënten te verbeteren.”

Hij voegt eraan toe dat de kritiek van Abma opmerkelijk is: “Ze heeft het achtergrondverhaal, waar het woord ‘tekort’ ook meerdere malen in voorkomt, van tevoren gelezen en had er toen geen opmerkingen over. Ook is het artikel voorgelegd aan de Orde van Medisch Specialisten, die geen problemen hadden met het gebruik van het woord, of met andere formuleringen uit het stuk.”

Dekker wijst er bovendien op dat het VUmc naar aanleiding van de resultaten van Abma’s onderzoek maatregelen neemt om de hoeveelheid allochtone specialisten te verhogen. “Als er geen tekort is, dan zouden deze maatregelen niet genomen worden. Daar moet toch een reden voor zijn?”

Die is er: het onderzoek van Abma is gestart door de commissie interculturalisatie van het VUmc, naar aanleiding van de wens van het ziekenhuis om, wat diversiteit betreft, een afspiegeling van de samenleving te zijn. De kosten of kwaliteit van de zorg worden niet als aanleiding van het onderzoek genoemd.

Ongefundeerd

‘Nog steeds vechten tegen de vooroordelen’ is een achtergrondartikel dat ingaat op de discriminatie van allochtone geneeskundestudenten die graag medisch specialist willen worden. Journalist Wilco Dekker beroept zich terecht op de ervaringen van enkele specialisten (in opleiding) en op onderzoek dat naar deze discriminatie is gedaan. Het is echter zowel in het nieuwsbericht als in het achtergrondartikel ongefundeerd om van een ‘tekort’ aan allochtone specialisten te spreken. De uitspraak dat de relatief kleine hoeveelheid allochtone medische specialisten slecht is voor de kwaliteit en kosten van de zorg is een conclusie die niet uit Dekkers bronnen getrokken kan worden. Maar ook onderzoekster Abma en de Orde van Medisch Specialisten, die het artikel voor publicatie lazen, hadden hier alerter kunnen zijn.

‘Maagpacemaker is dure afzetterij’

Friday, February 3rd, 2012

door: Marike Kielman en Tom de Kievith

De wereld telt tegenwoordig meer dikke mensen dan hongerige. Geen wonder dat er gezocht wordt naar nieuwe wapens in de strijd tegen overgewicht. Eind 2011 berichtte onder andere de Telegraaf over een ‘revolutionair’ hulpmiddel: de maagpacemaker. Het apparaatje, ter grootte van een bankpas, zou het perfecte alternatief zijn voor drastische ingrepen als een maagverkleining. Is de maagpacemaker, met een prijs van 10.000 euro, werkelijk de oplossing tegen obesitas? Een maagchirurg: “De maagpacemaker is vooral dure afzetterij.”

Wetenschappers noemen het dé pandemie van de 21e eeuw: obesitas. Het World Disaster Report van het Rode Kruis laat zien dat ruim anderhalf miljard mensen zuchten onder overgewicht, terwijl 925 miljoen mensen te weinig te eten hebben. Het aantal obesitaspatiënten sinds 1980 is verdubbeld. Maar er is een oplossing, beloven nieuwskoppen: ‘Afvallen met maagpacemaker’, ‘Spectaculair vermageren met revolutionaire maagpacemaker’ en ‘Maagpacemaker nieuw wapen tegen overgewicht’. Te mooi om waar te zijn? Nieuwscheckers wierp een kritische blik op deze ogenschijnlijk revolutionaire uitvinding.

Hersenen gefopt
De maagpacemaker is afkomstig van het Californische bedrijf IntraPace en draagt de naam Abiliti. Zodra het apparaatje voedsel detecteert dat in de maag terecht komt, stimuleert het zenuwen in de maagwand, waardoor de eter zich vervroegd vol voelt. Zo fopt het als het ware de hersenen. De drager van het apparaatje zal hierdoor minder gaat eten en gewicht verliezen. Heftige operaties zijn niet meer nodig (een kijkoperatie volstaat) en wát je eet of drinkt maakt niet uit. Het systeem legt bovendien vast wanneer je eet en beweegt. Zo kun je samen met een arts schadelijke trends spotten en deze veranderen – aldus de informatie op de website.

Alleen in Europa goedgekeurd
In een persbericht van IntraPace is te lezen hoe de Abiliti in 2011 een CE-markering ontving en dus commercieel op de Europese markt gebracht mag worden. In de VS is de pacemaker nog niet te koop, omdat hij nog niet is goedgekeurd door de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA). Het bedrijf rekent hier na aanvullend onderzoek uiteindelijk wel op, aldus woordvoerder Mike Sinclair. In het meest optimistische geval zal dit echter niet voor 2014 zijn.

Klinische studies
Dit doet natuurlijk de vraag rijzen wat voor onderzoek er dan al gedaan is naar de maagpacemaker. Een kleine check leert ons dat ‘gastric electrical stimulation’ (GES) of ‘gastric pacing’ een idee is dat al veel langer bestaat en door veel Amerikaanse verzekeraars niet wordt gedekt als middel tegen obesitas. De reden: de verzekeraars achten het experimental, investigational en unproven. Nu kan hier tegenin worden gebracht dat verzekeringsbedrijven zoveel mogelijk de dans proberen te ontspringen als het om vergoeden en uitkeren gaat. Vandaar ook misschien dat de claims onderbouwd zijn door een compleet overzicht van klinische studies.

En wat blijkt: onderzoeken met honderden deelnemers laten geen duidelijk voordeel van de maagpacemaker zien. We geven één treffend voorbeeld. Arts Scott Alan Shikora vergeleek in 2009 gastric pacing met een standaard dieet en gedragstherapie door het verschil in het verlies van overgewicht te evalueren. Bij alle 190 participanten werd een maagpacemaker geïmplanteerd. De personen werden vervolgens willekeurig ingedeeld in twee groepen. In slechts één groep werd de maagpacemaker ook daadwerkelijk aangezet. Wel deden beide groepen mee aan een dieet en maandelijkse bijeenkomsten in een supportgroep. Na twaalf maanden bleek er tussen de groepen geen significant verschil in gewichtsverlies te zijn. Niet zo gek dus dat de U.S. Food and Drug Administration nog geen goedkeuring heeft verleend.

Onderzoek IntraPace
Volgens De Telegraaf zorgt het apparaatje ervoor dat de drager gemiddeld 45 procent minder gaat eten. Wat wij uiteraard willen weten: uit welk onderzoek blijkt dit? Weer wenden we ons tot de behulpzame Mike Sinclair, die ons vertelt dat IntraPace zelf opdracht heeft  gegeven tot twee onderzoeken. De eerste is verricht in 2009. Het was een voorstudie om te beoordelen of het apparaat inderdaad voedselinname detecteerde en in staat was om hierop te reageren met stimulatie van de maagwand. Ook werd gekeken of die stimulatie verminderde voedselinname tot gevolg had. Uit de data bleek dat 28 van de 31 deelnemers significant minder gingen eten met, jawel, gemiddeld 45%. Jammer dat we alleen een beknopte samenvatting mochten inzien. Door naar het tweede onderzoek: dit focust op resultaten rondom gewichtsverlies en is nog steeds bezig. Sinclair licht ons in over de resultaten die na twaalf maanden zijn behaald: 25 van de 34 participanten hebben dertig procent van hun overgewicht verloren. Een derde studie, waarbij de Abiliti wordt vergeleken met het maagbandje, is geïnitieerd.

Een klein rekenvoorbeeld: een obese patiënt van 1.70m (de meeste proefpersonen waren vrouwen) met een Body Mass Index (BMI) van 35 (het gemiddelde BMI van de participanten) weegt volgens het BMI-rekensommetje ongeveer 101 kilo. Het maximale gewicht dat nog steeds gezond is (BMI=25), zou 72 kg zijn. Dat betekent dat de patiënt 29 kg overgewicht heeft. In het meest gunstige geval zou deze, met het dragen van de maagpacemaker, dertig procent van dit overgewicht kwijtraken. Dat is nog geen negen kg gewichtsverlies. Na een jaar zou de patiënt dus 92 kg wegen, dat betekent dat ze een BMI van ongeveer 32 heeft. Obesitas wordt gedefinieerd met een BMI van boven de dertig. Een jaar na de implantatie van de maagpacemaker heeft de patiënt dus nog steeds obesitas. Het tweede jaar zal hier dan nog een kilootje of zes afgaan, maar zelfs met een gewicht van dan 86 kg zal de patiënt nog heel dicht tegen de obesitasgrens aan zitten. Ter vergelijking: met een maagbandoperatie zal de patiënt een halve tot één kilo per week afvallen. Toegegeven: een dergelijke operatie is wel een stuk invasiever dan de plaatsing van een maagpacemaker, maar het effect mag er zijn.

Effecten
De maagpacemaker heeft dus niet bepaald een verbluffend effect. En de tweede clinical trial in opdracht van IntraPace bevat nog iets dat tot nadenken stemt. De onderzoekers hebben namelijk veranderingen bijgehouden in eetgedrag en de hoeveelheid beweging van de participanten. Hiervoor werd het trackingsysteem van de Abiliti gebruikt. De informatie hieruit kan draadloos naar een computer worden gestuurd; de bedoeling is dat een specialist hier vervolgens feedback op geeft. Het gedrag werd aan het begin in kaart gebracht en vervolgens opnieuw bekeken na drie, zes en twaalf maanden. Wat blijkt: de participanten zijn gezonder gaan eten en meer bewegen. Grote kans dat dit te wijten is aan het observator-effect.

De onderzoekers geven dit zelf ook aan: “If the patients know they are being watched, they are more likely to make positive changes in their behavior.” De hamvraag is hier: is het gewichtsverlies dan wel te wijten aan de stimulatie van de maagwand? Of gewoon puur aan een gezonder dieet en meer bewegen? Zoals we al hebben kunnen lezen zou dokter Shikora kiezen voor het tweede. De uitkomst dat de participanten meer afvielen naarmate hun mate van bewegen een stijgende lijn liet zien, bevestigt deze gedachte nog meer. Uiteraard is in de resultaten ook opgenomen dat de participanten aangeven een meer verzadigd gevoel te hebben. Maar ook hier is het de vraag of dit inderdaad bewerkstelligd wordt door stimulatie van de maagwand en niet door regelmatiger en gezonder eten.

Oordeel expert
Dit zijn natuurlijk onze eigen bevindingen. We zijn benieuwd wat een expert over de maagpacemaker te zeggen heeft. Dit blijkt lastiger dan gedacht. De artsen die we benaderen, verklaren er te weinig over te weten of hebben er zelfs nog nooit van gehoord. We wijken uit naar België, waar dr. Alex Heylen - een gerenommeerd expert met ruime ervaring in maagchirurgie en meer dan zevenduizend maagingrepen op zijn naam – wel al enige tijd de ontwikkelingen in de gaten houdt. Heylen wijst erop dat de maagpacemaker al meer dan tien jaar geleden werd gelanceerd. Het is dus niet nu ineens een revolutionair middel. Ook kaart hij het geringe gewichtsverlies na een jaar aan – gemiddeld 4 à 5 kg volgens de arts – én legt hij uit hoe hetzelfde wordt bereikt met een placebo. Heylen besluit zijn verhaal door te verklaren: “De maagpacemaker is vooral dure afzetterij.”

Conclusie
De maagpacemaker een nieuw wapen tegen overgewicht? Uit verschillende onderzoeken blijkt iets anders. Niet alleen is het effect matig, ook lijkt het sterk samen te hangen met eetgedrag en de mate van bewegen. Dat laatste is natuurlijk niet slecht, maar een revolutionair middel tegen obesitas is de maagpacemaker hiermee niet. En tienduizend euro voor een stok achter de deur is wel wat veel geld. Of afzetterij, zoals Heylen het noemt.

Het artikel in De Telegraaf bleek via HLN.be afkomstig uit de Engelse Daily Mail. De journaliste die dit bericht schreef, reageerde niet op ons verzoek om commentaar.

Supplementen slikken ongezond?

Monday, January 2nd, 2012

door: Petra Meijer en Dorith Graef

‘Supplementen slikken ongezond’, kopte de Volkskrant op woensdag 12 oktober. Volgens het artikel zou de dagelijkse inname van extra vitamines en mineralen eerder tot kanker en vroege sterfte leiden. Een ironische boodschap: we slikken de vitamines om gezond te blijven, maar als we de Volkskrant moeten geloven brengt elke pil ons dichter bij dood en verderf. Alle supplementen de prullenbak in dan maar?
  

Voor de vitamineslikkers die de eerste klap te boven zijn gekomen en verder lezen, lijkt het zo’n vaart niet te lopen. Het artikel beschrijft twee Amerikaanse onderzoeken die zouden uitwijzen dat mensen die dagelijks extra vitamines en mineralen slikken eerder kanker krijgen en zelfs eerder dood gaan dan mensen die niets gebruiken.  

Prostaatkanker

Als je de onderzoeken echter beter bekijkt, kom je tot de ontdekking dat bovenstaande conclusies wel erg kort door de bocht zijn. Het eerste onderzoek, gepubliceerd in JAMA, richtte zich op 35.000 mannen van wie een deel dagelijks vitamine E had geslikt. Tijdens een eerdere meting kwam er geen significant verband naar voren. Enkele jaren later, toen er meer gevallen van prostaatkanker bekend werden en de meting herhaald werd, vond men wel een significant verband.  

Dat de dagelijkse inname van extra vitamines en mineralen de oorzaak zou zijn van kanker, is echter een ongenuanceerde conclusie. Allereerst is het belangrijk om op te merken dat de mannen allemaal ouder waren dan vijftig jaar. Bovendien werd alleen het effect van de vitamines op prostaatkanker onderzocht. Het is dus best mogelijk dat vitamine E andere vormen van kanker voorkomt. Of dat andere vitamines dan vitamine E niet met prostaatkanker geassocieerd worden.  

De berichtgeving mag dan wat ongenuanceerd zijn, met het onderzoek zelf lijkt weinig mis, zegt Kees van Putten, methodoloog bij het Instituut Psychologie van de Universiteit Leiden. Het onderzoek betreft weliswaar een grote hoeveelheid mensen, maar de groepen waar het hier werkelijk om gaat (de mensen die prostaatkanker hebben gekregen) zijn eigenlijk maar vrij klein. ‘Des te meer mensen, des te betrouwbaarder. Het loont dus om over een aantal jaar nogmaals te kijken of het verband duidelijker zichtbaar wordt.’
Volgens Van Putten wil het feit dat er na een tweede meting een verband gevonden is tussen vitamine E en de kans op prostaatkanker echter nog niet zeggen dat het een het ander veroorzaakt. Opvallend is ook het feit dat er geen significant effect gevonden werd bij mensen die zowel vitamine E als selenium slikken. 

  Eerste meting Tweede meting Totaal
Placebo 416 113 529
Vitamine E 473 147 620
Selenium 432 143 575
Beiden 437 118 555

Het slikken van vitamine E wordt – mits het niet in combinatie geslikt wordt met selenium – dus geassocieerd met een vergrote kans op prostaatkanker bij mannen die ouder zijn dan vijftig jaar. Dat wil niet zeggen dat het slikken van vitamines in het algemeen tot een verhoogde kans op kanker leidt.  

Oudere vrouwen

Het tweede onderzoek, gepubliceerd in Archives of Internal Medicine, betreft ruim 38 duizend oudere vrouwen die zelf aangaven supplementen te slikken. Het lijkt in dit onderzoek niet zozeer te gaan over de relatie tussen supplementen en kanker, er is alleen sprake van een hoger sterfteaantal bij de groep die supplementen slikte. Dat roept meteen een aantal vragen op.  In 1986, toen het onderzoek begon, was de gemiddelde leeftijd van de vrouwen 61 jaar. Het verschil tussen de groepen die wel of geen supplementen slikten, is bovendien maar 1 procent. Wederom vermeldt het krantenartikel niet dat het hier alleen gaat om vrouwen, die ook nog eens op leeftijd zijn. Je kan je ook afvragen hoe betrouwbaar de zelfrapportage van het slikken van supplementen is. Worden de pillen echt wel braaf elke dag geslikt?  

Reactie de Volkskrant  

Ellen de Visser, medisch redacteur van de Volkskrant: “Het klopt dat de onderzochte groep alleen vrouwen betreft, maar de onderzoekers besluiten hun rapport met de suggestie dat de resultaten te generaliseren zijn. De boodschap van mijn  artikel was dat te veel vitamines en mineralen schade kunnen veroorzaken. Zelfs als dat alleen voor oudere vrouwen geldt (wat dus waarschijnlijk niet zo is)  is het nieuwswaardig: de onderzoeksgroep was zeer groot en de vrouwen zijn decennia lang gevolgd. Het gaat dus om een zeer deugdelijke studie, gepubliceerd in een vooraanstaand medisch tijdschrift.”  

Over de kop,  ’Supplementen slikken ongezond’, die meer uitnodigt tot lezen dan het correctere ‘Sommige supplementen kunnen bij oudere mensen misschien leiden tot een iets eerdere dood’, zegt De Visser: “Ten eerste schrijven we de koppen niet zelf, ten tweede zijn we gebonden aan een beperkt aantal woorden voor een dergelijk bericht. Je probeert dan ook zo pakkend mogelijk te schrijven, en dan kan het voorkomen dat een bericht minder genuanceerd is.”  

Twijfel  

Ondanks meerdere onderzoeken bestaan er dus nog volop twijfels over hoeveel we wel of niet aan voedingssupplementen moeten slikken per dag. Sommige voedingssupplementen vergroten wellicht de kans op prostaatkanker, anderen verlagen juist het risico op darmkanker. Volgens een woordvoerster van KWF Kankerbestrijding is het weliswaar zo dat het slikken van een teveel aan voedingssupplementen een averechts effect kan hebben, maar ze benadrukt dat mensen die een normale hoeveelheid vitamines slikken zich geen zorgen hoeven te maken. ‘Je moet wel heel erg veel slikken wil het schadelijk zijn.’  

Ook het Voedingscentrum verzekert ons dat het slikken van voedingssupplementen in principe niet zoveel kwaad kan. Alleen in specifieke gevallen kunnen bepaalde supplementen met hoge doseringen het risico op kanker vergroten. Het voedingscentrum adviseert dan ook alleen supplementen te slikken als je echt een tekort hebt aan een bepaalde stof, en de dagelijks aanbevolen hoeveelheid niet te overschrijden.  

In ieder geval kunnen we ons dus geruststellen met de gedachte dat aan gezond eten met veel groente en fruit zich nog nooit iemand een buil heeft gevallen. Dat het tandglazuur door overmatig fruitgebruik wordt aangetast is dan weer een probleem van een heel andere categorie.  

   

Een vloedgolf aan ontbrekende cijfers

Friday, September 23rd, 2011

Door: Kimberly Camu en Maud Etman 

Tijdens de zomervakantie ontstaat er een “tsunami aan seksueel overdraagbare aandoeningen bij jongeren”, kopte Sp!ts op 2 september 2011. Zij zouden te gemakkelijk vrijen zonder condoom en zich daarna niet regelmatig laten testen. Deze stevige uitspraak werd door verschillende bronnen in het stuk ondersteund, maar cijfer-materiaal kwam er niet aan te pas. Reden tot schrik? Niet na wat nader onderzoek door Nieuwscheckers: jaarlijks gaat het aantal soa-besmettingen wel iets omhoog, maar dat heeft weinig te maken met de zomerperiode en er is al helemaal geen sprake van een vloedgolf.  

In het Sp!ts-artikel neemt Bram ter Harmsel, voorzitter van stichting SoaCare en gynaecoloog bij de Reinier de Graaf Groep in Delft en Voorburg, het voortouw.  Zijn stichting claimt dat er een ‘sterke toename van besmettingen’ is tijdens de zomervakantie, maar onderbouwt dit niet met cijfers. Die cijfers zijn er ook niet, bekent Ter Harmsel: “Er is geen onderzoek gedaan en daarom wil ik hierbij de term tsunami relativeren. Maar er zijn ook relatief weinig cijfers, want die worden niet goed verzameld en opgeslagen. Soa Aids Nederland, de andere bron in het stuk, heeft ook geen concrete cijfers, noch de GGD.” Dus waarom dit bericht?  “We willen aandacht vestigen op dit probleem. Mensen zijn niet voorzichtig genoeg tijdens het vrijen, het hoeft maar een keer onbeschermd te zijn en je kan besmet zijn met een soa. Dit is op zich niet erg, mits mensen zich regelmatig laten testen.” 

Goedkope aandacht 

En juist om die testen gaat het volgens dokter Ter Harmsel. “De meeste testen verkocht via de drogist zijn maar voor 40 procent betrouwbaar en dat betekent dat er een gevaar is dat er mensen een negatieve uitslag hebben terwijl ze juist wel besmet zijn.” En precies in deze niche springt SoaCare door op hun vernieuwde website achtergrondinformatie te geven over soa’s en thuistesten aan te bieden die wel betrouwbaar zijn.  Ook via Twitter en Facebook, allebei opgericht in de week van de publicatie van het artikel, wil SoaCare hun cliënten te woord staan. 

“We hebben een persbericht de deur uit gedaan naar specifieke media om te kijken of ze het verhaal zouden oppikken. Je kunt allerlei advertenties zetten, maar nu schrijven journalisten stukjes voor ons. Zeker voor een stichting met weinig middelen is dit een goedkope manier om in het nieuws te komen. Binnenkort gaan we het weer proberen.” 

Kansberekening 

Naast Ter Harmsel komt ook de medicus Koen Quint voor in het artikel. Gepromoveerd op een proefschrift over chlamydia, is hij nu dermatoloog in opleiding bij het LUMC. Opvallend genoeg is Quint ook op vrijwillige basis betrokken bij stichting SoaCare als adviseur. Dit vermeldt Sp!ts niet, wat de illusie wekt dat er vier in plaats van drie bronnen zijn gebruikt. 

Toen Nieuwscheckers contact zocht met Quint, wilde hij geen telefonisch interview afleggen. “Tot nu ben ik vier keer geïnterviewd door de media, waaronder Sp!ts, en twee keer onjuist geciteerd zonder inzage vooraf.” Ook in dit artikel waren zijn woorden verdraaid, aldus Quint: “De cijfers van chlamydiabesmetting in de stad en op het platteland liggen genuanceerder: die soa komt bij 8 pocent van de bevolking in de grote steden voor en in het platteland ligt dit percentage tussen de 1 en 4. Bovendien is de 100 procent zekerheid van besmetting bij vrijen met een persoon die besmet is met chlamydia onjuist; het risico wordt geschat op 50 procent bij eenmalig sexueel contact, indien een van de twee partners besmet is, maar dat houdt niet in dat met twee keer vrijen het percentage op 100 procent ligt.” 

Lichte stijging  

De derde bron die wordt genoemd is de GGD, dit keer mét concrete data. “Bij jongeren is het de belangrijkste soa: één op de tien jongeren krijgt na een test bij de GGD de diagnose chlamydia, dat tot onvruchtbaarheid kan leiden.” Henny Vermaas, communicatieadviseur van GGD Hollands Midden bevestigt dat dit uit hun cijfers blijkt. “Bij ons had 11 procent van de jongeren chlamydia als uitslag van een soa-test.” Vermaas laat weten dat Sp!ts voor deze gegevens geen contact heeft opgenomen met de overkoepelende organisatie GGD Nederland of de afdeling Hollands Midden.  “Maar het zou kunnen dat een van de andere regionale kantoren is benaderd.”

Vermaas legt uit dat het aantal consulten niet opvallend omhoog gaat in de zomerperiode. Volgens de GGD Hollands Midden is er in elk geval geen sprake van een tsunami, maar wel van een lichte stijging: het aantal diagnoses chlamydia is gestegen van ongeveer 80 in 2006 naar 155 in 2010. Meer en meer jongeren laten zich testen, dus het zou kunnen dat zo ook meer besmettingen worden ontdekt.  

“Er is wel een lichte stijging in september. Mensen hebben natuurlijk meer wisselende contacten en seks in de zomer”, liet Paul Zantkuijl namens Soa Aids Nederland weten, de vierde bron in het artikel van Sp!ts. Zantkuijl ziet het soa-probleem zeker als nieuwswaardig, maar vindt het niet correct wanneer het als plotselinge stijging wordt gepresenteerd. Een tsunami is in elk geval overdreven: “Wij werden gebeld en de journalist van Sp!ts legde ons wat informatie voor, met de vraag wat wij er van vonden. Dat is heel netjes. Met de formulering van stichting SoaCare hebben wij verder niets te maken; het was de keuze van Sp!ts om die ‘tsunami’ zo prominent neer te zetten.” 

Advertentieafdeling  

De keuze voor het woord ‘tsunami’ en de manier waarop het Sp!ts-artikel tot stand is gekomen, wilde Nieuwscheckers graag bespreken met de schrijfster ervan, Annette Karimi. Karimi liet via Twitter weten dat “De Sp!ts hier [factchecken] niet aan mee doet”. Een telefoontje met de redactie maakte duidelijk dat de Sp!ts wel degelijk meedoet met factchecken, zolang “de vragen maar ergens op slaan”.  Nieuwscheckers heeft vervolgens meerdere malen contact gezocht met Karimi, maar een reactie bleef uit. 

Sp!ts heeft met het artikel een valse tsunamiwaarschuwing afgegeven; er was misschien sprake van een klein golfje, geen vloedgolf. Het persbericht, duidelijk bedoeld als marketingmiddel, berust niet op onderzoek en vestigt zo aandacht op een gefabriceerd probleem. Soa-voorlichting blijft belangrijk, maar daar moeten journalisten zich niet voor laten gebruiken. Karimi had het persbericht door moeten sturen naar de advertentieafdeling, waar het volgens Nieuwscheckers thuishoort. 

 

Medicijngegevens patiënt één op drie keer fout – of bijna altijd goed?

Friday, June 24th, 2011

Door: Wendy Dallinga en Sjoukelien van der Laan

Een op de drie keer klopt het overzicht van medicijngebruik van patiënten niet, meldde het ANP in maart. Het onderzoek waarop het bericht is gebaseerd, is niet representatief, en de uitkomsten zijn ook positiever te lezen: bij meer dan negen van de tien patiënten kloppen de medicijngegevens altijd of meestal wel.

Het ANP-bericht is gebaseerd op onderzoek van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), een koepel voor organisaties zoals de Nederlandse Patiëntenvereniging en de Multiple Sclerose Vereniging Nederland. De NPCF organiseert jaarlijks meerdere meldacties. Zo konden patiënten het afgelopen jaar klachten melden over veiligheid in de zorg,  tandartsen- en spoedeisende zorg, en informatie over huisartsenzorg.  Bij deze meldacties wordt onder meer gebruik gemaakt van een vast panel van Consument en de Zorg.nl, een site waarmee de NPCF ervaringen van patiënten verzamelt.  Dit panel is ook gebruikt voor het onderzoek naar de overdracht van medicijngegevens bij  huisarts, apotheek en medisch specialist, een meldactie die tot stand kwam in samenwerking met de Reumapatiëntenbond.

Goede indruk

Hoewel het persbericht van de NPCF suggereert dat de uitkomsten representatief zijn voor Nederland, erkent het rapport dat dat niet zo was. Toch zegt de NPCF “gezien de omvang en de samenstelling van de respondentengroep” een goede indruk te hebben van de stand van zaken. Als je kijkt naar de samenstelling van de respondenten rijst de vraag waar die goede indruk op is gebaseerd. Van de ongeveer 4.000 melders is 69 procent vast panellid van Consument en de Zorg en heeft maar liefst 83 procent een chronische aandoening. Opvallend is voorts dat ongeveer 62 procent van de respondenten afkomstig is uit vier provincies: Noord-Brabant, Noord- en Zuid- Holland en Gelderland.

Het voordeel van een vast panel is dat er snel kan worden onderzocht wat de leden daarvan vinden van een bepaald onderwerp. De uitkomsten kunnen helpen om een beslissing te nemen of kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. De bekende keerzijde is dat de groep vaak niet representatief is en dat bij regelmatige ondervraging van de panelleden de antwoorden beïnvloed worden door onder meer eerdere onderzoeken. Er wordt dan niet meer onbevangen geantwoord. Een panel van meer dan 3.000 mensen kan op zich wel een goede indruk geven van hoe een specifieke groep mensen over een bepaald onderwerp denkt. In dit geval zijn dat ongeveer 3.300 mensen met een chronische aandoening. Het is voorspelbaar dat er bij deze groep chronisch zieken wel eens iets mis gaat bij de overdracht van medicijnen. Het gaat echter te ver om vervolgens de uitspraken van toepassing te verklaren op alle patiënten in heel Nederland.

Stapelen

Zowel het persbericht van de NPCF als het nieuwsbericht van het ANP beweren dat het overzicht van medicijngegevens een op de drie keer (36%) niet klopt. De NPCF gooit echter drie percentages op een hoop. Wanneer we de gegevens meer nuanceren zien we een veel positiever beeld. Uit het onderzoek blijkt dat bij 64 procent van de patiënten het overzicht van medicijngebruik altijd klopt, bij 28 procent meestal, bij 4 procent soms en bij 2 procent nooit.  Bij 92 procent (!) kloppen de medicatiegegevens dus altijd of meestal.  Just Eekhof, huisarts-epidemioloog en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap, vindt de keuze van het NPCF voor het optellen van de percentages opvallend. Just Eekhof:  “De cijfers zo presenteren dat een opvallend resultaat gevonden wordt, vind ik niet kunnen.” 

Timing

Het is opvallend dat de NPCF op 22 maart het persbericht over fouten in de overdracht van medicatie naar buiten bracht.  Twee weken later, op p 5 april, moest de Eerste Kamer namelijk een besluit nemen over het elektronische patiëntendossier (EPD). De NPCF is daar een voorstander van en heeft, kun je zeggen, belang bij negatieve resultaten als het gaat om communicatie over medicatiegebruik. In een reactie zegt het NPCF dat het persbericht niet opzettelijk voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer is geplaatst.  

Het persbericht van de NPCF en het nieuwsbericht van het ANP behoeven meer nuancering. In dit geval is het duidelijk dat zowel het ANP als alle media die het bericht hebben overgenomen geen moeite hebben gedaan de percentages uit het persbericht te controleren en kanttekeningen te plaatsen bij de representativiteit van het onderzoek.  Zeker gezien het moment van plaatsing, toen het elektronisch patiëntendossier in de actualiteit was, hadden ze dat wel moeten doen.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • biologie (1)
  • cultuur (3)
  • dagelijks leven (21)
  • economie (13)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (5)
  • medisch (47)
  • milieu (1)
  • misdaad (24)
  • Multicultureel (5)
  • natuur (8)
  • pedagogiek (4)
  • politiek (7)
  • psychologie (22)
  • Psychopathie (1)
  • religie (5)
  • seksualiteit (1)
  • Social media (2)
  • Tandheelkunde (2)
  • Technologie (4)
  • uiterlijk en gezondheid (1)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (3)
  • wetenschap (41)
  • Zorg (2)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes