medisch

Wijn drinken beschermt niet tegen Alzheimer

Wednesday, December 7th, 2016

Door: Rozemarijn Brus en Veerle van der Gracht

“Wijn is goed voor je brein”, kopten websites zoals Esquire en Libelle: regelmatig een glas wijn drinken zou de kans verminderen op ziektes zoals Alzheimer en Parkinson. Het nieuws is gebaseerd op  onderzoek van de Amerikaanse neuropsycholoog Sarah J. Banks. Nieuwscheck: wijn is niet zomaar goed voor je brein.

Sarah J. Banks (Cleveland Clinic Lou Ruvo Center for Brain Health, Las Vegas) onderzocht de hersenstructuren van dertien sommeliers en dertien niet-sommeliers. Bij de wijnkenners was het gedeelte van de hersenen waarin zich het langetermijngeheugen bevindt opvallend groter. Hoe langer hun ervaring, hoe groter het hersengebied. Daarnaast was het hersengedeelte dat zintuiglijke prikkels opslaat ook dikker en actiever bij de sommeliers tijdens wijn-ruiktaken. Deze verschillen suggereren dat gespecialiseerde training bepaalde hersengebieden verbetert die als eerste beïnvloed worden door ziektes zoals Alzheimer en Parkinson.

Nederlandse media zoals Esquire en Libelle, maar ook buitenlandse media zoals de New York Post schreven over het onderzoek van Banks. Veel strandden helaas bij de conclusies. Het blijft moeilijk om een wetenschappelijk onderzoek goed over te brengen in de media volgens Sanne Boesveld, voedingswetenschapster aan Wageningen University en reviewer van Banks’ onderzoek: “Onderzoek is vaak specifiek en er komt geen eenduidig beeld uit, dit maakt het moeilijk te vertalen naar een mediagenieke boodschap voor het brede publiek.”

Hersenen: dikker is niet beter

Hoewel diverse media concluderen dat wijn drinken goed voor je is, gaat het onderzoek van Banks juist over wijn ruiken. “Mensen die regelmatig een glas wijn drinken, hebben minder snel last van ziektes zoals Alzheimer of Parkinson”, schrijft Libelle. Esquire doet er nog een schepje bovenop: hoe meer je ruikt en drinkt, hoe gezonder het voor je is. Dus: “Daar drinken we er dus maar een op. Of twee.” Toch slaan ze hiermee de plank volledig mis. “Dit is ontzettend kort door de bocht en misleidend”, aldus Boesveld.

Veel media hechten ook zonder enige context een positieve waarde aan dikkere hersendelen. De New York Post schrijft bijvoorbeeld: “Though we don’t know for sure, there is a possibility that when it comes to the brain, thicker is better.” Alleen, dikker is niet per se beter. “Je hebt twee groepen kinderen: één groep speelt geen piano en de andere groep wel. Wordt er na een jaar een volumetoename bij de pianisten gevonden? Dan is deze volumetoename in dat opzicht een gunstig effect”, vertelt hoogleraar neuropsychologie Erik Scherder (VU). “Maar je ziet ook studies waarbij mensen met een hersenaandoening een groter volume laten zien, omdat zij veel meer moeite moeten doen om überhaupt iets voor elkaar te krijgen. Dan is een toename van volume juist ongunstig.”

Geen bescherming tegen Alzheimer

Diverse nieuwssites stellen verder dat goed wijn kunnen ruiken de gezondheid op lange termijn verbetert. De New York Post: ”[Banks] notes that the findings could suggest that living like a sommelier and paying close attention to how things taste could improve your health in the long run.” Maar dit zijn overhaaste conclusies. Scherder: “Of dat het je beschermt tegen de ziekte van Alzheimer, is een grote uitkomst. Als iemand dat beweert, dan moet je zeggen: ‘Waar baseert u het op?’” Uit alleen dit onderzoek kan niet worden afgeleid dat wijn ruiken Alzheimer tegen zou gaan. “Dat zou je met epidemiologische studies kunnen nagaan”, stelt Boesveld voor.

Daarnaast zijn er grote verschillen in hersenen van mensen en kun je niet zomaar concluderen dat ruiken aan wijn voor iedereen hetzelfde effect heeft. “Je kunt niet iedereen over één kam scheren. Het brein kent een variatie van veertig procent”, vertelt Scherder. Verder hangt de structuur van je brein ook af van genen, erfelijke factoren en je omgeving.

Onduidelijke oorzaak-gevolgrelatie

Tot slot trekken veel media een onterechte oorzaak-gevolgconclusie uit het onderzoek. “Het onderzoek van Banks is een cross-sectioneel onderzoek”, benadrukt Boesveld. Het zou zomaar kunnen dat mensen met een groter volume van deze hersenstructuren makkelijker sommelier kunnen worden, in plaats van andersom. Dit zou betekenen dat hoeveel wij ook aan wijn zouden ruiken, het niet per se betekent dat dit ook enig effect heeft op onze gezondheid.

Volgens Scherder kun je alleen een juiste oorzaak-gevolgconclusie trekken zodra je weet of er een correlatie is tussen het actieve gebruik van de reukzin en de dikkere hersendelen van de sommeliers. “Je zegt: deze man is geen sommelier en nou wordt hij sommelier. Vervolgens volgen we hem twintig jaar en dan zien we dat het hersengebied in volume is toegenomen. Dan pas kun je stellen: het een wordt veroorzaakt door het ander.”

Conclusie

Kortom, in de hoop een mediagenieke boodschap aan een breed publiek te leveren, hebben verschillende media de verkeerde conclusies getrokken over het onderzoek van Banks. Het gaat niet om wijn drinken, dikkere hersendelen zijn niet per se beter en wijn ruiken staat niet gelijk aan een automatische bescherming tegen Alzheimer voor iedereen. Bovendien is er geen duidelijke oorzaak-gevolgconclusie uit de studie af te leiden. Wijn is niet per se goed of slecht voor het brein, daar is meer onderzoek voor nodig. In de tussentijd drinken we maar een wijntje, zonder al te veel te concluderen.

Foto: Scott Hadfield (Flickr, CC BY-NC-SA 2.0)

Een beetje ‘streng’ is niet schadelijk voor kindergebit

Monday, November 14th, 2016

door: Marieke Nieuwstraten en Anne Wielenga

‘Hoe positiever de opvoedstijl, hoe gezonder het kindergebit’. Althans, dat suggereerde RTL nieuws op 10 september 2016 met het artikel ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders’. Zijn deze beweringen juist of overdreven klikken-triggers? Nieuwscheckers concludeert dat het woord ‘streng’ uit zijn verband is gehaald.

Het nieuwsbericht van RTL is gebaseerd op het proefschrift ‘Just Add Positivity? Dental Caries, Obesity And Problem Behaviour In Children: The Role Of Parents And Family Relations’. Maddelon de Jong-Lenters analyseerde daarin, in samenwerking met onderzoeksbureau TNO, video-opnames van de interactie tussen het kind en een van de ouders. In totaal zijn de ouders van 54 kinderen tussen de vijf en acht jaar getest: 28 kinderen met vier of meer gaatjes en 26 kinderen zonder gaatjes.

Generalisatie
RTL suggereert dat veel kinderen met een slecht gebit strenge ouders hebben. Dit begint al in de kop: ‘Kinderen met slecht gebit hebben vaak strenge ouders.’ Om hoe veel kinderen het gaat en in welke leeftijdscategorie zij zitten, is dan nog niet duidelijk. In de derde alinea is dan te lezen dat het onderzoek is gedaan met vijf- tot achtjarigen. Het totaal aantal vijf- tot achtjarigen in Nederland bedroeg volgens het CBS in mei 743.328. Een groep van 54 kinderen lijkt dan erg klein.

Hoogleraar Methodologie en Statistiek Mark de Rooij (Universiteit Leiden) bevestigt dit: “Het is een kleine groep, 54 kinderen. Niet een mooie steekproef van alle kinderen in Nederland, de generaliseerbaarheid is dan niet gelijk vanzelfsprekend.” Verderop in het RTL-artikel staat: ‘Heeft jouw kind een gezond gebit? Dan geef jij hem of haar vast veel complimentjes.’ Onderzoekster De Jong-Lenters vertelt Nieuwscheckers dat zij dit nooit zo heeft gezegd. “RTL heeft het mij nooit laten teruglezen. Je mag natuurlijk nooit op die manier generaliseren. Het geldt nooit voor iedereen en het is natuurlijk een gemiddelde dat je onderzoekt.”  De proef toont volgens De Jong-Lenters slechts een verband aan. Het ene is niet per se een gevolg van het andere en de volgende stap is om te onderzoeken of de uitkomsten bij een groter vervolgonderzoek hetzelfde zullen zijn.

Streng of positieve opvoedstijl?
Ook in de conclusie van het onderzoek valt iets op. In plaats van ‘vaak strenge ouders’ of ouders die ‘strenger’ zijn, is het vaak een combinatie van factoren die ervoor kunnen zorgen dat kinderen gaatjes hebben. Zo staat er in het laatste hoofdstuk van het proefschrift dat, naast de manier van disciplineren van de ouder, ook de warmte die een ouder geeft aan een kind een rol speelt bij de ontwikkeling van gaatjes. Bij de uitslagen van de video-analyses is ook te lezen dat kinderen zonder gaatjes ook een hogere score hadden op positieve betrokkenheid, aanmoediging, probleemoplossing en relatie. Het zegt dus dat kinderen van ouders die hun kind positief opvoeden minder kans hebben op gaatjes en niet iets over dat andere ouders meteen ‘strenger’ zijn.

“Een positieve opvoedstijl heeft altijd direct of indirect wel invloed op het hele gedrag”, licht universitair docent Gezinspedagogiek Shelley van der Veek (Universiteit Leiden) toe. “De manier van opvoeden is van belang, maar het temperament van het kind speelt ook een rol, dus hoe iemand reageert op iets.” Daarnaast is sociaal-economische status van belang, wat overigens ook in het proefschrift staat beschreven.

Wat is streng?
Dan is er een andere vraag: wat is streng en hoe meet je dat? Een ‘getrainde onderzoeker’ bekeek en beoordeelde interactie tussen het kind en de ouders tijdens het uitvoeren van een aantal simpele taken, zoals samen iets leuks bedenken om te doen in het weekend. Onder andere de criteria ‘dwingend disciplineren’ en ‘discipline’ werden beoordeeld door deze onderzoeker. De mate van ‘dwingend disciplineren’ verschilde in de twee groepen, de mate van discipline week niet duidelijk af. Dit gaat over het aangeven van grenzen, consistentie en een duidelijke manier van aanwijzingen geven aan het kind. Dit is weer een nuanceverschil dat niet duidelijk wordt omschreven in het artikel.

“Streng is niet hetzelfde als consequent zijn”, legt De Jong-Lenters uit. “Als je benadrukt wat je wel wilt zien in plaats van wat je niet wilt zien, merk je dat het slechte gedrag uitdooft.” Het woord ‘streng’ in het artikel is dus niet per se hetzelfde als wat er in de conclusie van het proefschrift wordt besproken.

Wie test wie?
In het persbericht van de UvA staat daarnaast het volgende: ‘In haar kindertandartspraktijk viel het De Jong-Lenters op dat de ouders van kinderen met flinke gebitsproblemen hun kinderen vaak net iets anders benaderen dan andere ouders dat doen.’ In dezelfde doorverwijspraktijk werd de testgroep samengesteld. Is het mogelijk dat de onderzoekster misschien bewust of onbewust de kinderen en hun ouders die volgens haar al ander gedrag vertoonden, uitkoos? De onderzoekster is daar niet bang voor. “Alle kinderen met vier of meer gaatjes in de praktijk zijn gevraagd. Ik denk zelfs dat de mensen die mee hebben gedaan relatief beter deden dan de mensen die niet mee wilden doen. Het verschil zou dan denk ik nog duidelijker zijn geworden.” Bovendien wisten degenen die de video’s moesten beoordelen niet wie er in de onderzoeksgroep (met gaatjes) en in de controlegroep (zonder gaatjes) zaten.

Opvoedadvies van een opvoedkundige
Pedagoge Van der Veek was eerst wat sceptisch over het onderzoek, toen zij het nieuwsbericht las: “Maar toen ik het proefschrift beter ging lezen, werd ik steeds meer overtuigd van de kwaliteit. De methode die ze heeft gebruikt, het analyseren van videobeelden, is een goede manier om de opvoedstijl te meten. Vaak wordt dit alleen met vragenlijsten onderzocht, maar je kunt daarmee moeilijk meten hoe een ouder is in de  interactie met zijn kind. Dus ik vind dit goed gedaan.”

Maar bij een ding zet zij haar vraagtekens. In het artikel wordt door De Jong-Lenters een advies gegeven aan ouders: ‘Zeg nooit meer nee tegen kinderen. Vragen ze om een snoepje? Zeg dan: ‘Ja lekker hè! Dat mag je straks, na het eten.’ Vaak hoor je een kind er dan de hele middag niet meer over. Dit opvoedadvies is volgens Van der Veek onzin. “Het zou best kunnen dat je kinderen dan de hele middag niet meer over dat snoepje hoort, maar dat je nooit meer nee mag zeggen tegen kinderen is onzin. Nooit meer nee zeggen staat niet gelijk aan een positieve opvoedstijl. Dat is iets anders. Je moet als ouder vooral sensitief zijn, op de juiste manier reageren. Dit betekent echter niet dat je kinderen altijd hun zin moet geven, je moet vooral consequent zijn.  Ik vind deze uitspraak dus te kort door de bocht en uit zijn verband getrokken door RTL nieuws. Het is wel zo dat het vaak helpt om een alternatief te bieden, maar kinderen moeten ook gewoon leren wat ze wel en niet mogen.”

RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om commentaar.

Conclusie
Nieuwscheckers concludeert dat het artikel geen nonsens is, maar een verhaal zonder nuance. Zo is de steekproef te klein en niet divers genoeg om te generaliseren. Daarnaast is het vaak een combinatie van factoren die ervoor zorgt dat kinderen gaatjes krijgen. Wat betreft het voorkomen van gaatjes, geeft zowel de tandheelkundige als de pedagoge aan dat consequentie op nummer één staat. Of dat onder de noemer ‘streng’ kan worden geschaard, is wellicht een kwestie van persoonlijke voorkeur.

Foto: Sean Donohue (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Word je geboren als koffieleut?

Friday, November 11th, 2016

door: Gabe Kramer en Misha Melita

‘Koffieleut? Dat ligt aan je genen,’ kopte het AD op 6 september 2016. Dat klinkt niet gek: er wordt immers wel meer bepaald door je genen. De kleur van je haar en ogen en aanleg voor sommige ziekten zitten ook in ons dna. Maar geldt dat ook voor koffie? Nieuwscheck: er is niet één koffiegen, er zijn er meer. Maar hun invloed is beperkt en onzeker.

Het AD was niet het enige medium dat het nieuwtje publiceerde. Ook Nu.nl, de Telegraaf en NRC schreven erover. Het artikel is gebaseerd op een onderzoek waaraan onder andere het Erasmus Medisch Centrum meewerkte. De AD-kop suggereert dat er een verband is gevonden tussen genen en een voorkeur voor koffie. Maar wie het artikel leest, komt er achter dat niet bedoeld wordt dat genen bepalen of iemand koffie lekker vindt, maar hoeveel koffie die persoon drinkt.

De onderzoekers zouden het ‘koffie-dna’ hebben gevonden. Bij aanwezigheid van dit dna breken mensen de giftige stof cafeïne langzaam af, waardoor ze niet snel behoefte krijgen aan een nieuwe kop koffie. Heb je dat gen niet? Dan breek je cafeïne wel snel af, en heb je dus gauw behoefte aan een nieuwe kop.

Het lijkt aannemelijk: je hebt een gen in je dna dat bepaalt hoe snel je na het drinken van koffie zin hebt in meer. Maar is dat verband wel zo eenduidig?

Gen bepaalt koffieconsumptie
Het verband dat de AD-kop suggereert, is in principe niet onwaar, vertelt Najaf Amin van het Erasmus MC: “Op basis van dit onderzoek kun je stellen dat koffiedrinken bepaald wordt door het koffie-gen dat we gevonden hebben.” Maar, geeft ze toe, dat verband is niet geheel eenduidig: “Er zijn natuurlijk ook andere factoren.” Daarmee doelt Amin op externe factoren, zoals cultuur en (werk)omgeving. In de onderzochte groep zijn daarom alle mensen die helemaal geen koffie (met cafeïne) drinken weggelaten. Daarmee is gecorrigeerd voor mensen die het gen wel hebben, maar geen koffie drinken. Maar in de onderzoekspopulatie zitten ook mensen die wél koffiedrinken hoewel dat ze het gen niet hebben. Amin: “Daarvoor is het heel moeilijk corrigeren. Bovendien zou dan de onderzoekspopulatie heel klein worden.” Daarmee zou de betrouwbaarheid van het verband in het geding komen. Het was dus kiezen tussen twee kwaden.

Epigenetica
Genetische verbanden zijn behoorlijk ingewikkelde materie, vertelt Amin. Ook daarom is aanvullend onderzoek nodig. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het gen leeftijdsafhankelijk is, waardoor het zich verschillend gedraagt bij verschillende leeftijden. Amin wijst op het relatief nieuwe onderzoeksgebied van de epigenetica, dat niet alleen de aanwezigheid van genen bestudeert, maar ook of die zich uiten. Uit epigenetische onderzoeken blijkt dat de aanwezigheid van een gen alleen niet bepaalt of iemand bijvoorbeeld koffie drinkt, maar dat externe factoren invloed kunnen hebben op de ‘expressie’ van het gen. Daarmee wordt het verband tussen het ‘koffie-gen’ en koffieconsumptie steeds minder direct en staat het bewijs dat gevonden werd zonder kennis over gedragingen van het gen enigszins op losse schroeven.

Hét koffie-gen bestaat niet
Het onderzoek waaraan Amin meewerkte is niet het eerste dat koffieconsumptie vanuit de genetica wil verklaren. Onder andere Harvard deed dat in 2011. Onderzoekers vonden toen twee genen die in verband konden worden gebracht met koffieconsumptie. Dat blijken echter andere genen te zijn dan in het recente onderzoek waaraan Amin meewerkte.

“Dat kan,” zegt Amin desgevraagd. “Er zijn meerdere genen die meespelen als het gaat om koffieconsumptie.” Het vinden van een gen is dus niet meteen bepalend voor hoeveel koffie iemand drinkt. En er kunnen verschillende combinaties aanwezig zijn tussen genen die wel en genen die niet zorgen voor een snelle afbraak van cafeïne. Dat bevestigt bio-psycholoog Gonneke Willemsen, die vanuit de Vrije Universiteit in Amsterdam meewerkte aan een ander onderzoek naar het verband tussen genen en koffieconsumptie. “Er zijn meerdere genen betrokken bij het proces, die elk kleine effecten hebben. Zo zorgt de ene combinatie van genen ervoor dat iemand sneller misselijk wordt van koffie en een andere set dat iemand in de hersenen snel positieve effecten van koffie ervaart. De combinatie van al deze verschillende genen bepaalt de mate van koffiedrinken.”

Er kan dus eigenlijk niet gesproken worden van hét koffie-gen. Willemsen: “Er is nooit één gen. Dat klinkt mooi natuurlijk, ‘het koffie-gen’, en dat wordt er door de media uitgehaald, maar er zijn altijd een heleboel genen die dat bepalen.” Ook voorspellingen doen op basis van iemands genen is volgens Willemsen ingewikkeld: “Het is niet dat ik een gen meet en denk: die persoon gaat veel koffie drinken.”

Zoals in veel wetenschappelijke studies, roept Amin op tot meer onderzoek. Daarmee sluit ook het onderzoek van Harvard af: “Meer onderzoek naar de precieze functies van deze genen is echter nodig, en het is waarschijnlijk dat er meer ‘cafeïnegenen’ worden geïdentificeerd.” Bovendien, stelt Willemsen, moeten we niet vergeten dat genen niet de enige factor zijn die bepalen of we koffie drinken. “De genen die ontdekt zijn, verklaren maar een klein deel van de individuele verschillen in koffiegebruik, andere factoren zoals simpelweg of koffie standaard wordt geserveerd bij de maaltijd en of koffie duur is, hebben ook een invloed.”

Conclusie
Word je dus geboren met een koffie-gen dat bepaalt of je veel of weinig koffie gaat drinken? Het lijkt er niet op. Het domein van de genetica is behoorlijk ingewikkeld, en een eenduidig verband is niet eenvoudig getrokken. Bovendien zijn er meerdere genen die meespelen in hogere of lagere koffieconsumptie, genen die vooral te maken hebben met de afbraak van cafeïne, waardoor nuance op zijn plaats is. En externe factoren zijn in deze onderzoeken nog niet eens meegenomen. Meldde het AD een onwaarheid? Dat ook niet, want het klopt in principe wel dat er een verband is, maar er spelen ook externe factoren mee waardoor voorspellen op basis van genetische informatie niet mogelijk is.

NU.nl en het Algemeen Dagblad hebben niet gereageerd op onze vragen.

Foto: Lukas Kubicek (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Zonnebril niet hét middel tegen slaapproblemen

Thursday, November 10th, 2016

door: Emma Brink en Twan Hol

“Kun je niet slapen? Zet een zonnebril op’’ kopte EditieNL op 27 september 2016.  Een zonnebril zou het enige zijn dat je nodig hebt tegen slaapproblemen. Nieuwscheck: een zonnebril werkt niet tegen alle slaapproblemen, maar kan helpen bij een verstoord dag- en nachtritme. Het is echter niet de beste oplossing, je kan beter je levensstijl aanpassen.

Volgens Gerard Kerkhof, emeritus hoogleraar Psychofysiologie van de 24-uurs ritmiek en slaap, is het onzin om te zeggen dat een zonnebril alle slaapstoornissen voorkomt. Kerkhof: “Een van de zes categorieën van slaapstoornissen wordt veroorzaakt door het verschuiven van je biologische klok. Alle andere vijf slaapproblemen dus niet. De claim dat een zonnebril opzetten ‘het enige’ is wat je moet doen tegen een slaapprobleem is dus onjuist. Typisch een gevalletje van de klok horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt.”

Glenn Landry, die door EditieNL ‘slaapwetenschapper’ wordt genoemd, is de onderzoeker die pleit voor een zonnebril. Landry is wetenschapper op het gebied van het circadiaan ritme (slaap-waakritme) en legt aan Nieuwscheckers uit dat zijn advies is gericht op mensen die problemen hebben met slapen door een verstoord slaapritme. Landry: ‘’Zie de biologische klok als de dirigent van een orkest, deze dient als gangmaker van ons lichaam en synchroniseert onze fysiologie en gedragingen met de juiste tijd. Om dat goed te doen, moet onze biologische klok weten hoe laat het is. Hoewel de licht/donkercyclus van de zon een van de sterkste aanwijzers van tijd is, heeft de komst van kunstmatige lichtbronnen voor een dramatische groei in nachtelijke blootstelling aan licht gezorgd, die het slaap-waakritme verstoort.’’

Je biologische ritme kan dus zeker verstoord raken door licht, maar dit is niet de oorzaak van alle slaapproblemen. EditieNL heeft dus iets te kort door de bocht geclaimd dat er één oplossing is voor elk slaapprobleem.

Zonnebril als hulpmiddel

Maar als we ons enkel focussen op slaapproblemen die veroorzaakt zijn door een verstoring van onze biologische klok, is dan een zonnebril een goed idee? Volgens Landry wel: “Het idee mag misschien heel raar zijn, toch is het absoluut gebaseerd op gevestigd wetenschappelijk onderzoek naar slaap-waakritmen. Het is gewoon belangrijk om blootstelling aan licht zoveel mogelijk te verminderen in de uren voor het slapengaan. Wanneer we blootstelling aan licht verminderen voor het slapen verbeteren we de productie van melatonine, een hormoon dat het lichaam helpt zich op slaap voor te bereiden. Voor mensen die chronisch moeilijkheden hebben om in slaap te vallen, zoals ik, is het vermijden van licht een belangrijke strategie om het juiste ritme van de melatonineproductie te beschermen. Dit bracht mij tot het advies dat ik gaf over het dragen van een zonnebril in de avond.”

Emeritus hoogleraar Kerkhof bevestigt dat je biologische klok kan verschuiven als je ’s avonds vaak blootgesteld wordt aan fel en blauw licht. Maar volgens hem is een zonnebril opdoen niet de juiste methode. “Het is belangrijker om je levensstijl aan te passen. Veel mensen kiezen ervoor om ’s avonds in fel kunstlicht te zitten en te kijken naar blauw licht, zoals naar smartphones, computers, laptops en e-readers. Men moet zich realiseren dat hierdoor je biologische klok opschuift, het doet je lichaam denken dat de dag langer is, waardoor je pas later slaperig wordt. Maar daarnaast kom je dan ook ’s ochtends minder goed je bed uit. Mensen willen van alles: ’s avonds druk bezig zijn, daarna direct kunnen slapen en de volgende dag vroeg productief zijn. Dat kan gewoon niet. Van wakker zijn naar slapen is een hele grote mentale en fysieke stap. Beter dan een zonnebril is dus om je levensstijl aan te passen: ’s avonds je licht te dimmen en niet tot laat meer naar blauw lichtgevende schermen kijken. ‘’

Deze methode ontkent Landry zeker niet. Naast dat hij zonnebrillen aanbeveelt, is hij van mening dat het belangrijk is om licht ’s avonds te vermijden en ook ’s morgens juist het felle licht op te zoeken. Volgens Landry zal dit zorgen voor een verbeterde regulatie van het slaap-waakritme.

Reactie EditieNL

Het artikel van EditieNL lijkt een ongenuanceerde samenvatting van een Canadees nieuwsartikel van CBC. Redacteur  Sophie Moerman: “Er zijn onderwerpen waarvoor we alles nabellen, maar het kan ook zijn dat we op basis van één onderzoek een artikel maken, zoals hier het geval is. We pikken er een onderdeel uit en vertalen dat dan naar concrete tips waar de lezer wat aan heeft. Zoals: misschien kun je een keer een zonnebril opzetten tegen slaapproblemen. Wij werken voor een doelgroep die wil weten: wat maakt het uit voor mij? Lezers snappen daarbij ook wel dat die zonnebril geen wondermiddel is, maar het is gewoon een leuke tip.”

Dus, voor de goede orde, als u niet kunt slapen en er is sprake van een slaapstoornis, zijn er zes mogelijke categorieën van stoornissen.  Eén daarvan heeft als oorzaak een verstoorde biologische klok. Als u daar last van heeft, kunt u het beste zorgen voor minder blootstelling aan fel en blauw licht. Een zonnebril zou kunnen helpen, maar u kunt beter uw levensstijl aanpassen. Met deze stijl hoeft u thuis ’s avonds niet met een zonnebril op televisie te kijken, maar moet u wel met gedimde lichten op de bank uzelf wat rust gunnen.

Foto: Pixabay (publiek domein)

Helaas, nog geen wondervaccin tegen griep

Monday, November 7th, 2016

door: Merel Broere en Ida Dlugosz

Als we de berichten in de media moeten geloven, zijn we nu toch écht dichtbij een universele griepprik. “Universeel griepvaccin stapje dichterbij” kopte de Volkrant al in 2011. “Universeel griepvaccin op komst” berichtte NU.nl in 2013. En zo luidde dit jaar alweer een optimistische kop bij NU.nl: “Een universeel griep-vaccin kan beschermen tegen 88 procent van virussen”. Zijn we dan nu eindelijk verlost van de jaarlijkse griepprik?

Volgens NU.nl hebben onderzoekers van de Universiteit van Lancaster een vaccin ontwikkeld dat beschermt tegen 88 procent van virussen wereldwijd en tegen 95 procent van virussen in de VS. Allemaal met een eenmalige prik.  Al een aantal jaren wordt er geroepen dat er een universeel vaccin aan zit te komen, tot nu toe zonder succes. Wij vragen ons dan ook af of een universeel griepvaccin überhaupt mogelijk is. Ook bij de verschillen uit het onderzoek in de percentages tussen de VS en de rest van de wereld plaatsten wij onze vraagtekens.

NU.nl vergeet details

Allereerst keken we naar het persbericht van Lancaster University. En inderdaad, de universiteit bericht dat er een universeel griepvaccin is ontwikkeld door een internationaal team van wetenschappers. Echter, er zitten grote verschillen tussen het stukje van NU.nl en het persbericht. Zo vermeldt NU.nl dat er één soort vaccin is ontwikkeld, terwijl het persbericht duidelijk aangeeft dat er twee soorten zijn gemaakt: een voor de Amerikaanse markt en een voor mensen wereldwijd. Vervolgens wordt een zin uit zijn verband gehaald: “We weten dat deze methode veilig is en dat het het merendeel van de tijd werkt.” Volgens NU.nl slaat deze zin op het nieuwe vaccin, terwijl in het persbericht wordt gezegd dat de huidige manier van vaccineren – elk jaar een vaccin tegen de voorspelde virussoorten – veilig is. We kunnen dus niet met zekerheid zeggen of de ontdekking van dit zogenaamde nieuwe vaccin veilig is.

Niet onder de indruk

Bijzonder hoogleraar Virologie Guus Rimmelzwaan (Erasmus Universiteit) begrijpt niet waarom dit onderzoek de media heeft gehaald: “Met de resultaten beschreven in deze publicatie is een universeel influenzavaccin nauwelijks dichterbij gekomen.” Verder blijkt er helemaal geen vaccin te zijn gemaakt; het enige wat is onderzocht zijn de mogelijke plaatsen, in vaktaal epitopen genoemd, in het vaccin waar de antilichaampjes op zouden kunnen reageren, en bij hoeveel mensen deze respons mogelijk zou zijn. Ook is de effectiviteit van het toekomstige vaccin, gebaseerd op dit onderzoek, nog onzeker.

Is een universeel griepvaccin dan een fantasie van de wetenschappers? Toch niet, zegt Rimmelzwaan: “Er is in ieder geval een vaccin mogelijk tegen verschillende ‘intra-subtypische driftvarianten’ die jaarlijks de winteruitbraken van griep veroorzaken en wellicht ook tegen influenza A virussen van andere subtypes, die potentieel een pandemie zouden kunnen veroorzaken. In verschillende diermodellen is dit al aangetoond.” “Maar,” voegt hij eraan toe, “dat gaat zeker nog tien jaar duren.”

Universeel vaccin blijkt lastig

Ook hoogleraar Vaccinologie Huckriede (UMC Groningen) is sceptisch. Er moet goed in kaart worden gebracht wat de onderzoekers bedoelen met universeel: “Beschermt het vaccin tegen ziektes of beperkt het nieuwe symptomen? En beschermt het tegen een relatief groot aantal virussen? Je moet duidelijk vaststellen wat een universeel vaccin moet kunnen om het als universeel te definiëren.”

Volgens Huckriede zorgen de huidige griepvaccins ervoor dat cellen niet kunnen binnendringen: “Aan de buitenkant van de cellen in ons lichaam zitten eiwitten. Deze eiwitten veranderen steeds. Dat maakt het lastig om gerichte vaccins te ontwikkelen die tegen grote aantallen virussen beschermen.” Daarnaast hebben we in ons lichaam cellen die kunnen reageren op geïnfecteerde cellen. Deze cellen richten zich op alle eiwitten en niet alleen op de eiwitten aan de buitenkant. “Als onderzoekers zich op dit soort cellen richten met hun onderzoek, is het mogelijk dat er een universeel vaccin komt dat beschermt tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Echter, een nieuw vaccin kan nog niet in staat zijn om directe infecties te voorkomen, maar wel om ze te beperken.”

Is het dan toch mogelijk om een universeel griepvaccin te ontwikkelen? “Een compleet universeel vaccin gaat er de in komende twintig jaar niet komen. Een vaccin dat alleen beschermt tegen virussen kan wel binnen tien jaar gerealiseerd worden”, aldus Huckriede.

Andere kritiekpunten

Hoewel Huckriede genuanceerder is dan Rimmelzwaan, heeft zij ook kritiek op het onderzoek van de Universiteit Lancaster. “Het is onmogelijk dat er met slechts een enkele injectie beschermd kan worden tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Met twee of drie injecties zou dit wel kunnen. Twee injecties met bijvoorbeeld tussenpozen van twee à vier weken kunnen wel beschermen tegen wereldwijde virussen.” Daarnaast laat het onderzoek ons denken dat de injecties voor onbepaalde tijd werken. Ook dit klopt niet volgens Huckriede: “Het vaccin werkt voor minimaal vijf en maximaal tien jaar.”

Conclusie: slordig artikel NU.nl

Gezien de reacties van de deskundigen is NU.nl met dit artikel te voorbarig. Er bestaat een kans dat er een universeel griepvaccin kan worden gerealiseerd, maar niet binnen nu en tien jaar. NU.nl had beter naar de details van het onderzoek moeten kijken. Er blijkt geen sprake te zijn van een vaccin en het is bovendien onmogelijk om met slechts een enkele injectie te beschermen tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Hier zijn minimaal twee tot drie injecties voor nodig. NU.nl was na herhaaldelijke verzoeken niet bereid om commentaar te geven.
Vooralsnog lijkt het er dus op dat wij pas over tien jaar bij u terug kunnen komen met beter nieuws.

Foto: NHS Employers (Flickr, CC BY 2.0)

Weinig slapen geen succesrecept

Thursday, November 3rd, 2016

door: Cato Montijn en Juul Schepens

‘Weinig slaap maakt succesvol!’, kopte de website van RTL’s EditieNL op 16 september enthousiast. ‘Slimme en succesvolle mensen zweren erbij: weinig slaap’, gaat het artikel verder. Voorbeelden van succesvolle personen die weinig slaap nodig hebben, zijn er in overvloed: Bill Clinton, Donald Trump, Emile Ratelband – allen slapen minder dan vijf uur per nacht. Dit komt doordat mensen die weinig slapen niet door hebben wanneer ze moe zijn, verklaart ene John Jefferson in het artikel.

De boodschap is duidelijk: wie succes wil hebben, moet weinig slapen – des te meer tijd blijft er over voor belangrijke zaken. De theorie wordt niet alleen bevestigd door bekende succesvolle namen als Trump en Ratelband, maar ook door een zekere Jefferson. Jefferson deed onderzoek naar slaapgedrag. Succesvolle mensen, zo zegt hij, hebben niet door wanneer ze moe zijn en kunnen daardoor langer doorwerken met weinig slaap.

Tasten in het duister
De beweringen in het artikel lijken wetenschappelijk onderbouwd: Jefferson is, waarschijnlijk, een wetenschapper die slaapgewoonten van succesvolle mensen onderzoekt. Alleen, John Jefferson is onvindbaar op het internet. Wie hij is, voor welke universiteit hij werkt, wat zijn vakgebied is of zelfs uit welk land hij komt: het zijn vragen die onbeantwoordbaar lijken. De vraag rijst: bestaat John Jefferson wel?

Het stuk wint iets van zijn betrouwbaarheid terug doordat de beweringen die worden gedaan ook van een andere kant worden belicht. Susanne Willekes, kinderlaapcoach bij The Sleep Agency, zegt dat weinig slaap slecht is voor een mens en dat het het concentratievermogen niet bevordert – geen reden dus om aan te nemen dat mensen er succesvoller door zouden kunnen worden. The Sleep Agency is een echt bedrijf, ontdekken we al snel, en ook Susanne Willekes bestaat. Zij is kinderslaapcoach en zet zich in om kinderen en hun ouders een betere nachtrust te bezorgen.

Telefonisch contact met Willekes wijst echter uit dat zij geen medische opleiding heeft, maar is getraind door de Amerikaanse ‘slaapgoeroe’ Kim West. Het lijkt Willekes, zo zegt ze nogmaals, zeer onwaarschijnlijk dat mensen met vier uur slaap per nacht kunnen functioneren. Sterker nog: het is zeer ongezond.

Ooienvaarsverband
Hoogleraar neurofysiologie Joke Meijer, slaaponderzoeker aan Leids Universitair Medisch Centrum,  vindt de studie absoluut niet overtuigend. “Er zijn genoeg mensen die weinig slapen en niet geslaagd zijn in het leven.’ Meijer noemt het een ‘ooievaarsverband’: in de zomer zijn er wel meer ooievaars, maar dit verklaart niet dat er meer baby’s worden geboren.

Ook haalt Meijer een onderzoek aan dat laat zien dat weinig slaap niet leidt tot betere prestaties. “Er is een onderzoek uitgevoerd waarin mensen met weinig slaap verschillende taken moesten doen. Dat ging goed, maar met meer slaap gingen de taken nóg beter.” Hierom is het bij bepaalde beroepen zelfs verplicht om goed te slapen, bijvoorbeeld voor agenten van de Mobiele Eenheid. “De een heeft meer slaap nodig dan de ander, dat is erfelijk bepaald. Maar het is totaal niet zo dat je door weinig slaap succesvol wordt.”

Reactie RTL
Rest de vraag wie John Jefferson is. Een telefoontje met de online redactie van RTL brengt uitkomst: John Jefferson is een verhaspeling van Jeffrey Anderson, een neuropsycholoog werkzaam aan de University of Utah. De redactie heeft de fout dezelfde dag hersteld.

RTL vond de informatie op de site van Research & Development Magazine. Hier is inderdaad te lezen dat mensen die weinig slapen niet door hebben dat ze moe zijn. Redacteur Gerben Kamphorst, verantwoordelijk voor het item dat werd uitgezonden bij RTL Editie NL, zegt dat het artikel niet weinig slaap wil promoten. Integendeel: Kamphorst zegt dat er duidelijk wordt gesteld dat het gaat om uitzonderingen, om mensen die van nature al weinig slapen. Mensen als Donald Trump zijn productiever en zouden daardoor succesvoller kunnen zijn. Ook geeft het artikel geenszins een aanbeveling om minder te slapen, daarom staat in de lead dat 8 uur en 12 uur slaap normaal is. Dit geeft volgens Kamphorst genoeg nuance aan de kop, die minder slaap lijkt te promoten.

Kortom

Weinig slapen maakt je dus niet meteen succesvol, sterker nog: het is ongezond. De kop ‘Weinig slapen maakt succesvol!’ is misleidend en de manier waarop het artikel is geschreven insinueert dat het leidt tot succes. De aangehaalde expert, slaapcoach Willekes, is geen wetenschapper op het gebied van slaap en ook de verhaspelde naam van de onderzoeker laat zien dat het een en ander schort aan het stuk van RTL.

Geeft Stiff Bull je seksleven vleugels? Dat blijkt tegen te vallen.

Thursday, November 3rd, 2016

door: Nick Boshuijer en Oscar Enklaar

Ben je een man en gaat het al jarenlang slecht met je relatie? Is de laatste keer dat je hebt gevreeën net zolang geleden als het eerste seizoen van Idols? Wellicht komt dat door erectieproblemen, maar als we het Algemeen Dagblad moeten geloven is er hoop. “Deze koffie geeft je een erectie die drie dagen blijft”, claimt AD.nl op 29 september 2016. De oplossing zou zitten in een bakje oploskoffie van het merk Stiff Bull. Nieuwscheckers rook een verdacht luchtje en besprak de werking van de koffie en de ingrediënten met experts. Onze conclusie: Stiff Bull is absoluut geen wondermiddel en het AD had er daarom nooit reclame voor mogen maken.

Op de website van Stiff Bull stelt het merk dat de driedaagse stimulerende werking wordt veroorzaakt door de kruiden tongkat ali, macawortel en guarana. Dat dit niet de enige ingrediënten zijn, komt ook naar voren in het artikel van het AD. Kort nadat de eerste berichten over Stiff Bull de internationale media bereikten, greep de Amerikaanse Food and Drug Administration namelijk in. Stiff Bull is helemaal niet natuurlijk: de stimulatie van de penis komt door de chemische stof desmethyl carbodenafil, beter bekend onder de naam sildenafil of Viagra®. De FDA meent dat deze stof in combinatie met medicatie tegen diabetes en hartziekten een dodelijke afloop kan hebben. Uroloog Jack Beck, die promoveerde aan de Universiteit Leiden, bevestigt dit. “Voor bepaalde patiënten, die nitraten als medicatie hebben, kan dit levensgevaarlijk zijn.” De vraag die echter niet wordt beantwoord door de FDA is of de receptuur van Stiff Bull inderdaad een driedaagse erectie bezorgt.

Lichamelijk onmogelijk

Gespecialiseerde artsen zijn het erover eens: het is lichamelijk onmogelijk om een erectie van drie dagen te hebben. Uroloog en wetenschapper Bert-Jan de Boer schreef diverse boeken over erectieproblemen en waarschuwt Nieuwscheckers voor de gevaren van een langdurige erectie: “Een erectie van zes tot acht uur is het absolute maximum.” Wanneer een erectie langer dan acht uur duurt, moet zelfs door een dokter worden ingegrepen. “Bij een erectie concentreert bloed zich rondom de penis, maar na verloop van tijd zorgt het ontbreken van vers bloed voor beschadiging van het weefsel van de zwellichamen.” De Boer stelt bovendien dat sildenafil niet effectief genoeg is voor een dagenlange erectie: “Na zo’n vier uur is dat middel uitgewerkt, daarnaast geef het geen constante erectie. Het werkt alleen als een patiënt ook geestelijk seksueel opgewonden raakt.” De Boer concludeert dat het artikel van AD.nl “pertinente onwaarheden” verkondigt en acht de kans aannemelijker dat Stiff Bull een stimulerend effect van drie uur geeft, dan van drie dagen.

Magische combinatie van ingrediënten?

Uroloog Jack Beck vult aan dat de overige ingrediënten van Stiff Bull ook onmogelijk het beloofde effect kunnen waarmaken. “Er zijn enkele studies die suggereren dat kruidensoorten als maca en tongkat ali het libido verhogen, maar echt goede studies ontbreken.” Guarana is een cafeïnevrucht die ook in diverse frisdranken, waaronder Red Bull is verwerkt: “Waarschijnlijk hebben ze daar hun naam op gebaseerd.” Prof. Dr. Kristiaan Demeyer van de Universiteit Brussel is specialist in de kruidenleer (fytotherapie) en laat weten dat de kracht ook niet kan zitten in een combinatie van alle ingrediënten. “De genoemde planten zijn mij in dit kader gekend en zijn zeer klassiek.” Demeyer stelt dat tongkat ali en de macawortel wel een hormonaal effect veroorzaken, maar dat doen ze alleen bij mannen met te lage testosteronwaardes. “Mannen die een normaal testosterongehalte hebben kunnen zelfs een averechts effect ondervinden.” Ook in combinatie met sildenafil zijn deze kruiden niet effectief genoeg: “Stiff Bull zet duidelijk in op meerdere paarden, het lijkt erop dat het de namen van natuurlijke ingrediënten misbruikt.”

Placebo-effect

Seksuoloog Hanneke Termeer van het AMC heeft nog nooit gehoord van erectiemiddelen met deze extreme werking. Volgens haar speelt het placebo-effect een grote rol in de werking van dit soort ‘medicijnen’. “Voor veel mannen werkt alleen het idee van een pilletje, of in dit geval een kop koffie ook al. Uiteindelijk zitten er in sommige gevallen helemaal geen stimulerende middelen in.”

Geen wondermiddel

We stellen vast dat het artikel van AD.nl feitelijk onjuist is en dat Stiff Bull zijn klanten voor de gek houdt. Nadat de FDA al concludeerde dat de ingrediënten in Stiff Bull niet natuurlijk zijn, stellen wij vast dat de koffie zijn beloftes onmogelijk kan waarmaken. De ingrediënten van de koffie zijn simpelweg niet krachtig genoeg om een driedaagse erectie te bezorgen. Bovendien is het lichamelijk onmogelijk om zo’n lange erectie te hebben. Het AD maakt met het artikel dus reclame voor kwakzalverij en had de feiten beter moeten onderzoeken.

Reactie Algemeen Dagblad

Tomas Riemens, de auteur van het stuk, laat ons weten dat het artikel op AD.nl in samenwerking met Het Laatste Nieuws is geschreven. Riemens vertrouwde de informatie van deze Belgische partner uit De Persgroep, waardoor hij zelf de feiten niet heeft gecontroleerd: “Ik heb de website van Stiff Bull bekeken en die vond ik betrouwbaar genoeg ogen.” Naar aanleiding van onze resultaten geeft Riemens aan dat er fouten zijn gemaakt bij het schrijven en plaatsen: “Het was eerlijker tegenover onze lezers geweest om eerst te onderzoeken of Stiff Bull echt werkt.” Riemens geeft ruiterlijk toe dat het artikel in dat geval hoogstwaarschijnlijk niet gepubliceerd zou zijn. Stiff Bull liet weten niet te willen reageren op deze factcheck.

Inmiddels zouden er ongeveer 200.000 bestellingen per maand bij Stiff Bull worden geplaatst. Het is zeer waarschijnlijk dat de consumenten van de koffie worden geconfronteerd met een ‘slappe bak’. Volgens uroloog De Boer is er een klein beetje hoop voor de tobbende man: “Het door toeval ontdekte Viagra® is nog altijd een zeer effectief erectiemiddel, maar dat werkt dus absoluut geen drie dagen.”

Foto: Pixabay.com, Creative Commons CC0

Te laag geboortegewicht? Dan sport je later waarschijnlijk echt minder

Monday, October 31st, 2016

door: Thomas de Lange en Nicky Terink

“Baby met laag geboortegewicht sport later relatief weinig,” kopte nu.nl op 2 september 2016. Uit Brits onderzoek is naar voren gekomen dat deze baby’s op volwassen leeftijd bijna twee keer zo weinig sporten als volwassenen met een normaal of hoger geboortegewicht. Volgens hoofdonderzoeker Ahmed Elhakeem is het de hoogste tijd om deze lichtgewichten eens extra aan te moedigen om meer aan lichaamsbeweging te doen, zodat zij ook van de gezondheidsvoordelen genieten. Hoewel de relatie “laag geboortegewicht” en “weinig sporten” nogal at random klinkt, ontdekte Nieuwscheckers dat dit nieuws best wel eens kan kloppen.

Behalve op nu.nl verschijnt het bericht op de gezondheidswebsites babyenkind.nl en nationalezorggids.nl, die beide verwijzen naar nu.nl.

Waar komt het nieuws vandaan?

Op 2 september publiceert New Scientist een bericht onder de kop “People born underweight do less excercise throughout their lives.” Onderzoek van University College London zou dit uitwijzen. De onderzoekers kwamen tot hun bevindingen na een follow-up studie met bijna 3000 Britten, geboren in 1946. Op verschillende momenten in hun leven, tot op 68-jarige leeftijd, hebben zij vragenlijsten ingevuld. Hierin werd hen onder andere gevraagd hoe vaak ze precies sportten. Ten behoeve van het onderzoek maakte de docent lichamelijke opvoeding tijdens de middelbareschooltijd al aantekeningen over de sportprestaties van de onderzochte Britten.

De cijfers lijken er niet om te liegen: de categorie “geboortegewicht lager dan 2,5 kilo” (officieel is dat te laag, en niet “laag” zoals in de kop van het artikel staat) presteerde op school al bijna twee keer zo vaak “onder gemiddeld” tijdens de gymlessen en later sportten ze gemiddeld 1,78 keer minder dan de groep met een normaal of hoger geboortegewicht. Conclusie: als je geboren wordt met een te laag geboortegewicht, ben je minder sportief en ben je er ook minder goed in. Bovendien, concludeerden de onderzoekers, had de groep lichtgewichten op latere leeftijd minder plezier in sport.

De oorzaak van dat gebrek aan plezier ligt volgens Elhakeem in de lagere prestaties tijdens de gymles op school. In eerder onderzoek – Brustad, Babkes & Smith (2001) – is inderdaad al vastgesteld dat de mate van prestatie inderdaad van invloed is op het welbevinden van mensen tijdens sport. Positieve ervaring tijdens schoolgym verhoogt je intrinsieke motivatie, waardoor de kansen groter worden dat je gedurende de rest van je leven aan sport blijft doen. Dat mensen met een laag geboortegewicht later minder aan lichaamsbeweging doen, klinkt als we deze redenatie volgen eigenlijk helemaal niet zo gek.

Maar klopt het nieuws ook?

“De wetenschappers kunnen alleen nog gissen naar het verband tussen geboortegewicht en lichaamsbeweging”, valt te lezen in het artikel op nu.nl. Daarnaast verwijst Elhakeem naar een tiental oudere onderzoeken waar compleet andere resultaten uit zijn gerold: van totaal geen relatie tussen geboortegewicht en sportgedrag tot een redelijk grote relatie tussen de twee variabelen. Genoeg reden voor Nieuwscheckers om de geldigheid van het nieuwsbericht en het onderzoek in twijfel te trekken.

We benaderen dr. Frank van den Dungen, neonatoloog (geneeskundige voor vroeggeboren of zieke zuigelingen) op het VUMC. Hij durft geen antwoord te geven op de vraag over de relatie tussen een laag geboortegewicht en minder sporten. Ook Luc van Loon, hoogleraar sportwetenschappen aan het Maastricht UMC, kan ons niks vertellen. “Dit is puur epidemiologie.”

Epidemiologie, dat is de wetenschappelijke discipline die het vóórkomen en de verspreiding van ziekten en gezondheidsindicatoren in menselijke populaties bestudeert, in relatie met de factoren die daarop van invloed zijn. We spreken met Frits Rosendaal, hoogleraar klinische epidemiologie aan het LUMC. Op het net nieuwsbericht zelf valt volgens hem niet veel aan te merken: “Ik vind het verslag wel een genuanceerde weergave van het onderzoek: de onderzoekers claimen geen causaliteit en de verslaggever ook niet. Ook interpreteert hij de hoofduitkomsten correct: de lichtgewichten presteerden minder goed op schoolgym en sportten later minder.”

Wel heeft Rosendaal een opmerking over de berichtgeving van de cijfers: “De journalist heeft de getallen door elkaar gehaald: hij schrijft dat mensen met een laag geboortegewicht 1,9 minder aan sport doen dan de andere groepen, terwijl dit gaat over het cijfer van de prestaties op school. In plaats van die 1,9 had hier beter 1,78 kunnen staan, het gecorrigeerde cijfer binnen het onderzoek.”

Goed, op het onderzoek en het nieuws valt –op die vergissing in de cijfers na-  volgens Rosendaal niet veel aan te merken. Maar hoe zit het dan met de causaliteit? Beïnvloedt je geboortegewicht definitief je sportgedrag, of is er iets anders aan de hand? Rosendaal: “Causaliteit is altijd een probleem bij observationeel onderzoek, want er kunnen achterliggende factoren zijn die samenhangen met de determinant (hier laag gewicht) en de uitkomst (hier minder sporten). Dat kan hier natuurlijk ook best, bijvoorbeeld dat het allemaal moeders waren die zich te pletter rookten en dronken tijdens de zwangerschap. Dat levert kleine kindjes op en die zullen daarna misschien ook geen opvoeding genieten waarin sport gestimuleerd wordt.” Maar deze kanttekening betekent volgens Rosendaal absoluut niet dat de relatie niet bestaat: “De conclusie dat kinderen met een laag geboortegewicht weinig sporten, en dus een duwtje in de rug mogen krijgen, past zowel bij een causale als niet-causale associatie.”

Dus?

Na bestudering van het onderzoek en gesproken te hebben met een epidemiologisch expert kunnen wij niet anders dan onze twijfels over het nieuwsbericht en het onderzoek intrekken. Ja, Dennis Rijnvis, schrijver van het artikel op nu.nl, heeft de kop verkeerd overgenomen: een laag geboortegewicht is niet hetzelfde als een té laag geboortegewicht. En ja, hij heeft ook de cijfers niet helemaal correct overgenomen. Maar de strekking van het verhaal is een correcte interpretatie van het onderzoek. Voor het totaalplaatje zoeken we toch nog even contact met de journalist. “Om te bepalen of een onderzoek geschikt is voor journalistieke doeleinden, kijk ik altijd in wat voor blad het staat, in dit geval ging het om een gerenommeerd tijdschrift. Nee, ik lees niet het hele onderzoek door, meestal bestudeer ik alleen de conclusie. Met een beetje gezond verstand kom je vaak wel op een juist oordeel over de betrouwbaarheid van een onderzoek.” En dat zijn eigenlijk exact dezelfde woorden waarmee Rosendaal zijn verhaal afsluit: “De journalist moet kijken of datgene wat gepubliceerd wordt een beetje plausibel is. Hoe bepaal je dat? Je kijkt of het gaat om een redelijk tijdschrift (was in dit geval zo), je kijkt of de hypothese en uitleg plausibel zijn (is ook zo) en of het onderzoek voldoet aan normen van kwaliteit en kwantiteit (en dat is ook zo).” Sorry voor ons lakende vertrouwen, Dennis!

Foto: Frank Guido (Flickr, CC BY-NC 2.0)

Oud worden met obesitas?

Monday, October 31st, 2016

Door: Joost Kroon en Jasmijn Missler

“Levensverwachting bij obesitas even hoog als bij gezond gewicht”, beweerde NU.nl op 4 augustus 2016 op basis van een ANP-bericht: mensen met overgewicht zouden even lang leven als mensen met een gezond gewicht. Dezelfde conclusie verschijnt in het Reformatorisch Dagblad en op de sites van onder meer de Volkskrant, het AD en Trouw. De boodschap druist in tegen het idee dat zwaarlijvigheid consequenties heeft voor onze kwaliteit – en duur – van leven. Bovendien verschijnt in dezelfde periode een onderzoek dat het tegenovergestelde beweert.

De berichten baseren zich op onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, gepubliceerd in PLOS Medicine. Deze studie richt zich echter op de levensverwachting van mensen die door obesitas diabetes type 2 hebben gekregen, en niet van mensen met obesitas in het algemeen.

Hoewel deze variant van suikerziekte onder mannen en vrouwen met overgewicht veel vaker voorkomt, wijst de studie het uiteindelijke overlijden van te zware diabetespatiënten niet toe aan hun obesitas. Met andere woorden: voor mensen met diabetes type 2 heeft obesitas geen invloed op de levensverwachting, ook al krijg je met obesitas wel veel eerder diabetes type 2.

Leeftijd

Toch zijn er nog steeds kanttekeningen te plaatsen bij dit onderzoek. De studie van het Erasmus Medisch Centrum is gehouden onder een groep van ongeveer 6500 mensen van 55 jaar of ouder die in of nabij Rotterdam wonen. Deze zijn geselecteerd vanuit het Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek, dat veelvoorkomende gezondheidsproblemen onder senioren bestudeert (ERGO). De conclusie is dus alleen van toepassing op ouderen, terwijl obesitas een groot probleem is onder veel meer leeftijdsgroepen.

Het oorspronkelijke nieuwsbericht van het ANP vermeldt dat eerdere onderzoeken het tegenovergestelde concluderen. Zodra er wordt gekeken naar de invloed van obesitas op levensverwachting in het algemeen, wordt het dan ook een heel ander verhaal. Een grootschalig meta-onderzoek dat een maand eerder werd gepubliceerd in het Britse wetenschappelijk tijdschrift The Lancet, kwam namelijk tot de conclusie dat obesitas wel degelijk een belangrijke negatieve invloed heeft op levensverwachting.

Deze publicatie woog 239 eerder uitgevoerde grootschalige onderzoeken, waarin in totaal meer dan 10 miljoen mensen onderzocht zijn, verspreid over vier continenten. Conclusie: ongeacht waar ter wereld hebben mensen met overgewicht en obesitas een grotere kans om vroegtijdig te overlijden dan mensen met een gezond gewicht. De algemene levensverwachting wordt daarmee dus toch korter als je lijdt aan obesitas.

Deskundigen aan het woord

De gelijke levensverwachting van te zware en gezonde senioren is door de Erasmus-onderzoekers niet precies te verklaren. Er is dus meer onderzoek nodig. Prof. dr. Hanno Pijl, bijzonder hoogleraar diabetologie van het Leids Universitair Medisch Centrum, biedt enige verheldering.

Hij wijst ons op een eerder verschenen onderzoek met een vergelijkbare uitkomst, namelijk dat overgewicht op middelbare leeftijd minder effect heeft op de sterfte. Daar stelt hij tegenover dat ontzettend veel onderzoek suggereert dat je eerder doodgaat met obesitas. Waarom is dit schijnbaar niet het geval op hogere leeftijd?

Een eenduidig antwoord is er op dit moment niet, volgens Pijl: “Ik denk dat wat hier speelt nog niet helemaal boven water is.” Wel is duidelijk dat de verhoudingen anders liggen voor jongere mensen: zij gaan wel degelijk eerder dood als gevolg van obesitas.

Een ongezond leven als 55-plusser is echter niet aan te raden. Het slechte nieuws, vertelt de hoogleraar, is dat mensen met overgewicht langer ziek zijn: “Er is waarschijnlijk ook een oververtegenwoordiging van hart- en vaatziekten in de obese groep, maar daar zijn nu geen getallen van.” Erasmus-onderzoeker Symen Ligthart benoemt in een artikel van de Gelderlander ook dat je als dikke oudere het risico loopt dat je langer ziek bent en last hebt van slechte bloedcirculatie, infecties en andere klachten. Je gaat dus misschien niet eerder dood, maar de vraag is hoe je oud wilt worden.

Pijl zet vraagtekens bij de conclusie dat je met diabetes en overgewicht langer zou leven dan iemand met diabetes en een gezond gewicht. Een opmerkelijke bevinding, vindt hij: “Je zou kunnen denken dat mensen met een normaal gewicht en diabetes een slechter gereguleerde diabetes hebben.” Omdat deze groep door slecht gereguleerde diabetes gewicht verliest, zou dit volgens Pijl een reden kunnen zijn waarom deze mensen juist eerder overlijden.

Misleidend

De kop van NU.nl is misleidend en levert vraagtekens op. Hetzelfde geldt voor Trouw en de Volkskrant, die “Niet eerder dood door overgewicht” kopten. Uit het onderzoek blijkt dat deze opvallende conclusie alleen geldt voor oudere volwassenen. Ander onderzoek schetsts een breder beeld: volgens een grootschalige meta-analyse leidt obesitas wel degelijk tot een kortere levensloop.

Hoogleraar diabetologie Pijl en onderzoeker Ligthart laten ons weten dat je als te zware senior misschien niet eerder dood gaat dan andere ouderen, maar hierbij wel gebukt gaat onder diabetes en bijbehorende ziekteverschijnsel. Pijl voegt hieraan toe dat een slecht gereguleerde diabetes tot gewichtsverlies leidt, waardoor deze patiënten mogelijk eerder overlijden.

De auteur van het ANP-bericht was niet bereikbaar voor commentaar.

Beeld: CGP GreyFlick-R, CCBY 4.0

Vaak seks leidt niet tot hartproblemen bij oudere mannen

Tuesday, October 11th, 2016

door: Anouk van der Post en Anna Schouten

Net nu het taboe rondom ouderen en seks aan het verdwijnen is, kopte NU.nl op 6 september 2016: “Seks op leeftijd beter voor vrouwen dan voor mannen.” Oudere mannen die meer dan eens per week seks hebben, moeten oppassen voor hartproblemen. Editie NL nam deze stelling zonder aarzelen over. Stress zou het probleem zijn. Reden om het rustig aan te doen tussen de lakens? Nieuwscheckers sprak cardiologen en seniorenseksuologen en concludeert: het valt dat allemaal wel mee.

Het artikel van NU.nl is gebaseerd op een onderzoek van de Michigan State University. De gegevens waren afkomstig van het National Social Life, Health and Aging Project, waarin 2.204 mensen tussen de 57-85 jaar zelf de toestand van hun gezondheid bepaalden. De onderzoeksgroep werd onder andere gevraagd naar hartproblemen en naar de staat van hun seksleven: de hoeveelheid seksuele activiteit, de mate waarin zij genoten van seksueel contact, en eventuele problemen. De groep werd in 2005 voor het eerst bevraagd, en in 2010 opnieuw.

De onderzoekers brachten de frequentie en de kwaliteit van de seksuele activiteit in verband met cardiovasculaire problemen, zoals hoge bloeddruk, hartritmestoornis of ontstekingen aan het hart. Ze vertellen NU.nl dat de resultaten “verbazingwekkend” zijn: vaak seks zorgt voor hartproblemen bij oudere mannen. Vrouwen hebben daarentegen nergens last van. Een mogelijke verklaring die wordt gegeven: stress door prestatiedruk.

Twijfelachtig

De Volkskrant vindt de resultaten opmerkelijk en noemt het onderzoek twijfelachtig. “Als je de trap nog kunt beklimmen, kun je ook een ander beklimmen,” zegt hoogleraar cardiologie van het Radboud Universitair Medisch Centrum (UMC) Angela Maas in het Volkskrant artikel. Een klein probleempje: de Volkskrant heeft gekeken naar de risico’s van fysieke inspanning tijdens seksuele activiteit, terwijl in het onderzoek stress als mogelijk risico wordt genoemd.

Juist geen stress

Dan blijft de vraag bestaan of stress daadwerkelijk de boosdoener is. We spraken Nathalie Huitema, seksuoloog gespecialiseerd op het gebied van ouderen, die dit betwijfelt: “Het is mij niet bekend dat ouderen stress ervaren bij het hebben van seksueel contact. Ouderen zijn over het algemeen veel tevredener met hun seksleven, juist omdat er minder prestatiedruk is en ze beter in hun vel zitten.”

Wat de onderzoeksresultaten nog opmerkelijker maakt: er is onderzoek gedaan naar ouderen die een langdurige relatie hebben. Volgens Huitema ervaart deze groep juist minder stress. Medisch seksuoloog Woet Gianotten, consulent ‘gerontoseksuologie’, beaamt dit: “Binnen de groep ouderen met een vaste relatie is vaker acceptatie van het ouder worden. Bij een aanzienlijk deel van de oudere mannen lijkt een minder goede erectie geen argument om niet lekker te vrijen.”

Andere factoren van invloed

Het enige verband tussen veel seks en cardiovasculaire klachten dat Huitema uit het onderzoek kan halen, heeft te maken met medicatie: “In het onderzoek wordt gezegd dat mannen die veel seks hebben en erg tevreden zijn met hun seksleven waarschijnlijk ook seksuele medicatie nemen. Als je als man viagra gebruikt, heb je een grotere kans op een hartaanval.” Gianotten noemt daarnaast een andere factor die niet meegenomen is in het onderzoek: “Ze hebben het alleen over seksuele activiteiten tussen partners. Alle andere seks, dus masturbatie, is weggelaten. En dat heeft zeker ook cardiovasculaire effecten.”

Meerdere kritiekpunten

De onderzoeksgroep bestaande uit 57-85 jarigen vormt een kritiekpunt. Kun je een leeftijdsgroep met zo’n dertig jaar verschil bij elkaar gooien? Gianotten denkt van niet: “De groep van 57-67 jaar is echt heel anders dan de groep van 75-85 jaar.”

Een ander kritiekpunt: de gevonden resultaten zijn niet volledig causaal. Dit punt wordt bevestigd door Wouter Jukema, hoogleraar cardiologie van het Leiden UMC, die meent dat in dit soort artikelen “associatie met causaliteit” wordt verward. Ten slotte noemt Gianotten het verkeerd “dat de Amerikaanse ervaring van één onderzoek wordt overgeheveld naar Nederland.”

Mogelijke verbanden worden harde waarheid

NU.nl heeft een artikel geschreven dat gebaseerd is op een onderzoek met slechts mogelijke verbanden en verschillende kritiekpunten. Volgens Huitema was enige nuance daarom op zijn plaats geweest: “Het onderzoek spreekt in het resultatendeel veel over wat mogelijk een relatie kan hebben. In het artikel van NU.nl zijn deze relaties als een harde waarheid overgenomen.” Bovendien is er niet gelet op vergelijkbare onderzoeken met veelal tegenovergestelde resultaten. Gianotten bevestigt: “Uit longitudinale onderzoeken naar de relatie tussen seks en levensduur lijkt dat frequenter seks bij mannen zorgt dat ze langer leven.”

Seks geen gevaar

Goed nieuws dus voor oudere mannen: ze kunnen gewoon hun gang gaan in bed. Het lijkt niet aannemelijk dat hartproblemen daadwerkelijk worden veroorzaakt door veel seks. NU.nl – dat geen commentaar wilde geven – heeft zich gebaseerd op een twijfelachtig onderzoek en daar te grote conclusies uit getrokken.

Foto: Ian MacKenzie (Flickr, CC BY 2.0).

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes