gezondheid

Wijn drinken beschermt niet tegen Alzheimer

Wednesday, December 7th, 2016

Door: Rozemarijn Brus en Veerle van der Gracht

“Wijn is goed voor je brein”, kopten websites zoals Esquire en Libelle: regelmatig een glas wijn drinken zou de kans verminderen op ziektes zoals Alzheimer en Parkinson. Het nieuws is gebaseerd op  onderzoek van de Amerikaanse neuropsycholoog Sarah J. Banks. Nieuwscheck: wijn is niet zomaar goed voor je brein.

Sarah J. Banks (Cleveland Clinic Lou Ruvo Center for Brain Health, Las Vegas) onderzocht de hersenstructuren van dertien sommeliers en dertien niet-sommeliers. Bij de wijnkenners was het gedeelte van de hersenen waarin zich het langetermijngeheugen bevindt opvallend groter. Hoe langer hun ervaring, hoe groter het hersengebied. Daarnaast was het hersengedeelte dat zintuiglijke prikkels opslaat ook dikker en actiever bij de sommeliers tijdens wijn-ruiktaken. Deze verschillen suggereren dat gespecialiseerde training bepaalde hersengebieden verbetert die als eerste beïnvloed worden door ziektes zoals Alzheimer en Parkinson.

Nederlandse media zoals Esquire en Libelle, maar ook buitenlandse media zoals de New York Post schreven over het onderzoek van Banks. Veel strandden helaas bij de conclusies. Het blijft moeilijk om een wetenschappelijk onderzoek goed over te brengen in de media volgens Sanne Boesveld, voedingswetenschapster aan Wageningen University en reviewer van Banks’ onderzoek: “Onderzoek is vaak specifiek en er komt geen eenduidig beeld uit, dit maakt het moeilijk te vertalen naar een mediagenieke boodschap voor het brede publiek.”

Hersenen: dikker is niet beter

Hoewel diverse media concluderen dat wijn drinken goed voor je is, gaat het onderzoek van Banks juist over wijn ruiken. “Mensen die regelmatig een glas wijn drinken, hebben minder snel last van ziektes zoals Alzheimer of Parkinson”, schrijft Libelle. Esquire doet er nog een schepje bovenop: hoe meer je ruikt en drinkt, hoe gezonder het voor je is. Dus: “Daar drinken we er dus maar een op. Of twee.” Toch slaan ze hiermee de plank volledig mis. “Dit is ontzettend kort door de bocht en misleidend”, aldus Boesveld.

Veel media hechten ook zonder enige context een positieve waarde aan dikkere hersendelen. De New York Post schrijft bijvoorbeeld: “Though we don’t know for sure, there is a possibility that when it comes to the brain, thicker is better.” Alleen, dikker is niet per se beter. “Je hebt twee groepen kinderen: één groep speelt geen piano en de andere groep wel. Wordt er na een jaar een volumetoename bij de pianisten gevonden? Dan is deze volumetoename in dat opzicht een gunstig effect”, vertelt hoogleraar neuropsychologie Erik Scherder (VU). “Maar je ziet ook studies waarbij mensen met een hersenaandoening een groter volume laten zien, omdat zij veel meer moeite moeten doen om überhaupt iets voor elkaar te krijgen. Dan is een toename van volume juist ongunstig.”

Geen bescherming tegen Alzheimer

Diverse nieuwssites stellen verder dat goed wijn kunnen ruiken de gezondheid op lange termijn verbetert. De New York Post: ”[Banks] notes that the findings could suggest that living like a sommelier and paying close attention to how things taste could improve your health in the long run.” Maar dit zijn overhaaste conclusies. Scherder: “Of dat het je beschermt tegen de ziekte van Alzheimer, is een grote uitkomst. Als iemand dat beweert, dan moet je zeggen: ‘Waar baseert u het op?’” Uit alleen dit onderzoek kan niet worden afgeleid dat wijn ruiken Alzheimer tegen zou gaan. “Dat zou je met epidemiologische studies kunnen nagaan”, stelt Boesveld voor.

Daarnaast zijn er grote verschillen in hersenen van mensen en kun je niet zomaar concluderen dat ruiken aan wijn voor iedereen hetzelfde effect heeft. “Je kunt niet iedereen over één kam scheren. Het brein kent een variatie van veertig procent”, vertelt Scherder. Verder hangt de structuur van je brein ook af van genen, erfelijke factoren en je omgeving.

Onduidelijke oorzaak-gevolgrelatie

Tot slot trekken veel media een onterechte oorzaak-gevolgconclusie uit het onderzoek. “Het onderzoek van Banks is een cross-sectioneel onderzoek”, benadrukt Boesveld. Het zou zomaar kunnen dat mensen met een groter volume van deze hersenstructuren makkelijker sommelier kunnen worden, in plaats van andersom. Dit zou betekenen dat hoeveel wij ook aan wijn zouden ruiken, het niet per se betekent dat dit ook enig effect heeft op onze gezondheid.

Volgens Scherder kun je alleen een juiste oorzaak-gevolgconclusie trekken zodra je weet of er een correlatie is tussen het actieve gebruik van de reukzin en de dikkere hersendelen van de sommeliers. “Je zegt: deze man is geen sommelier en nou wordt hij sommelier. Vervolgens volgen we hem twintig jaar en dan zien we dat het hersengebied in volume is toegenomen. Dan pas kun je stellen: het een wordt veroorzaakt door het ander.”

Conclusie

Kortom, in de hoop een mediagenieke boodschap aan een breed publiek te leveren, hebben verschillende media de verkeerde conclusies getrokken over het onderzoek van Banks. Het gaat niet om wijn drinken, dikkere hersendelen zijn niet per se beter en wijn ruiken staat niet gelijk aan een automatische bescherming tegen Alzheimer voor iedereen. Bovendien is er geen duidelijke oorzaak-gevolgconclusie uit de studie af te leiden. Wijn is niet per se goed of slecht voor het brein, daar is meer onderzoek voor nodig. In de tussentijd drinken we maar een wijntje, zonder al te veel te concluderen.

Foto: Scott Hadfield (Flickr, CC BY-NC-SA 2.0)

Hamburgers niet per definitie gezond

Monday, November 14th, 2016

door: Kasper van Alphen en Diederik de Groot

“Hamburgers zijn goed voor je, blijkt uit onderzoek”, was de kop boven een online-artikel van Esquire op 13 oktober. Dit zou blijken uit een studie van Dr. Stephen Smith, gelieerd aan de Texas A&M University. Vlees van een bepaald gedeelte van runderen die graan in plaats van gras gevoerd hebben gekregen zou ervoor zorgen dat je goede cholesterol stijgt. Kunnen we nu dus met zijn allen lekker onbeperkt aan de hamburgers? Nieuwscheckers ging op onderzoek uit, en kwam er achter dat het zo simpel helaas niet is. De mate waarin je dit fastfood consumeert blijft van belang!

Het bericht op de site van Esquire is geschreven door redacteur Jonathan van Noord. Hij zegt het bericht niet gecheckt te hebben, maar het te hebben overgenomen van de website Men’s Health. Deze site valt onder dezelfde uitgever, namelijk Hearst. Van Noord paste slechts de tekst aan naar de ‘tone of voice’ van Esquire en voegde een link naar het onderzoek toe. Het bericht van Men’s Health waar Van Noord zijn artikel op baseerde, kent een belangrijk verschil met de tekst van Esquire: Er wordt duidelijk gemaakt dat het onderzoek is gefinancierd door een belangengroep. “Uiteraard heeft dokter Smith contacten in de vleesindustrie en heeft The National Cattlemen’s Beef Association zijn voorgaande onderzoeken – inclusief deze – gefinancierd, dus neem het alsjeblieft met een korreltje zout.’’

De NCBA is een lobbygroep voor vleesproducenten in de VS. Volgens Sander Kersten, hoogleraar voeding, metabolisme en genomics aan de Universiteit Wageningen, hoeft dat niet per se te betekenen dat het onderzoek onbetrouwbaar is. “Maar een belangengroep die zo’n onderzoek laat doen, verwacht natuurlijk wel dat er voor hen iets positiefs uitkomt’’, voegt hij daaraan toe. “Het is goed om je daar bij dit soort onderzoeken van bewust te zijn. Een onderzoek naar de schadelijke effecten van vlees zullen ze bijvoorbeeld nooit doen.”

Misleidend

De kop van het Esquire-artikel is voor Kersten een déja vu. Volgens hem worden dit soort beweringen over voeding aan de lopende band gedaan. “Ik overweeg ook om dit stuk te gebruiken voor mijn onderwijs. De kop zegt hier dat hamburgers goed voor je zijn, maar dat is misleidend. Dat is ook niet in het genoemde onderzoek onderzocht. Vervolgens staan er ook nog links naar hamburgerrestaurants in Rotterdam en Amsterdam. Dat heeft natuurlijk niets met wetenschap te maken.’’

Kersten onderschrijft het feit dat oleïne-vetzuren, die in het vlees uit het artikel voorkomen, gezond zijn. Maar dat betekent volgens hem niet dat de hele hamburger ineens gezond wordt. Behalve dat het voor koeien moeilijk is om deze gezonde vetten aan te maken, vergelijkt hij het ook met een snoepje: “Je kan daar de kleurstof wel uit halen, maar dan blijft er nog steeds genoeg rotzooi over. Eén component in de goede richting veranderen, betekent niet dat een product ineens gezond wordt. Er zijn ook hele andere redenen waarom we ons zorgen maken over het eten van vlees. Zo zijn er bijvoorbeeld onderzoeken die beweren dat rood en bewerkt vlees het risico op kanker verhoogt. Meer of minder oleïne-zuren, dat maakt dan niet veel uit.’’

Hoeveelheid is van belang

Ellen Blaak, hoogleraar Fysiologie van Vetmetabolisme aan de Universiteit van Maastricht, is het met Kersten eens dat de stelling dat hamburgers gezond zijn ‘misleidend’ is. “Ik heb sowieso al een hekel aan het stempel gezond of niet gezond. Alles valt en staat natuurlijk met hoeveelheid. Mijn angst is dat mensen door dit soort berichten denken dat ze maar veel hamburgers moeten gaan eten. Dat de vetsamenstelling van een hamburger zou kunnen veranderen naar meer onverzadigde vetten, waardoor het misschien iets gezonder wordt, neemt niet weg dat je er gewoon echt niet teveel van moet eten. Er is wel uit onderzoek gebleken dat het consumeren van bepaalde vetten gezond is, maar dat geldt alleen als de ‘overall’ consumptie van vetten redelijk matig is. Boven een bepaalde hoeveelheid worden die gunstige effecten helemaal teniet gedaan. Mensen moeten dus niet denken: “Ik kan deze hamburgers wel veel gaan eten, want ze hebben een gunstige vetzuursamenstelling”. Zo werkt het gewoon niet.”

Kritiek

Ook de onderzoeksresultaten zouden met een korreltje zout moeten worden genomen. Zo staat er nergens in het artikel hoeveel koeien er daadwerkelijk zijn onderzocht. Daarnaast probeert Smith zijn argumenten te versterken  door onder andere te verwijzen naar een omstreden onderzoek uit 2010. De auteurs van dat artikel beweren ook dat rundergehakt gezond is en zijn tot deze conclusies gekomen door tien mannen vijf weken lang hamburgers te laten eten. Die steekproef is dusdanig klein dat het onderzoek niet representatief te noemen is.

Daarnaast zijn er meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat koeien die graan gevoerd krijgen een grotere kans hebben op de E. Coli bacterie, wat kan leiden tot griep, maagklachten, hoofd- en spierpijn. Koeien die gras gevoerd krijgen, hebben aanzienlijk minder E. Coli bacteriën in hun systeem, wat het risico op die gezondheidsklachten doet afnemen. Smiths pleidooi om koeien voortaan graan te voeren voor de gezondheid van de mens is dus niet zonder tegengeluid.

Conclusie

Slecht nieuws dus voor de hamburgerfan: om je nu te gaan vergrijpen aan heel veel hamburgers is niet aan te raden. De aanwezigheid en de effecten van oleïne-vetzuren in hamburgers zijn nog steeds goed, maar de daadwerkelijke gezondheidsfactoren ervan zijn verwaarloosbaar. Bovendien heeft Esquire z’n bericht gebaseerd op een onderzoek dat niet volledig onomstreden is. Ons advies: geniet, maar met mate.

Eten alle Nederlanders te zout? Dat ligt iets genuanceerder

Thursday, November 10th, 2016

Door: Anouk de Bruijn en Jeroen Jonkers

‘Nederlander eet nog altijd te zout’, berichtte Telegraaf.nl op 5 oktober 2016. De bron was een onderzoek van het RIVM over de zoutinname van Nederlanders. Ook Nu.nl, Trouw.nl, rtlnieuws.nl en NOS.nl schreven hierover alsof het alle Nederlanders betrof. Maar  zowel het onderzoek als de berichtgeving erover rammelen. Het onderzoek is weinigzeggend: de steekproef is te klein, de deelnemersgroep niet divers en het verschil tussen mannen en vrouwen wordt genegeerd. Waarom dan wel zoveel aandacht? Het RIVM en de media lijken vooral een gezondheidsprobleem op de maatschappelijke agenda te willen zetten.

Het RIVM onderzoekt de zoutinname van Nederlanders om de gezondheid van de bevolking te peilen. Op basis van een steekproef onder 289 inwoners van Doetinchem, concludeerde het RIVM dat Nederlanders in 2015 net zoveel zout aten als in 2006 en dat deze inname nog steeds hoger is dan de geadviseerde hoeveelheid. Maar zegt deze steekproef iets over heel Nederland?

Volgens hoogleraar epidemiologie Marianne Geleijnse (Wageningen University) niet: ”De steekproef is te klein om iets te zeggen over heel Nederland.” Zij plaatst ook andere kanttekeningen bij de methode van het onderzoek: “Nederlandse steden zijn niet met elkaar te vergelijken. Je kunt uitspraken over Doetinchem niet vertalen naar steden als bijvoorbeeld Leeuwarden of Groningen.” Sterker nog: het onderzoek zegt zelf dat de steekproef niet eens representatief is voor Doetinchem.

Bewuste deelnemers

Naast de grootte van de steekproef, valt ook over de samenstelling wat te zeggen. Deelname was vrijwillig en dit brengt volgens Geleijnse een risico met zich mee: ”Vaak doen dan milieubewuste mensen mee die letten op hun eetgewoontes. Laagopgeleide bewoners doen juist niet mee, omdat zij zich bijvoorbeeld schamen of geen belang zien in deelname. De samenstelling van deelnemers is daardoor niet representatief.”

Epidemioloog en voedingsdeskundige prof. Daan Kromhout (RU Groningen) ziet nog een probleem. Door de uitspraak van het RIVM lijkt het alsof mannen en vrouwen even veel zout eten, maar dat is volgens Kromhout niet het geval. Bij mannen is niets veranderd; bij de vrouwen is sprake van een daling. Maar doordat de steekproef te klein is, is deze daling niet significant. Kromhout meent dat het onderzoek deze daling had kunnen aantonen, als de steekproef groter was geweest.

Overhaaste conclusies

Journalisten lijken niet stil te hebben gestaan bij mogelijke kanttekeningen. Een rondje langs de media die het bericht plaatsten, leert Nieuwscheckers dat ze de artikelen grotendeels hebben overgenomen van het ANP en dat geen van de journalisten het RIVM-onderzoek gelezen heeft. De redacties van Telegraaf, Trouw en NOS gaven hiervoor allemaal dezelfde reden: ze zien ANP en RIVM als betrouwbare bronnen en gaan er dus van uit dat de informatie ‘wel zal kloppen’.

De NOS pakte de berichtgeving iets voorzichtiger aan dan de andere media. De redactie had geen tijd om het onderzoek te lezen, maar klakkeloos overnemen was geen optie. Daarom werd minister Schippers geciteerd als toelichting op het onderzoek, een standaardprocedure van NOS.nl. “Om te voorkomen dat we een onderzoek verkeerd interpreteren, vragen we een deskundige, zoals een minister, om een reactie”, zo lichtte de journalist die het stuk schreef toe (hij wilde niet bij naam genoemd worden). Opvallend is wel dat dit wetenschappelijke onderwerp door de politieke redactie werd behandeld en dat minister Schippers niet de aangewezen persoon is om epidemiologisch onderzoek te beoordelen.

Politieke agenda

Hoewel het RIVM-onderzoek dus geen uitspraak over Nederland kan doen, schrijven de media dit wel. Marieke Hendriksen, hoofdauteur van het RIVM-onderzoek, vindt dit geen probleem. Zij verwacht namelijk dat de zoutinname in Doetinchem niet afwijkt van die in de rest van Nederland: ”Hoewel de steekproef te klein is, verwacht ik dat het in Doetinchem niet anders is dan ergens anders. De berichten in de media zijn niet helemaal correct, maar dat is niet erg. De zoutinname in Nederland is nog steeds te hoog.”

Het lijkt er op dat het onderzoek een hoger doel dient dan enkel berichten over de zoutinname van Nederlanders. Het RIVM en de media gebruiken de resultaten als kapstok voor een opvoedende boodschap: eet minder zout. Dat de resultaten van het onderzoek deze boodschap niet direct ondersteunen, lijkt van ondergeschikt belang.

Dr. Willem Koetsenruijter, docent Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden en auteur van het boek Cijfers in het nieuws, begrijpt de bedoelingen van het RIVM. ”De conclusies van het onderzoek kloppen eigenlijk niet, maar voor het doel van het RIVM zijn kloppende cijfers misschien minder belangrijk”, aldus Koetsenruijter.

Opvoedende boodschap belangrijker dan kloppende resultaten

Nieuwscheckers concludeert dat de interpretaties van de media niet overeenkomen met de resultaten van het RIVM-onderzoek. Hoewel deze resultaten het niet toelaten een uitspraak te doen over alle Nederlanders, doen de media dit wel. Het RIVM vindt dit niet erg, omdat het de zoutinname als probleem ziet en daarom wil dat het onder de aandacht komt. Als de media hadden gevraagd om een second opinion, had dat de berichtgeving accurater gemaakt.

Foto: René Gademann (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Zonnebril niet hét middel tegen slaapproblemen

Thursday, November 10th, 2016

door: Emma Brink en Twan Hol

“Kun je niet slapen? Zet een zonnebril op’’ kopte EditieNL op 27 september 2016.  Een zonnebril zou het enige zijn dat je nodig hebt tegen slaapproblemen. Nieuwscheck: een zonnebril werkt niet tegen alle slaapproblemen, maar kan helpen bij een verstoord dag- en nachtritme. Het is echter niet de beste oplossing, je kan beter je levensstijl aanpassen.

Volgens Gerard Kerkhof, emeritus hoogleraar Psychofysiologie van de 24-uurs ritmiek en slaap, is het onzin om te zeggen dat een zonnebril alle slaapstoornissen voorkomt. Kerkhof: “Een van de zes categorieën van slaapstoornissen wordt veroorzaakt door het verschuiven van je biologische klok. Alle andere vijf slaapproblemen dus niet. De claim dat een zonnebril opzetten ‘het enige’ is wat je moet doen tegen een slaapprobleem is dus onjuist. Typisch een gevalletje van de klok horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt.”

Glenn Landry, die door EditieNL ‘slaapwetenschapper’ wordt genoemd, is de onderzoeker die pleit voor een zonnebril. Landry is wetenschapper op het gebied van het circadiaan ritme (slaap-waakritme) en legt aan Nieuwscheckers uit dat zijn advies is gericht op mensen die problemen hebben met slapen door een verstoord slaapritme. Landry: ‘’Zie de biologische klok als de dirigent van een orkest, deze dient als gangmaker van ons lichaam en synchroniseert onze fysiologie en gedragingen met de juiste tijd. Om dat goed te doen, moet onze biologische klok weten hoe laat het is. Hoewel de licht/donkercyclus van de zon een van de sterkste aanwijzers van tijd is, heeft de komst van kunstmatige lichtbronnen voor een dramatische groei in nachtelijke blootstelling aan licht gezorgd, die het slaap-waakritme verstoort.’’

Je biologische ritme kan dus zeker verstoord raken door licht, maar dit is niet de oorzaak van alle slaapproblemen. EditieNL heeft dus iets te kort door de bocht geclaimd dat er één oplossing is voor elk slaapprobleem.

Zonnebril als hulpmiddel

Maar als we ons enkel focussen op slaapproblemen die veroorzaakt zijn door een verstoring van onze biologische klok, is dan een zonnebril een goed idee? Volgens Landry wel: “Het idee mag misschien heel raar zijn, toch is het absoluut gebaseerd op gevestigd wetenschappelijk onderzoek naar slaap-waakritmen. Het is gewoon belangrijk om blootstelling aan licht zoveel mogelijk te verminderen in de uren voor het slapengaan. Wanneer we blootstelling aan licht verminderen voor het slapen verbeteren we de productie van melatonine, een hormoon dat het lichaam helpt zich op slaap voor te bereiden. Voor mensen die chronisch moeilijkheden hebben om in slaap te vallen, zoals ik, is het vermijden van licht een belangrijke strategie om het juiste ritme van de melatonineproductie te beschermen. Dit bracht mij tot het advies dat ik gaf over het dragen van een zonnebril in de avond.”

Emeritus hoogleraar Kerkhof bevestigt dat je biologische klok kan verschuiven als je ’s avonds vaak blootgesteld wordt aan fel en blauw licht. Maar volgens hem is een zonnebril opdoen niet de juiste methode. “Het is belangrijker om je levensstijl aan te passen. Veel mensen kiezen ervoor om ’s avonds in fel kunstlicht te zitten en te kijken naar blauw licht, zoals naar smartphones, computers, laptops en e-readers. Men moet zich realiseren dat hierdoor je biologische klok opschuift, het doet je lichaam denken dat de dag langer is, waardoor je pas later slaperig wordt. Maar daarnaast kom je dan ook ’s ochtends minder goed je bed uit. Mensen willen van alles: ’s avonds druk bezig zijn, daarna direct kunnen slapen en de volgende dag vroeg productief zijn. Dat kan gewoon niet. Van wakker zijn naar slapen is een hele grote mentale en fysieke stap. Beter dan een zonnebril is dus om je levensstijl aan te passen: ’s avonds je licht te dimmen en niet tot laat meer naar blauw lichtgevende schermen kijken. ‘’

Deze methode ontkent Landry zeker niet. Naast dat hij zonnebrillen aanbeveelt, is hij van mening dat het belangrijk is om licht ’s avonds te vermijden en ook ’s morgens juist het felle licht op te zoeken. Volgens Landry zal dit zorgen voor een verbeterde regulatie van het slaap-waakritme.

Reactie EditieNL

Het artikel van EditieNL lijkt een ongenuanceerde samenvatting van een Canadees nieuwsartikel van CBC. Redacteur  Sophie Moerman: “Er zijn onderwerpen waarvoor we alles nabellen, maar het kan ook zijn dat we op basis van één onderzoek een artikel maken, zoals hier het geval is. We pikken er een onderdeel uit en vertalen dat dan naar concrete tips waar de lezer wat aan heeft. Zoals: misschien kun je een keer een zonnebril opzetten tegen slaapproblemen. Wij werken voor een doelgroep die wil weten: wat maakt het uit voor mij? Lezers snappen daarbij ook wel dat die zonnebril geen wondermiddel is, maar het is gewoon een leuke tip.”

Dus, voor de goede orde, als u niet kunt slapen en er is sprake van een slaapstoornis, zijn er zes mogelijke categorieën van stoornissen.  Eén daarvan heeft als oorzaak een verstoorde biologische klok. Als u daar last van heeft, kunt u het beste zorgen voor minder blootstelling aan fel en blauw licht. Een zonnebril zou kunnen helpen, maar u kunt beter uw levensstijl aanpassen. Met deze stijl hoeft u thuis ’s avonds niet met een zonnebril op televisie te kijken, maar moet u wel met gedimde lichten op de bank uzelf wat rust gunnen.

Foto: Pixabay (publiek domein)

Vaccinatie via borstvoeding? Ja, bij muizen. Misschien.

Monday, November 7th, 2016

door: Lotte Burger & Vera Geenen

‘Baby kan vaccinatie krijgen via moedermelk’, schrijft RTL Nieuws op 7 oktober 2016. Door vrouwen vlak voor hun zwangerschap te vaccineren, zouden zij na de bevalling de vaccinatie via borstvoeding kunnen ‘doorgeven’, zodat een baby sommige vaccinaties zou kunnen overslaan. Het bericht is geschreven op basis van onderzoek van de Universiteit van Californië in Riverside. De wetenschappers hopen dat baby’s met de nieuwe methode beter worden beschermd tegen onder meer tuberculose. Maar het werkt alleen nog maar bij muizen. En ook dat betwijfelen specialisten.

Maar eerst de boeken in voor wat theorie over de vaccinatie. In de spuit van een vaccinatie zitten meestal dode of verzwakte bacteriën. Wanneer deze in het lichaam terechtkomen, maakt een mens via zijn afweercellen – ook wel immuuncellen genoemd – antistoffen aan. Het is al langer bekend dat ook via borstvoeding afweercellen worden overgedragen, zoals T-cellen (afweercellen die geïnfecteerde cellen vernietigen). Die cellen zijn gunstig voor het immuunsysteem van een baby.

Als een ziekte het lichaam van een baby binnendringt, vechten afweercellen tegen die ziekte. Maar moedermelk kan niet alle benodigde afweercellen overdragen. Bovendien zijn veel antistoffen maar een paar maanden werkzaam, waardoor een baby na zijn geboorte vaak tegen ziektes wordt ingeënt.

Wat zegt het onderzoek?
Terug naar het onderzoek. De wetenschappers hebben muizen als testmateriaal gebruikt. Bij die muizen hebben ze ontdekt dat als de moeder wordt gevaccineerd, de ingespoten afweercellen – de T-cellen – via de melk naar de thymus van een jong kunnen gaan. De thymus is een orgaan dat tussen het borstbeen en de luchtpijp zit, en regelt de ontwikkeling van de afweercellen die moeten vechten als er ziektes voorbij komen. De muizenmoeders zoogden jongen van andere muizen, zodat de onderzoekers zeker wisten dat ze de immuniteit niet via de placenta hadden overgedragen.

Volgens professor Ameae Walker, een van de Amerikaanse onderzoekers, zouden ook baby’s op die manier hun eigen cellen kunnen aanmaken die kunnen vechten tegen ziektes. Die cellen zouden voor altijd kunnen werken waardoor sommige vaccinaties overbodig worden.

Te weinig afweercellen
Maar volgens professor Bernard van der Zeijst, bioloog aan het LUMC, worden er in het onderzoek wel erg weinig T-cellen overgedragen. Daarbij is de bescherming van de jonge muisjes volgens hem niet gemeten. Ook professor Hans van Goudoever, hoofd kindergeneeskunde VUmc & AMC, heeft zich over het onderzoek gebogen. Hij sluit zich aan bij Van der Zeijst. Volgens hem zijn de percentages van de overgedragen T-cellen op de babymuis redelijk laag.

Zelf zegt onderzoekster Walker tegen Nieuwscheckers dat het niet nodig is om veel cellen over te dragen: “De baby kan zelf nieuwe cellen aanmaken. Het aantal zal zich vanzelf vermenigvuldigen als een ziekte het lichaam binnendringt.” De meningen zijn dus verdeeld wat betreft het percentage overgedragen T-cellen.

Van muis naar mens?
Nieuwscheckers vroeg zich daarnaast af hoe de Nederlandse onderzoekers tegen de gebruikte methode aankijken: testen op muizen. Van Goudoever is duidelijk: “Vind je muizen erg op mensen lijken? Nee, nou precies. Er zijn veel dingen die we ontdekken in muizen, maar die helemaal niet werken op mensen.” Ook professor Van der Zeijst heeft zijn twijfels: “Als het in de muis zou werken, bewijst dat niet dat het ook bij de mens werkt.”

En ook al zou uit vervolgonderzoek blijken dat er een mogelijkheid bestaat om baby’s via de moedermelk te vaccineren, dan nog zijn er volgens Van der Zeijst problemen te bedenken. “Logistiek is het een nachtmerrie. Allereerst geven niet alle vrouwen de borst en daarbij verschillen de vrouwen in overdracht van T-cellen.” Volgens het Amerikaanse onderzoek moeten vrouwen de vaccinatie krijgen vlak voordat zij zwanger worden. Maar het is meestal lastig inschatten wanneer een vrouw bevrucht raakt; een bijkomend probleem waar in het onderzoek nog geen duidelijkheid over bestaat.

Knip-en-plaknieuws
RTL Nieuws, het enige Nederlandse medium dat dit als nieuws bracht, ontleende het bericht aan de Amerikaanse website Science Daily. Die website publiceert vaak onderzoeken uit eigen land, meestal uitgevoerd door Amerikaanse universiteiten. De redactie van RTL Nieuws reageerde niet op een verzoek om commentaar.

Het blijft de vraag of baby’s in de praktijk gevaccineerd kunnen worden via moedermelk of niet. Wel lijkt het bericht op RTL Nieuws ‘slachtoffer’ te zijn geworden van knip-en-plakjournalistiek; een overgenomen bericht zonder zelf de feiten te checken. Want, concludeert Nieuwscheckers: een onderzoek alleen uitgevoerd op muizen moet nog heel wat kilometers afleggen voordat het op de mens van toepassing kan zijn.

Foto: Janet McKnight (Flickr, CC BY-NC-ND 2.0)

Helaas, nog geen wondervaccin tegen griep

Monday, November 7th, 2016

door: Merel Broere en Ida Dlugosz

Als we de berichten in de media moeten geloven, zijn we nu toch écht dichtbij een universele griepprik. “Universeel griepvaccin stapje dichterbij” kopte de Volkrant al in 2011. “Universeel griepvaccin op komst” berichtte NU.nl in 2013. En zo luidde dit jaar alweer een optimistische kop bij NU.nl: “Een universeel griep-vaccin kan beschermen tegen 88 procent van virussen”. Zijn we dan nu eindelijk verlost van de jaarlijkse griepprik?

Volgens NU.nl hebben onderzoekers van de Universiteit van Lancaster een vaccin ontwikkeld dat beschermt tegen 88 procent van virussen wereldwijd en tegen 95 procent van virussen in de VS. Allemaal met een eenmalige prik.  Al een aantal jaren wordt er geroepen dat er een universeel vaccin aan zit te komen, tot nu toe zonder succes. Wij vragen ons dan ook af of een universeel griepvaccin überhaupt mogelijk is. Ook bij de verschillen uit het onderzoek in de percentages tussen de VS en de rest van de wereld plaatsten wij onze vraagtekens.

NU.nl vergeet details

Allereerst keken we naar het persbericht van Lancaster University. En inderdaad, de universiteit bericht dat er een universeel griepvaccin is ontwikkeld door een internationaal team van wetenschappers. Echter, er zitten grote verschillen tussen het stukje van NU.nl en het persbericht. Zo vermeldt NU.nl dat er één soort vaccin is ontwikkeld, terwijl het persbericht duidelijk aangeeft dat er twee soorten zijn gemaakt: een voor de Amerikaanse markt en een voor mensen wereldwijd. Vervolgens wordt een zin uit zijn verband gehaald: “We weten dat deze methode veilig is en dat het het merendeel van de tijd werkt.” Volgens NU.nl slaat deze zin op het nieuwe vaccin, terwijl in het persbericht wordt gezegd dat de huidige manier van vaccineren – elk jaar een vaccin tegen de voorspelde virussoorten – veilig is. We kunnen dus niet met zekerheid zeggen of de ontdekking van dit zogenaamde nieuwe vaccin veilig is.

Niet onder de indruk

Bijzonder hoogleraar Virologie Guus Rimmelzwaan (Erasmus Universiteit) begrijpt niet waarom dit onderzoek de media heeft gehaald: “Met de resultaten beschreven in deze publicatie is een universeel influenzavaccin nauwelijks dichterbij gekomen.” Verder blijkt er helemaal geen vaccin te zijn gemaakt; het enige wat is onderzocht zijn de mogelijke plaatsen, in vaktaal epitopen genoemd, in het vaccin waar de antilichaampjes op zouden kunnen reageren, en bij hoeveel mensen deze respons mogelijk zou zijn. Ook is de effectiviteit van het toekomstige vaccin, gebaseerd op dit onderzoek, nog onzeker.

Is een universeel griepvaccin dan een fantasie van de wetenschappers? Toch niet, zegt Rimmelzwaan: “Er is in ieder geval een vaccin mogelijk tegen verschillende ‘intra-subtypische driftvarianten’ die jaarlijks de winteruitbraken van griep veroorzaken en wellicht ook tegen influenza A virussen van andere subtypes, die potentieel een pandemie zouden kunnen veroorzaken. In verschillende diermodellen is dit al aangetoond.” “Maar,” voegt hij eraan toe, “dat gaat zeker nog tien jaar duren.”

Universeel vaccin blijkt lastig

Ook hoogleraar Vaccinologie Huckriede (UMC Groningen) is sceptisch. Er moet goed in kaart worden gebracht wat de onderzoekers bedoelen met universeel: “Beschermt het vaccin tegen ziektes of beperkt het nieuwe symptomen? En beschermt het tegen een relatief groot aantal virussen? Je moet duidelijk vaststellen wat een universeel vaccin moet kunnen om het als universeel te definiëren.”

Volgens Huckriede zorgen de huidige griepvaccins ervoor dat cellen niet kunnen binnendringen: “Aan de buitenkant van de cellen in ons lichaam zitten eiwitten. Deze eiwitten veranderen steeds. Dat maakt het lastig om gerichte vaccins te ontwikkelen die tegen grote aantallen virussen beschermen.” Daarnaast hebben we in ons lichaam cellen die kunnen reageren op geïnfecteerde cellen. Deze cellen richten zich op alle eiwitten en niet alleen op de eiwitten aan de buitenkant. “Als onderzoekers zich op dit soort cellen richten met hun onderzoek, is het mogelijk dat er een universeel vaccin komt dat beschermt tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Echter, een nieuw vaccin kan nog niet in staat zijn om directe infecties te voorkomen, maar wel om ze te beperken.”

Is het dan toch mogelijk om een universeel griepvaccin te ontwikkelen? “Een compleet universeel vaccin gaat er de in komende twintig jaar niet komen. Een vaccin dat alleen beschermt tegen virussen kan wel binnen tien jaar gerealiseerd worden”, aldus Huckriede.

Andere kritiekpunten

Hoewel Huckriede genuanceerder is dan Rimmelzwaan, heeft zij ook kritiek op het onderzoek van de Universiteit Lancaster. “Het is onmogelijk dat er met slechts een enkele injectie beschermd kan worden tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Met twee of drie injecties zou dit wel kunnen. Twee injecties met bijvoorbeeld tussenpozen van twee à vier weken kunnen wel beschermen tegen wereldwijde virussen.” Daarnaast laat het onderzoek ons denken dat de injecties voor onbepaalde tijd werken. Ook dit klopt niet volgens Huckriede: “Het vaccin werkt voor minimaal vijf en maximaal tien jaar.”

Conclusie: slordig artikel NU.nl

Gezien de reacties van de deskundigen is NU.nl met dit artikel te voorbarig. Er bestaat een kans dat er een universeel griepvaccin kan worden gerealiseerd, maar niet binnen nu en tien jaar. NU.nl had beter naar de details van het onderzoek moeten kijken. Er blijkt geen sprake te zijn van een vaccin en het is bovendien onmogelijk om met slechts een enkele injectie te beschermen tegen 88 procent van de virussen wereldwijd. Hier zijn minimaal twee tot drie injecties voor nodig. NU.nl was na herhaaldelijke verzoeken niet bereid om commentaar te geven.
Vooralsnog lijkt het er dus op dat wij pas over tien jaar bij u terug kunnen komen met beter nieuws.

Foto: NHS Employers (Flickr, CC BY 2.0)

Weinig slapen geen succesrecept

Thursday, November 3rd, 2016

door: Cato Montijn en Juul Schepens

‘Weinig slaap maakt succesvol!’, kopte de website van RTL’s EditieNL op 16 september enthousiast. ‘Slimme en succesvolle mensen zweren erbij: weinig slaap’, gaat het artikel verder. Voorbeelden van succesvolle personen die weinig slaap nodig hebben, zijn er in overvloed: Bill Clinton, Donald Trump, Emile Ratelband – allen slapen minder dan vijf uur per nacht. Dit komt doordat mensen die weinig slapen niet door hebben wanneer ze moe zijn, verklaart ene John Jefferson in het artikel.

De boodschap is duidelijk: wie succes wil hebben, moet weinig slapen – des te meer tijd blijft er over voor belangrijke zaken. De theorie wordt niet alleen bevestigd door bekende succesvolle namen als Trump en Ratelband, maar ook door een zekere Jefferson. Jefferson deed onderzoek naar slaapgedrag. Succesvolle mensen, zo zegt hij, hebben niet door wanneer ze moe zijn en kunnen daardoor langer doorwerken met weinig slaap.

Tasten in het duister
De beweringen in het artikel lijken wetenschappelijk onderbouwd: Jefferson is, waarschijnlijk, een wetenschapper die slaapgewoonten van succesvolle mensen onderzoekt. Alleen, John Jefferson is onvindbaar op het internet. Wie hij is, voor welke universiteit hij werkt, wat zijn vakgebied is of zelfs uit welk land hij komt: het zijn vragen die onbeantwoordbaar lijken. De vraag rijst: bestaat John Jefferson wel?

Het stuk wint iets van zijn betrouwbaarheid terug doordat de beweringen die worden gedaan ook van een andere kant worden belicht. Susanne Willekes, kinderlaapcoach bij The Sleep Agency, zegt dat weinig slaap slecht is voor een mens en dat het het concentratievermogen niet bevordert – geen reden dus om aan te nemen dat mensen er succesvoller door zouden kunnen worden. The Sleep Agency is een echt bedrijf, ontdekken we al snel, en ook Susanne Willekes bestaat. Zij is kinderslaapcoach en zet zich in om kinderen en hun ouders een betere nachtrust te bezorgen.

Telefonisch contact met Willekes wijst echter uit dat zij geen medische opleiding heeft, maar is getraind door de Amerikaanse ‘slaapgoeroe’ Kim West. Het lijkt Willekes, zo zegt ze nogmaals, zeer onwaarschijnlijk dat mensen met vier uur slaap per nacht kunnen functioneren. Sterker nog: het is zeer ongezond.

Ooienvaarsverband
Hoogleraar neurofysiologie Joke Meijer, slaaponderzoeker aan Leids Universitair Medisch Centrum,  vindt de studie absoluut niet overtuigend. “Er zijn genoeg mensen die weinig slapen en niet geslaagd zijn in het leven.’ Meijer noemt het een ‘ooievaarsverband’: in de zomer zijn er wel meer ooievaars, maar dit verklaart niet dat er meer baby’s worden geboren.

Ook haalt Meijer een onderzoek aan dat laat zien dat weinig slaap niet leidt tot betere prestaties. “Er is een onderzoek uitgevoerd waarin mensen met weinig slaap verschillende taken moesten doen. Dat ging goed, maar met meer slaap gingen de taken nóg beter.” Hierom is het bij bepaalde beroepen zelfs verplicht om goed te slapen, bijvoorbeeld voor agenten van de Mobiele Eenheid. “De een heeft meer slaap nodig dan de ander, dat is erfelijk bepaald. Maar het is totaal niet zo dat je door weinig slaap succesvol wordt.”

Reactie RTL
Rest de vraag wie John Jefferson is. Een telefoontje met de online redactie van RTL brengt uitkomst: John Jefferson is een verhaspeling van Jeffrey Anderson, een neuropsycholoog werkzaam aan de University of Utah. De redactie heeft de fout dezelfde dag hersteld.

RTL vond de informatie op de site van Research & Development Magazine. Hier is inderdaad te lezen dat mensen die weinig slapen niet door hebben dat ze moe zijn. Redacteur Gerben Kamphorst, verantwoordelijk voor het item dat werd uitgezonden bij RTL Editie NL, zegt dat het artikel niet weinig slaap wil promoten. Integendeel: Kamphorst zegt dat er duidelijk wordt gesteld dat het gaat om uitzonderingen, om mensen die van nature al weinig slapen. Mensen als Donald Trump zijn productiever en zouden daardoor succesvoller kunnen zijn. Ook geeft het artikel geenszins een aanbeveling om minder te slapen, daarom staat in de lead dat 8 uur en 12 uur slaap normaal is. Dit geeft volgens Kamphorst genoeg nuance aan de kop, die minder slaap lijkt te promoten.

Kortom

Weinig slapen maakt je dus niet meteen succesvol, sterker nog: het is ongezond. De kop ‘Weinig slapen maakt succesvol!’ is misleidend en de manier waarop het artikel is geschreven insinueert dat het leidt tot succes. De aangehaalde expert, slaapcoach Willekes, is geen wetenschapper op het gebied van slaap en ook de verhaspelde naam van de onderzoeker laat zien dat het een en ander schort aan het stuk van RTL.

Geeft Stiff Bull je seksleven vleugels? Dat blijkt tegen te vallen.

Thursday, November 3rd, 2016

door: Nick Boshuijer en Oscar Enklaar

Ben je een man en gaat het al jarenlang slecht met je relatie? Is de laatste keer dat je hebt gevreeën net zolang geleden als het eerste seizoen van Idols? Wellicht komt dat door erectieproblemen, maar als we het Algemeen Dagblad moeten geloven is er hoop. “Deze koffie geeft je een erectie die drie dagen blijft”, claimt AD.nl op 29 september 2016. De oplossing zou zitten in een bakje oploskoffie van het merk Stiff Bull. Nieuwscheckers rook een verdacht luchtje en besprak de werking van de koffie en de ingrediënten met experts. Onze conclusie: Stiff Bull is absoluut geen wondermiddel en het AD had er daarom nooit reclame voor mogen maken.

Op de website van Stiff Bull stelt het merk dat de driedaagse stimulerende werking wordt veroorzaakt door de kruiden tongkat ali, macawortel en guarana. Dat dit niet de enige ingrediënten zijn, komt ook naar voren in het artikel van het AD. Kort nadat de eerste berichten over Stiff Bull de internationale media bereikten, greep de Amerikaanse Food and Drug Administration namelijk in. Stiff Bull is helemaal niet natuurlijk: de stimulatie van de penis komt door de chemische stof desmethyl carbodenafil, beter bekend onder de naam sildenafil of Viagra®. De FDA meent dat deze stof in combinatie met medicatie tegen diabetes en hartziekten een dodelijke afloop kan hebben. Uroloog Jack Beck, die promoveerde aan de Universiteit Leiden, bevestigt dit. “Voor bepaalde patiënten, die nitraten als medicatie hebben, kan dit levensgevaarlijk zijn.” De vraag die echter niet wordt beantwoord door de FDA is of de receptuur van Stiff Bull inderdaad een driedaagse erectie bezorgt.

Lichamelijk onmogelijk

Gespecialiseerde artsen zijn het erover eens: het is lichamelijk onmogelijk om een erectie van drie dagen te hebben. Uroloog en wetenschapper Bert-Jan de Boer schreef diverse boeken over erectieproblemen en waarschuwt Nieuwscheckers voor de gevaren van een langdurige erectie: “Een erectie van zes tot acht uur is het absolute maximum.” Wanneer een erectie langer dan acht uur duurt, moet zelfs door een dokter worden ingegrepen. “Bij een erectie concentreert bloed zich rondom de penis, maar na verloop van tijd zorgt het ontbreken van vers bloed voor beschadiging van het weefsel van de zwellichamen.” De Boer stelt bovendien dat sildenafil niet effectief genoeg is voor een dagenlange erectie: “Na zo’n vier uur is dat middel uitgewerkt, daarnaast geef het geen constante erectie. Het werkt alleen als een patiënt ook geestelijk seksueel opgewonden raakt.” De Boer concludeert dat het artikel van AD.nl “pertinente onwaarheden” verkondigt en acht de kans aannemelijker dat Stiff Bull een stimulerend effect van drie uur geeft, dan van drie dagen.

Magische combinatie van ingrediënten?

Uroloog Jack Beck vult aan dat de overige ingrediënten van Stiff Bull ook onmogelijk het beloofde effect kunnen waarmaken. “Er zijn enkele studies die suggereren dat kruidensoorten als maca en tongkat ali het libido verhogen, maar echt goede studies ontbreken.” Guarana is een cafeïnevrucht die ook in diverse frisdranken, waaronder Red Bull is verwerkt: “Waarschijnlijk hebben ze daar hun naam op gebaseerd.” Prof. Dr. Kristiaan Demeyer van de Universiteit Brussel is specialist in de kruidenleer (fytotherapie) en laat weten dat de kracht ook niet kan zitten in een combinatie van alle ingrediënten. “De genoemde planten zijn mij in dit kader gekend en zijn zeer klassiek.” Demeyer stelt dat tongkat ali en de macawortel wel een hormonaal effect veroorzaken, maar dat doen ze alleen bij mannen met te lage testosteronwaardes. “Mannen die een normaal testosterongehalte hebben kunnen zelfs een averechts effect ondervinden.” Ook in combinatie met sildenafil zijn deze kruiden niet effectief genoeg: “Stiff Bull zet duidelijk in op meerdere paarden, het lijkt erop dat het de namen van natuurlijke ingrediënten misbruikt.”

Placebo-effect

Seksuoloog Hanneke Termeer van het AMC heeft nog nooit gehoord van erectiemiddelen met deze extreme werking. Volgens haar speelt het placebo-effect een grote rol in de werking van dit soort ‘medicijnen’. “Voor veel mannen werkt alleen het idee van een pilletje, of in dit geval een kop koffie ook al. Uiteindelijk zitten er in sommige gevallen helemaal geen stimulerende middelen in.”

Geen wondermiddel

We stellen vast dat het artikel van AD.nl feitelijk onjuist is en dat Stiff Bull zijn klanten voor de gek houdt. Nadat de FDA al concludeerde dat de ingrediënten in Stiff Bull niet natuurlijk zijn, stellen wij vast dat de koffie zijn beloftes onmogelijk kan waarmaken. De ingrediënten van de koffie zijn simpelweg niet krachtig genoeg om een driedaagse erectie te bezorgen. Bovendien is het lichamelijk onmogelijk om zo’n lange erectie te hebben. Het AD maakt met het artikel dus reclame voor kwakzalverij en had de feiten beter moeten onderzoeken.

Reactie Algemeen Dagblad

Tomas Riemens, de auteur van het stuk, laat ons weten dat het artikel op AD.nl in samenwerking met Het Laatste Nieuws is geschreven. Riemens vertrouwde de informatie van deze Belgische partner uit De Persgroep, waardoor hij zelf de feiten niet heeft gecontroleerd: “Ik heb de website van Stiff Bull bekeken en die vond ik betrouwbaar genoeg ogen.” Naar aanleiding van onze resultaten geeft Riemens aan dat er fouten zijn gemaakt bij het schrijven en plaatsen: “Het was eerlijker tegenover onze lezers geweest om eerst te onderzoeken of Stiff Bull echt werkt.” Riemens geeft ruiterlijk toe dat het artikel in dat geval hoogstwaarschijnlijk niet gepubliceerd zou zijn. Stiff Bull liet weten niet te willen reageren op deze factcheck.

Inmiddels zouden er ongeveer 200.000 bestellingen per maand bij Stiff Bull worden geplaatst. Het is zeer waarschijnlijk dat de consumenten van de koffie worden geconfronteerd met een ‘slappe bak’. Volgens uroloog De Boer is er een klein beetje hoop voor de tobbende man: “Het door toeval ontdekte Viagra® is nog altijd een zeer effectief erectiemiddel, maar dat werkt dus absoluut geen drie dagen.”

Foto: Pixabay.com, Creative Commons CC0

Te laag geboortegewicht? Dan sport je later waarschijnlijk echt minder

Monday, October 31st, 2016

door: Thomas de Lange en Nicky Terink

“Baby met laag geboortegewicht sport later relatief weinig,” kopte nu.nl op 2 september 2016. Uit Brits onderzoek is naar voren gekomen dat deze baby’s op volwassen leeftijd bijna twee keer zo weinig sporten als volwassenen met een normaal of hoger geboortegewicht. Volgens hoofdonderzoeker Ahmed Elhakeem is het de hoogste tijd om deze lichtgewichten eens extra aan te moedigen om meer aan lichaamsbeweging te doen, zodat zij ook van de gezondheidsvoordelen genieten. Hoewel de relatie “laag geboortegewicht” en “weinig sporten” nogal at random klinkt, ontdekte Nieuwscheckers dat dit nieuws best wel eens kan kloppen.

Behalve op nu.nl verschijnt het bericht op de gezondheidswebsites babyenkind.nl en nationalezorggids.nl, die beide verwijzen naar nu.nl.

Waar komt het nieuws vandaan?

Op 2 september publiceert New Scientist een bericht onder de kop “People born underweight do less excercise throughout their lives.” Onderzoek van University College London zou dit uitwijzen. De onderzoekers kwamen tot hun bevindingen na een follow-up studie met bijna 3000 Britten, geboren in 1946. Op verschillende momenten in hun leven, tot op 68-jarige leeftijd, hebben zij vragenlijsten ingevuld. Hierin werd hen onder andere gevraagd hoe vaak ze precies sportten. Ten behoeve van het onderzoek maakte de docent lichamelijke opvoeding tijdens de middelbareschooltijd al aantekeningen over de sportprestaties van de onderzochte Britten.

De cijfers lijken er niet om te liegen: de categorie “geboortegewicht lager dan 2,5 kilo” (officieel is dat te laag, en niet “laag” zoals in de kop van het artikel staat) presteerde op school al bijna twee keer zo vaak “onder gemiddeld” tijdens de gymlessen en later sportten ze gemiddeld 1,78 keer minder dan de groep met een normaal of hoger geboortegewicht. Conclusie: als je geboren wordt met een te laag geboortegewicht, ben je minder sportief en ben je er ook minder goed in. Bovendien, concludeerden de onderzoekers, had de groep lichtgewichten op latere leeftijd minder plezier in sport.

De oorzaak van dat gebrek aan plezier ligt volgens Elhakeem in de lagere prestaties tijdens de gymles op school. In eerder onderzoek – Brustad, Babkes & Smith (2001) – is inderdaad al vastgesteld dat de mate van prestatie inderdaad van invloed is op het welbevinden van mensen tijdens sport. Positieve ervaring tijdens schoolgym verhoogt je intrinsieke motivatie, waardoor de kansen groter worden dat je gedurende de rest van je leven aan sport blijft doen. Dat mensen met een laag geboortegewicht later minder aan lichaamsbeweging doen, klinkt als we deze redenatie volgen eigenlijk helemaal niet zo gek.

Maar klopt het nieuws ook?

“De wetenschappers kunnen alleen nog gissen naar het verband tussen geboortegewicht en lichaamsbeweging”, valt te lezen in het artikel op nu.nl. Daarnaast verwijst Elhakeem naar een tiental oudere onderzoeken waar compleet andere resultaten uit zijn gerold: van totaal geen relatie tussen geboortegewicht en sportgedrag tot een redelijk grote relatie tussen de twee variabelen. Genoeg reden voor Nieuwscheckers om de geldigheid van het nieuwsbericht en het onderzoek in twijfel te trekken.

We benaderen dr. Frank van den Dungen, neonatoloog (geneeskundige voor vroeggeboren of zieke zuigelingen) op het VUMC. Hij durft geen antwoord te geven op de vraag over de relatie tussen een laag geboortegewicht en minder sporten. Ook Luc van Loon, hoogleraar sportwetenschappen aan het Maastricht UMC, kan ons niks vertellen. “Dit is puur epidemiologie.”

Epidemiologie, dat is de wetenschappelijke discipline die het vóórkomen en de verspreiding van ziekten en gezondheidsindicatoren in menselijke populaties bestudeert, in relatie met de factoren die daarop van invloed zijn. We spreken met Frits Rosendaal, hoogleraar klinische epidemiologie aan het LUMC. Op het net nieuwsbericht zelf valt volgens hem niet veel aan te merken: “Ik vind het verslag wel een genuanceerde weergave van het onderzoek: de onderzoekers claimen geen causaliteit en de verslaggever ook niet. Ook interpreteert hij de hoofduitkomsten correct: de lichtgewichten presteerden minder goed op schoolgym en sportten later minder.”

Wel heeft Rosendaal een opmerking over de berichtgeving van de cijfers: “De journalist heeft de getallen door elkaar gehaald: hij schrijft dat mensen met een laag geboortegewicht 1,9 minder aan sport doen dan de andere groepen, terwijl dit gaat over het cijfer van de prestaties op school. In plaats van die 1,9 had hier beter 1,78 kunnen staan, het gecorrigeerde cijfer binnen het onderzoek.”

Goed, op het onderzoek en het nieuws valt –op die vergissing in de cijfers na-  volgens Rosendaal niet veel aan te merken. Maar hoe zit het dan met de causaliteit? Beïnvloedt je geboortegewicht definitief je sportgedrag, of is er iets anders aan de hand? Rosendaal: “Causaliteit is altijd een probleem bij observationeel onderzoek, want er kunnen achterliggende factoren zijn die samenhangen met de determinant (hier laag gewicht) en de uitkomst (hier minder sporten). Dat kan hier natuurlijk ook best, bijvoorbeeld dat het allemaal moeders waren die zich te pletter rookten en dronken tijdens de zwangerschap. Dat levert kleine kindjes op en die zullen daarna misschien ook geen opvoeding genieten waarin sport gestimuleerd wordt.” Maar deze kanttekening betekent volgens Rosendaal absoluut niet dat de relatie niet bestaat: “De conclusie dat kinderen met een laag geboortegewicht weinig sporten, en dus een duwtje in de rug mogen krijgen, past zowel bij een causale als niet-causale associatie.”

Dus?

Na bestudering van het onderzoek en gesproken te hebben met een epidemiologisch expert kunnen wij niet anders dan onze twijfels over het nieuwsbericht en het onderzoek intrekken. Ja, Dennis Rijnvis, schrijver van het artikel op nu.nl, heeft de kop verkeerd overgenomen: een laag geboortegewicht is niet hetzelfde als een té laag geboortegewicht. En ja, hij heeft ook de cijfers niet helemaal correct overgenomen. Maar de strekking van het verhaal is een correcte interpretatie van het onderzoek. Voor het totaalplaatje zoeken we toch nog even contact met de journalist. “Om te bepalen of een onderzoek geschikt is voor journalistieke doeleinden, kijk ik altijd in wat voor blad het staat, in dit geval ging het om een gerenommeerd tijdschrift. Nee, ik lees niet het hele onderzoek door, meestal bestudeer ik alleen de conclusie. Met een beetje gezond verstand kom je vaak wel op een juist oordeel over de betrouwbaarheid van een onderzoek.” En dat zijn eigenlijk exact dezelfde woorden waarmee Rosendaal zijn verhaal afsluit: “De journalist moet kijken of datgene wat gepubliceerd wordt een beetje plausibel is. Hoe bepaal je dat? Je kijkt of het gaat om een redelijk tijdschrift (was in dit geval zo), je kijkt of de hypothese en uitleg plausibel zijn (is ook zo) en of het onderzoek voldoet aan normen van kwaliteit en kwantiteit (en dat is ook zo).” Sorry voor ons lakende vertrouwen, Dennis!

Foto: Frank Guido (Flickr, CC BY-NC 2.0)

Oud worden met obesitas?

Monday, October 31st, 2016

Door: Joost Kroon en Jasmijn Missler

“Levensverwachting bij obesitas even hoog als bij gezond gewicht”, beweerde NU.nl op 4 augustus 2016 op basis van een ANP-bericht: mensen met overgewicht zouden even lang leven als mensen met een gezond gewicht. Dezelfde conclusie verschijnt in het Reformatorisch Dagblad en op de sites van onder meer de Volkskrant, het AD en Trouw. De boodschap druist in tegen het idee dat zwaarlijvigheid consequenties heeft voor onze kwaliteit – en duur – van leven. Bovendien verschijnt in dezelfde periode een onderzoek dat het tegenovergestelde beweert.

De berichten baseren zich op onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, gepubliceerd in PLOS Medicine. Deze studie richt zich echter op de levensverwachting van mensen die door obesitas diabetes type 2 hebben gekregen, en niet van mensen met obesitas in het algemeen.

Hoewel deze variant van suikerziekte onder mannen en vrouwen met overgewicht veel vaker voorkomt, wijst de studie het uiteindelijke overlijden van te zware diabetespatiënten niet toe aan hun obesitas. Met andere woorden: voor mensen met diabetes type 2 heeft obesitas geen invloed op de levensverwachting, ook al krijg je met obesitas wel veel eerder diabetes type 2.

Leeftijd

Toch zijn er nog steeds kanttekeningen te plaatsen bij dit onderzoek. De studie van het Erasmus Medisch Centrum is gehouden onder een groep van ongeveer 6500 mensen van 55 jaar of ouder die in of nabij Rotterdam wonen. Deze zijn geselecteerd vanuit het Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek, dat veelvoorkomende gezondheidsproblemen onder senioren bestudeert (ERGO). De conclusie is dus alleen van toepassing op ouderen, terwijl obesitas een groot probleem is onder veel meer leeftijdsgroepen.

Het oorspronkelijke nieuwsbericht van het ANP vermeldt dat eerdere onderzoeken het tegenovergestelde concluderen. Zodra er wordt gekeken naar de invloed van obesitas op levensverwachting in het algemeen, wordt het dan ook een heel ander verhaal. Een grootschalig meta-onderzoek dat een maand eerder werd gepubliceerd in het Britse wetenschappelijk tijdschrift The Lancet, kwam namelijk tot de conclusie dat obesitas wel degelijk een belangrijke negatieve invloed heeft op levensverwachting.

Deze publicatie woog 239 eerder uitgevoerde grootschalige onderzoeken, waarin in totaal meer dan 10 miljoen mensen onderzocht zijn, verspreid over vier continenten. Conclusie: ongeacht waar ter wereld hebben mensen met overgewicht en obesitas een grotere kans om vroegtijdig te overlijden dan mensen met een gezond gewicht. De algemene levensverwachting wordt daarmee dus toch korter als je lijdt aan obesitas.

Deskundigen aan het woord

De gelijke levensverwachting van te zware en gezonde senioren is door de Erasmus-onderzoekers niet precies te verklaren. Er is dus meer onderzoek nodig. Prof. dr. Hanno Pijl, bijzonder hoogleraar diabetologie van het Leids Universitair Medisch Centrum, biedt enige verheldering.

Hij wijst ons op een eerder verschenen onderzoek met een vergelijkbare uitkomst, namelijk dat overgewicht op middelbare leeftijd minder effect heeft op de sterfte. Daar stelt hij tegenover dat ontzettend veel onderzoek suggereert dat je eerder doodgaat met obesitas. Waarom is dit schijnbaar niet het geval op hogere leeftijd?

Een eenduidig antwoord is er op dit moment niet, volgens Pijl: “Ik denk dat wat hier speelt nog niet helemaal boven water is.” Wel is duidelijk dat de verhoudingen anders liggen voor jongere mensen: zij gaan wel degelijk eerder dood als gevolg van obesitas.

Een ongezond leven als 55-plusser is echter niet aan te raden. Het slechte nieuws, vertelt de hoogleraar, is dat mensen met overgewicht langer ziek zijn: “Er is waarschijnlijk ook een oververtegenwoordiging van hart- en vaatziekten in de obese groep, maar daar zijn nu geen getallen van.” Erasmus-onderzoeker Symen Ligthart benoemt in een artikel van de Gelderlander ook dat je als dikke oudere het risico loopt dat je langer ziek bent en last hebt van slechte bloedcirculatie, infecties en andere klachten. Je gaat dus misschien niet eerder dood, maar de vraag is hoe je oud wilt worden.

Pijl zet vraagtekens bij de conclusie dat je met diabetes en overgewicht langer zou leven dan iemand met diabetes en een gezond gewicht. Een opmerkelijke bevinding, vindt hij: “Je zou kunnen denken dat mensen met een normaal gewicht en diabetes een slechter gereguleerde diabetes hebben.” Omdat deze groep door slecht gereguleerde diabetes gewicht verliest, zou dit volgens Pijl een reden kunnen zijn waarom deze mensen juist eerder overlijden.

Misleidend

De kop van NU.nl is misleidend en levert vraagtekens op. Hetzelfde geldt voor Trouw en de Volkskrant, die “Niet eerder dood door overgewicht” kopten. Uit het onderzoek blijkt dat deze opvallende conclusie alleen geldt voor oudere volwassenen. Ander onderzoek schetsts een breder beeld: volgens een grootschalige meta-analyse leidt obesitas wel degelijk tot een kortere levensloop.

Hoogleraar diabetologie Pijl en onderzoeker Ligthart laten ons weten dat je als te zware senior misschien niet eerder dood gaat dan andere ouderen, maar hierbij wel gebukt gaat onder diabetes en bijbehorende ziekteverschijnsel. Pijl voegt hieraan toe dat een slecht gereguleerde diabetes tot gewichtsverlies leidt, waardoor deze patiënten mogelijk eerder overlijden.

De auteur van het ANP-bericht was niet bereikbaar voor commentaar.

Beeld: CGP GreyFlick-R, CCBY 4.0

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes