natuur

Paddenstoelennieuws opgeblazen

Thursday, November 11th, 2010

Door: Aafke Hofman en Bianca Massaro

‘Paddestoelexplosie in Nederland’: de herfst was nog niet eens begonnen toen de media goed nieuws brachten over de paddenstoelenstand in ons land. De afgelopen veertien jaar zouden er maar liefst zeven soorten per maand zijn bijgekomen.  Nieuwscheckers ontdekte dat de paddenstoel toch iets anders in de steel steekt: om van een explosie te spreken, moeten we de cijfers van de afgelopen jaren kunnen vergelijken met oudere gegevens. En die zijn er niet.

De Telegraaf meldde al op 26 augustus een explosie van paddenstoelen. De NOS volgde op 8  september. Waar de NOS het heeft over een totaal van 4.000 soorten, zijn het er in De Telegraaf zelfs 5.000.  Het AD kopte op 9 september: ‘Explosie van paddenstoelen in nat en warm Nederland’ (niet online) en telde 4.000 soorten. Trouw heeft het op 11 oktober ook over een paddenstoelenexplosie, turft ‘ruim 4800′  soorten,  en verwijst naar Marijke van Dam van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Veldbiologie.  NOS en Telegraaf beroepen zich op een andere bron: de paddenstoelenkenners van de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV).  Al bij ons eerste telefoontje blijkt dat er van een echte vereniging niet echt te spreken valt. Volgens Jacques Gelderblom van het secretariaat heeft de NMV geen kantoor en is het meer een groep individuen.  Misschien ligt daar een oorzaak van de verschillende cijfers: De Telegraaf sprak NMV-bestuurslid Menno Boomsluiter, de NOS laat de identiteit van de zegsman in het midden.

“In Nederland zijn we de grens van de 5.000 soorten al gepasseerd”, vertelt Boomsluiter ons. Hij verwijst naar de Verspreidingsatlas waar dit expliciet staat vermeld: “Van de ruim 5000 soorten in Nederland komt een flink aantal het hele jaar voor, bijv. op bomen en op dood hout.” Maar Boomsluiter benadrukt:  “Het is ontzettend lastig om precies vast te stellen hoeveel paddenstoelen er zijn. Dit is namelijk afhankelijk van wat je allemaal onder een paddenstoel verstaat. Daarnaast zijn de meeste soorten paddenstoelen ontzettend klein en onopvallend.” Het Grootsporig Vriendenschijfje bijvoorbeeld, een soort die voor Nederland nieuw is, groeit aan de onderkant van rottend hout en heeft een doorsnede van nog geen  millimeter.

Geen explosie
De zeven nieuwe soorten paddenstoelen die er de afgelopen veertien jaar per maand bij zijn gekomen, berusten op een berekening van Boomsluiter zelf. Oud nieuws overigens, want Boomsluiter zette het al in februari op zijn blog. Het ANP maakte er een bericht van, dat onder meer door de Volkskrant werd overgenomen. Maar Boomsluiter wil zelf niet van een soortenexplosie spreken: “We hebben alleen gegevens van de afgelopen veertien jaar, van de jaren daarvoor is niets bekend. De laatste jaren wordt er gewoon veel meer onderzoek gedaan, waardoor er ook meer soorten worden ontdekt. Wellicht is er wel sprake van een daling, dat weten we dus niet.”

Wat wel uitbundig groeide in 2010, was het aantal afzonderlijke paddenstoelen. Paddenstoelen gedijen uitstekend door de combinatie van hevige regenval en hoge temperaturen: er waren die jaar dus veel paddenstoelen te zien, maar niet veel paddenstoelensoorten. 

De Rode Lijst
Niet alleen met het aantal paddenstoelensoorten, ook met het aantal bedreigde soorten is iets mis. De NOS: “Toch zijn mycologen niet tevreden, want nog steeds staan zo’n tweederde van de paddenstoelen op de rode lijst met bedreigde soorten.” Boomsluiter vertelt ons echter dat hij tevredener is over de ontwikkelingen dan het NOS-bericht meent. Er staan namelijk in verhouding minder bedreigde paddenstoelen op de Rode Lijst dan vier jaar terug. De misvatting kan zijn ontstaan doordat de NOS verwijst naar ’de laatste lijst’, de Rode Lijst 2004, een opsomming van alle bedreigde soorten paddenstoelen. Maar na een vluchtige blik op de website van de NVM blijkt een recentere versie, de Rode Lijst 2008, eenvoudig te downloaden. Hierin staat: “De Rode Lijst is gebaseerd op een analyse van ruim 1,8 miljoen verspreidingsgegevens in het databestand van de Nederlandse Mycologische Vereniging. Alle 4732 in Nederland waargenomen soorten zijn daarbij beoordeeld. Van deze soorten zijn 2624 soorten voldoende bekend om voor de Rode Lijst in beschouwing te worden genomen. De overige 2108 soorten zijn niet ‘inheems’ volgens de LNV criteria of er zijn onvoldoende betrouwbare gegevens voorhanden om tot een beoordeling van de Rode-Lijststatus te komen (bijvoorbeeld wegens hun kleine formaat, onopvallende groeiwijze of omdat ze recent zijn onderscheiden zodat oudere gegevens ontbreken).”

Van de 2.624 soorten die onder de loep zijn genomen, zijn uiteindelijke 1.619 soorten als bedreigd op de Rode Lijst 2008 terecht gekomen. Dit betekent dat 62% van de inheemse, betrouwbaar waargenomen soorten bedreigd is. “Maar in vergelijking met de Rode Lijst 2004 gaat het beter met de paddenstoelen”, aldus Boomsluiter.

Waar zit nu de fout?
Waarschijnlijk zijn de fouten ontstaan door verwarring van het aantal soorten en het aantal exemplaren. De paddenstoelenkenners van de NMV hebben niet beweerd dat er dit jaar een explosie in soorten is, maar in het aantal exemplaren. Het verschil in aantal soorten, 4.732 op de Rode Lijst en ruim 5.000 volgens Boomsluiter, kan schuilen in het feit dat de Rode Lijst uit 2008 dateert: intussen zijn er al weer meer soorten gespot.

Afzender onbekend
Geen explosie van nieuwe soorten paddenstoelen, geen 4.000 maar minimaal 4.732 soorten in totaal, en de verkeerde Rode Lijst: tijd om de schrijver van het NOS-bericht om een reactie te vragen. Volgens online eindredacteur Lambert Teuwissen van de NOS is het stuk geschreven door correspondent en verslaggever Rienk Kamer. Kamer vertelt ons dat hij wel de foto’s bij het bericht geleverd heeft en een radio-item over paddenstoelen heeft gemaakt, maar het schrijven van het artikel door tijdsgebrek aan een andere redacteur in Hilversum heeft overgelaten. Hij verwijst ons terug naar de NOS, maar die kunnen ons helaas niet verder helpen.

Dubieus bericht wel op site, niet in krant

Friday, October 15th, 2010

Door: Floris Olsthoorn

Het stond afgelopen dinsdag 21 september op de websites van bijna alle Nederlandse kranten. Wetenschappers zouden aangetoond hebben dat Mozes de Rode Zee niet heeft gescheiden, terwijl dat toch echt in Exodus 14 van de Bijbel staat beschreven. Over gemakzuchtig kopiëren en het nut van historisch windonderzoek.

Het gaat om het bericht ‘Mozes scheidde Rode Zee misschien niet’ dat gebaseerd is op een publicatie in PLoS ONE, een ‘open-source’ site voor peer-reviewed wetenschappelijke artikelen. Het artikel stelt dat het fysisch mogelijk is dat er een landbrug ontstaat bij de Rode Zee waarover een mens, bijvoorbeeld Mozes, zou kunnen lopen.

De landbrug ontstaat als een harde wind vanuit de juiste richting gedurende lange tijd blijft waaien. De topografie van de omgeving waar de landbrug zou ontstaan moet ook nog aan zeer specifieke voorwaarden voldoen, zo zou blijken uit een computersimulatie van het effect van wind op water.

Theïstische evolutie
De bedenker van het onderzoek is Carl Drews, een softwareontwikkelaar die recentelijk een mastersdiploma in de oceanografie heeft gehaald aan de University of Colorado at Boulder (UCB). De link tussen wetenschap en religie heeft al langer zijn interesse, zo blijkt op zijn website theistic-evolution.com. Daar probeert hij de evolutietheorie in harmonie te brengen met zijn Christelijk geloof.

Dit doet vermoeden de kop van het artikel (‘Mozes scheidde Rode Zee misschien niet’) niet de mening van de onderzoeker verwoordt. Navraag bij Drews leert dat dit inderdaad zo is. “Zelf zou ik hebben gekozen voor de kop ‘Wind scheidde wellicht de Rode Zee’”, laat hij per mail weten. “In het nieuwsbericht is een andere pakkende beschrijving van het onderzoek gebruikt. Het is de verantwoordelijk van de lezer om voor zichzelf te besluiten wat Mozes heeft gedaan.” Ondanks de kop ziet Drews geen reden om te klagen. “De invalshoek van de journalist van Reuters vind ik grappig. Ik ben tevreden met de berichtgeving over mijn onderzoek”.

‘Nutteloos’
Niet iedereen is tevreden met het onderzoek van Drews. Bioloog PZ Myers van de University of Minnesota, Morris noemt het onderzoek op zijn blog “nutteloos”. “Het is een simpel geval van post-hoc rationalisatie van een ongefundeerde gebeurtenis in een mythe.”

Myers is verbouwereerd over het feit dat het onderzoek gepubliceerd is. “Als een artikel zoals dit op mijn bureau zou landen voor een review, zou ik de redacteur van het blad opbellen om te vragen of dit een grap is.” Hij vreest voor de richting die PLoS opgaat met deze publicatie.

Relifanaten
Het door het ANP van Reuters overgenomen bericht is terug te vinden op vele Nederlandse krantensites, onder meer die van de Volkskrant, Trouw, AD, Het Parool en DePers. Van de landelijke kranten hebben alleen De Telegraaf en NRC Handelsblad het bericht niet gepubliceerd.

De diversiteit in de berichtgeving is minimaal. De sites gebruiken allemaal dezelfde korte of lange versie van het bericht van het ANP. Soms wordt alleen het ANP genoemd als bron, soms ook Reuters, soms geen enkele bron. DePers heeft de moeite genomen een andere titel te bedenken (‘Twijfels over Mozes’). PowNed gaat het verst met twee cosmetische wijzigingen aan het artikel. Ze schrijven over ‘relifanaten’ en het woord ‘misschien’ is in de kop weggelaten, om het iets ongenuanceerder te maken. Verder is het stuk letterlijk overgenomen.

Het Nederlandse bericht van het ANP is zonder inhoudelijke toevoegingen of wijzigingen vertaald uit het Engels. Slechts een van de twee auteurs van de publicatie komt aan het woord, van verdere verdieping is geen sprake. Dit terwijl het stuk toch meteen belangrijke journalistieke vragen oproept. Wie zijn de auteurs en wat is hun achtergrond? Wat is de waarde van het onderzoek, wetenschappelijk en theologisch?

Metaforen
Bernard Schelhaas geeft antwoord op die laatste vraag. Het bericht heeft het geloof van deze oud-dominee uit Leiden niet veranderd. “Het verhaal over Mozes die de zee scheidde is een illustratie van het idee dat als je gelooft in een weg naar de toekomst, dat die er ook is”, legt hij uit. “Voor hen die oorlog voeren en onderdrukken – de Egyptenaren in dit geval – is geen toekomst.”

Het komt volgens Schelhaas wel vaker voor dat mensen de Bijbel letterlijk nemen en de feiten proberen te controleren. “Zo zijn sommigen op zoek gegaan naar delen van de Ark van Noach.” Deze mensen begrijpen volgens de oud-dominee niet goed de bedoeling van de Bijbel. “Het gaat niet om de vraag of die verhalen echt zijn gebeurd of niet. Het zijn metaforen voor vertrouwen tegenover wantrouwen, geloven versus niet geloven.”

Geen prioriteit
Het artikel over Mozes verscheen ook ongewijzigd op de website van de Volkskrant. Hoe komt dit? Volgens Martijn van Calmthout, chef van de wetenschapredactie van de krant, levert zijn redactie niet de inhoud van de website: “Ik kijk de stukken snel even door en als het niet teveel rotzooi is, mag het van mij gepubliceerd worden.” Het kan dus gebeuren dat een artikel waar Van Calmthout niet tevreden mee is wel op de website komt. “Ik laat het dan door in het besef dat het niet helemaal lekker zit.”

Met een redactie van vier man moet Van Calmthout keuzes maken. De website heeft daarbij geen hoge prioriteit: “Eerst komt wetenschapsnieuws van algemeen belang voor de nieuwskrant aan de beurt, dan het wetenschapskatern en dan pas de website.” Deze volgorde heeft ook te maken bezoekcijfers; de sectie wetenschap op de website wordt niet enorm goed bekeken.

Met het bericht over Mozes was Van Calmthout niet gelukkig, onder meer omdat er geen wederhoor had plaatsgevonden. “Er had bijvoorbeeld iemand uit theologische hoek gevraagd kunnen worden naar de relevantie van het onderzoek.” Toch liet hij het door. De papieren krant heeft het bericht nooit gehaald, maar voor het web was het kennelijk goed genoeg.

Dubbele penis blijkt goedkoop lokkertje

Wednesday, April 21st, 2010

Door: Martijn D. Guliker

Hoofd van de nieuwe varaan
“Grote hagedissoort met twee penissen ontdekt”, kopten verschillende media onlangs. Het bericht was in verschillende verschijningsvormen te vinden op de websites van onder andere nu.nl, De Telegraaf, De Volkskrant (hoewel deze later het bericht rectificeerde), het AD en verschillende internationale media. Het ANP, waarop de Nederlandse journalisten zich baseren, noemt de dubbele penis in de kop maar besteedt er in het bericht zelf weinig aandacht meer aan. Met reden: een dubbele penis is allesbehalve uniek in de reptielenwereld: het is gemeengoed onder alle hagedissen en slangen.

Navraag bij het ANP levert op dat dit bericht afkomstig is van een van de vele andere internationale persbureaus: het ANP vertaalt deze meestal blindelings, en er wordt dus niet meer naar het originele persbericht gekeken. Hierin werd de dubbele penis nooit genoemd. Hendriekus Wiltjer van het ANP: “Ik geef u inderdaad gelijk dat het feit van de twee penissen te prominent gebracht is”.

Wanneer de dubbele penis ten tonele is gekomen is een raadsel. De eerste internationale berichten maken nog geen melding van deze zogenaamde curiositeit, waarschijnlijk omdat zij zich baseerden op het originele persbericht dat direct van de wetenschappers kwam. Waarschijnlijk heeft ergens op de wereld een journalist het bijbehorende artikel opgezocht, en daarin vielen de foto’s van de dubbele penis direct op. Het onderscheid tussen varanen wordt namelijk onder andere gemaakt in de vorm van dit orgaan: deze verschilt van soort tot soort. De journalist heeft de dubbele penis als nieuwswaardig beschouwd, anderen hebben dat overgenomen en uiteindelijk is het geslachtsorgaan het eigenlijke nieuws gaan overschaduwen.

Varanus bitatawa met de niet-unieke dubbele penis

Merlijn van Weerd, een van de co-auteurs van het artikel over Varanus bitatawa, zoals de nieuwe soort genoemd wordt, is Nederlands. Ook hij heeft zich afgevraagd hoe die dubbele penis zo’n groot item is geworden: ‘Het staat niet in de persberichten die uitgestuurd zijn. Ik denk wel dat er vrij snel in de berichtgeving melding is gemaakt van de dubbele penis en dat dit daarna is opgepikt door alle andere media.’

Hoe groot de aantrekkelijkheid van zo’n goedkoop lokkertje is, wordt onderstreept door de schrijfster van het stukje op AD.nl. Van Weerd: “Ik werd gebeld door het AD en de verslaggeefster was met name geïnteresseerd in de penis. Ik heb haar verteld dat alle hagedissen een dubbele hebben en daar was ze nogal teleurgesteld over.” Zoals te zien is in het uiteindelijke stuk heeft de schrijfster het opmerkelijke seksfeitje niet los kunnen laten: het staat nog steeds in de titel, hoewel ze van de bron zelf vernomen heeft dat dit allesbehalve uniek was. De internetredactie van het AD bleek niet bereikbaar voor commentaar.

Pim Arntzen, die zich voor Naturalis bezighoudt met onderzoek naar amfibieën en reptielen, veroordeelt de actie van de media, die het bezit van een dubbele penis zo buitenproportioneel hebben vergroot: “Ik vind het jammer dat zo’n spectaculaire ontdekking van zo’n groot dier in zo’n drukbevolkt gebied niet genoeg nieuws op zichzelf is om alle koppen te halen. Dat er dan zo’n kunstgreep moet worden toegepast om het toch nog onder de aandacht te brengen is treurig.”

Van Weerd zelf is minder sceptisch over de dwaling van de media: “Ik vind het op zich niet erg dat er zoveel interesse is voor de nieuwe soort vanwege die dubbele penis. Ik denk dat alle media-aandacht er juist voor gezorgd heeft dat het nieuws ook door de serieuzere media is opgepikt, bijvoorbeeld door de Economist of Noorderlicht. Ik denk dat deze varaan uiteindelijk niet bekend zal staan als de varaan met de dubbele penis maar gewoon als de Bitatawa, een zeldzame, fruitetende varaan die pas in de 21e eeuw ontdekt werd.”

Lichtere dino’s zwaar overdreven

Monday, June 29th, 2009

dino_brach1Door Dorette Bos

De dinosaurusgekte barstte los op maandag 22 juni 2009. De meeste Nederlandse media hielden het rustig, met titels in de trant van “Dinosaurussen waren helemaal niet zo zwaar en massief” (Elsevier) of “Dinosauriërs minder massief dan gedacht” (Nu.nl). Alleen Kidsweek bracht het als voorpaginanieuws. De buitenlandse pers ging daarentegen wel helemaal loos. Media gooiden met termen zoals ‘thinosaurus’ (Times Online) of ‘minor-saurus’ (Daily Express). The Register, Fox NewsCBBC, Xinue, the Daily Mail, iedereen leek er aandacht aan te besteden.

Wat was er nou aan de hand? Colorado State University bracht een persbericht uit over een onderzoek met een nieuwe methode om de massa – en daarmee het gewicht – van dinosaurussen te berekenen. Volgens de onderzoekers waren alle modellen die men daarvoor tot nu toe had gebruikt helemaal fout.  Zo zou een brachiosaurus in plaats van 32.000 kilo slechts 16.000 kilo hebben gewogen. Een behoorlijk groot verschil dus, dat het beeld van dino’s op zijn grondvesten deed schudden. Zo’n wetenschappelijke aardschok is een extra reden om de feiten te checken. Toch zette geen enkel medium vraagtekens bij deze berichtgeving. Uiteraard heeft Nieuwscheckers dit wel gedaan.dino_brach2

Persbericht

Laten we maar eens beginnen met het persbericht zelf. Dat ziet er behoorlijk indrukwekkend uit.  Gary Packard en zijn mede-onderzoekers laten weten dat het oorspronkelijke statistische model, gebruikt om dinomassa te meten, niet klopte. Dino’s zouden slechts de helft wegen van wat we tot nu toe dachten. Daardoor komt ook kennis over andere eigenschappen, zoals leefwijzen en voedselpatronen, op losse schroeven te staan.

Gewicht en massa

Even een korte zijsprong hier over het verschil tussen massa en gewicht. Ieder levend wezen bestaat uit een zekere massa. Deze massa geven we aan met een gewicht in kilo’s. Terwijl uw reporter met haar massa van 60 kilo op aarde 60 kilo weegt, zou zij op de maan met dezelfde massa een stuk lichter zijn. In de ruimte zou zij met dezelfde massa zelfs helemdino_skeletaal niks wegen.

In het geval van de dino’s gaat het dus niet om de lengte of hoogte van het skelet (dat staat immers vast), maar om wat daar precies omheen zat. Zaten de organen op elkaar gepropt, op ver uit elkaar? Was er een dikke vetlaag, of juist niet?

Huidige plaatjes van dino’s tonen altijd grote dikkerds die rustig rondbanjeren. Volgens dit onderzoek was dat niet het geval en zouden de dino’s juist heel dun en gespierd moeten zijn. Het vertrouwde plaatje van de ronde, volgevreten brachiosaurus zou dus vervangen moeten worden door dat van een afgetrainde brachiosaurus – denk ongeveer de helft van het beest weg.

Onderzoektyrx

Methodisch gezien zat het onderzoek als volgt in elkaar. De onderzoekers baseerden zich op een toonaangevende lijst uit 1985 met 33 soorten zoogdieren en hun gegevens. Hiervan bepaalden zij de omvang van het opperarmbeen en van het dijbeen. Vervolgens extrapoleerden zij deze gegevens en gebruikten een hoop wiskundige formules en theorieën – een allometrische vergelijking, om precies te zijn – om hier de massa van de dinosaurussen uit te berekenen.

Klinkt behoorlijk indrukwekkend allemaal. Geshockeerd door dit nieuwe beeld van de dino’s – zal Jurassic Park nooit meer hetzelfde zijn? – nam deze reporter de telefoon ter hand en belde wat experts na.

De mening van andere paleontologen

Anne Schulp, paleontoloog bij het Natuurhistorisch Museum Maastricht, vond het allemal niet zo dramatisch:  “Volgens mij is het een hoop gepuzzel met cijfers.” Schulp was het niet eens met de onderzoeksmethode, omdat zoogdieren en dinosaurussen toch echt wel twee verschillende dingen zijn. “Die vallen niet te vergelijken.”

overzich

Verschil in grootte tusen mens en brachiosaurus

Donald Henderson, paleontoloog bij het toonaangevende Royal Tyrrell Museum in Canada, was dezelfde mening toegedaan als Schulp. Ook hij vond de vergelijking tussen dino’s en zoogdieren niet kunnen: “Dinosaurussen hebben totaal andere lichaamsvormen dan zoogdieren. De staart en nek van bijvoorbeeld de brachiosaurus lijken in de verste verte niet op welk levend zoogdier dan ook.” Daarnaast rust het merendeel van het lichaamsgewicht bij dinosauriërs op de achterpoten. Bij zoogdieren is het gewicht echter gelijk over de voor- en achterpoten verdeeld. Bij olifanten – een belangrijke vergelijkingsfactor in het onderzoek – klopt de verdeling zelfs helemaal niet:  hun gewicht rust voornamelijk op de voorpoten. Toch neemt het onderzoek van Packard deze verschillen niet in acht, aldus Henderson.

Rood zijn de longen, de andere kleuren zijn luchtzakken.

Rood zijn de longen, de andere kleuren zijn luchtzakken.

Luchtzakken en vogelbotten

Maar Packard laat nog meer dingen buiten beschouwing. Hij bestudeert dino’s die behoren tot de Saurischia, de voorouders van de hedendaagse vogels. Net als vogels hadden ook zij luchtzakken in hun lichamen, en holle botten. Hierdoor zijn de lichamen van dit soort dinosaurussen lichter dan die van zoogdieren en hebben ze een groter volume. Luchtzakken dragen immers bij aan de massa. Denk een grote juten zak, voor de helft gevuld met cadeautjes. Deze zak heeft een bepaald gewicht en een bepaalde massa. Doen we er opgeblazen ballonnen bij, dan nemen het volume en de massa toe, maar het gewicht nauwelijks. De zak is tonnetje rond, maar niet zo zeer zwaarder.

Deze vogel heeft ook luchtzakken.

Deze vogel heeft ook luchtzakken.

Dino’s bestonden in alle soorten en maten. Zo was er de grote, ronde ankylosaurus, of juist de dunne, magere velociraptor. Henderson zou liever zien dat deze verschillende lichaamstypes ook mee waren genomen in het onderzoek van Packard, en dat de onderzoekers zich niet slechts gericht hadden op de omtrek van verschillende botten. Henderson: “Wat dat betreft was de onderzoeksmethode uiterst kortzichtig.”

ankylosaurus

ankylosaurus

Henderson zelf gebruikt een andere methode: hij schat de massa van dino’s aan de hand van hun volume en veronderstelde dichtheid. Dit vindt hij betrouwbaarder dan een vergelijking gebaseerd op zoogdieren. In tegenstelling tot Packard kan Henderson zijn model ook toepassen op levende dieren zoals vogels, reptielen, of olifanten, en een nauwkeurig beeld krijgen. “Ik vind de methode van Packard uiterst kortzichtig. Het geeft absoluut geen representatief beeld van de massa van dinosaurussen.”

deiyon

Deinonychus

Onderzoeksteam: Gary Packard

Een behoorlijk duidelijk oordeel dus. Maar wat vindt de onderzoeker hier zelf van? “De media hebben alles helemaal uit zijn verband gerukt,” zegt Gary Packard van Colorado State University. “Het doel van onze studie was namelijk slechts het toepassen van een statistisch model op bepaalde wiskundige gegevens – en niet per se op dinosaurussen. Wij gebruikten deze slechts als middel om ons punt te maken.”

Packard en zijn collega’s gebruikten dino’s dus om hun model te testen. Het gevestigde onderzoeksmodel klopte in hun ogen absoluut niet – waarop zij dus een verbeterde versie bedachten.

Omdat dit oorspronkelijke onderzoeksmodel de basis was voor een groot deel van het onderzoek in de afgelopen twintig jaar, kon het niet anders dat men bepaalde onderzoeken zou moeten verwerpen.

Waarom stond dit niet zo in het persbericht? “Ik heb wel wat invloed gehad op het persbericht, dus de ophef rondom dit onderzoek staat niet helemaal buiten mij. Maar voornamelijk ben ik toch bang dat de mensen van het Journal of Zoology dinosaurussen een stuk interessanter vonden dan wiskundige vergelijkingen.”

poisondino

Dilophosaurus

Toch wilde Packard nog toevoegen dat niet alleen zijn onderzoek de mensen heeft misleid. Ook de andere onderzoeken, gebaseerd op de onderzoeksmethode uit 1985 hebben mensen misleid. “Die berekeningen waren niet representatief. Er had een andere methode gebruikt moeten worden.”

Reactie Elsevier

Een hoop gegoochel en gedoe dus, met al deze studies, misinterpretaties, en experts met andere meningen. Maar toch… waarom heeft niemand anders de moeite genomen om wat experts te bellen en om dit verhaal na te trekken?

De redactie van Nu.nl heeft niet op onze email gereageerd, maar namens Elsevier mailde webredacteur Jeroen Langelaar:  “Wij als redactie zijn van mening dat het onderzoek nieuwswaardig is omdat de uitkomsten ervan de ‘feiten’ dan wel aannames met betrekking tot dinosaurussen – zoals die al decennia lang op tafel liggen – tegenspreken. Het zijn nieuwe wetenschappelijke inzichten. We publiceerden over hún onderzoek en de opvallende uitkomsten daarvan – dát vonden we nieuws.” Het verschil in mening tussen de verschillende paleontologen vond Langelaar in dit geval irrelevant .

jurp

Conclusie
Het leek baanbrekend onderzoek met verregaande gevolgen voor het paleontologische vakgebied – uiteindelijk bleek het wel mee te vallen. Gelukkig maar, want Jurassic Park was een van onze favoriete films.

NB: Deze nieuwschecker werkt als stagiaire bij Natuurwetenschap & Techniek, waar zij dit dinonieuws het eerst onder ogen kreeg en onderzocht. Voor Nieuwscheckers heeft zij dit verder uitgewerkt.

Menselijke resten hoeven niet naar de chemocar

Friday, May 15th, 2009

natuurbegraafplaats-bergerbos1Door Dionne Boekestijn

The circle of life… Kinderen krijgen het via De Leeuwenkoning al te horen: je lichaam vergaat en is voedsel voor de planten, dat weer voor dieren, enzovoort. Nieuwscheckers stond daarom perplex toen begin april in de media het bericht verscheen dat menselijke resten de natuur juist schaden. Dit zou blijken uit een onderzoeksrapport van Alterra naar de gevolgen van ‘natuurbegraven’: het uitstrooien van as of het begraven van stoffelijke overschotten in de vrije natuur en op speciale natuurbegraafplaatsen.  “Menselijke resten in de vorm van lijken of as belasten de natuur aanzienlijk”, begint het ANP-bericht (2 april 2009) over de kwestie. Moeten we na onze dood in de batterijverzamelbox of mogen we toch terug naar de natuur? Nieuwscheckers zocht het uit en stuitte op een verhaal over wetenschap, nieuws, nuances en wilde zwijnen.

Engelse toestanden
Nederland telt op dit moment twee natuurbegraafplaatsen, Westerwolde op de Veluwe en Bergerbos in Sint Odiliënberg (Limburg).  De graven worden hier deel van de natuur. Er zijn geen hekken of omheiningen, en de grafstenen zijn een onderdeel van de omgeving. Een natuurbegraafplaats is dus letterlijk natuurlijker en minder formeel dan een normale begraafplaats.  In Engeland is natuurbegraven een echte trend: daar zijn al meer dan tweehonderd woodland burial grounds. Wat gebeurt er als deze vorm van begraven ook in Nederland populairder wordt, vroeg men zich af bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Heeft dat geen nadelige gevolgen voor natuur en milieu? Het onderzoek naar die vraag is uitgevoerd door het instituut Alterra van de Universiteit Wageningen, onder leiding van de bioloog Hans de Molenaar.  Op 1 april stuurde landbouwminister Verburg het rapport naar de Tweede Kamer.

Schadelijke meststoffen
Meestal wordt er simultaan met zo’n rapport een persbericht verstuurd, maar in dit geval ging het anders. Volkskrantjournalist Caspar Janssen werd tijdens een telefoontje met een LNV-ambtenaar getipt over het onderzoek, belde met Hans de Molenaar en tikte zijn stukje. Op 1 april verscheen het op de site van de Volkskrant, onder de kop ‘Verstrooiing van as is niet goed voor de natuur’. De lead neemt iets terug van de kop (“Maar dat is niet altijd gunstig voor de natuur”), maar de nadruk ligt toch vooral op de nadelen.  Op 2 april volgde een bericht van het ANP, dat onder meer werd overgenomen door De Telegraaf en Nu.nl. Deze berichten zeggen dat natuurbegraven de natuur ernstig zou belasten.

Dezelfde dag zond Omroep Gelderland een nieuwsitem uit met een aantal korte quotes van Alterra-onderzoeker De Molenaar. Zo zegt hij dat menselijke as meststoffen bevat die schadelijk kunnen zijn voor planten die het best gedijen op arme zandgrond. De boodschap van de reportage is echter veel alarmerender. ‘Natuur lijdt onder asverstrooiing’, luidt de titel, waarna de presentator waarschuwt: “[…] de wens om op een natuurbegraafplaats uitgestrooid te worden is juist schadelijk voor die kwetsbare natuur. Dat zeggen de wetenschappers van Alterra in Wageningen.”

Everzwijnen
Onderzoeker De Molenaar was niet blij met deze publiciteit, verklaart hij tegenover Nieuwscheckers. “In principe is het natuurbegraven nadelig voor de natuur, maar in de praktijk is dit geheel afhankelijk van de situatie. Deze praktijkkant wordt in de media nauwelijks genoemd.” De conclusies van het rapport luiden: “De milieubelasting door begraven van stoffelijke resten of asurnen en door verstrooien van crematieas in natuurterreinen is verwaarloosbaar.” En:  “De algehele natuurverstoring door natuurbegraven en door verstrooien van crematieas in natuurterreinen kan (afhankelijk van dichtheid, frequentie en kuildiepte) aanzienlijk zijn.” Kán aanzienlijk zijn, en dat is toch net iets anders dan wat bijvoorbeeld het ANP schreef: “Menselijke resten in de vorm van lijken of as belasten de natuur aanzienlijk.” Volgens De Molenaar zijn menselijke resten niet slecht voor het milieu, maar wel potentieel slecht voor de natuur.

asverstrooiing

Omroep Gelderland zond wel een quote van De Molenaar uit waarin het negatieve effect op bepaalde natuur werd uitgelegd, maar dit is niet van toepassing op natuurbegraafplaatsen. Deze zeldzame natuur komt voornamelijk voor in beschermd bosgebied, waar helemaal geen menselijke overblijfselen begraven mogen worden. Voordat er überhaupt mensen buiten de natuur- en gemeentelijke begraafplaatsen begraven mogen worden, gaat daar een procedure aan vooraf om te kijken of de plaats wel geschikt is voor begraven. “Ik maak me dus weinig zorgen over aantasting van kwetsbare natuur”, aldus De Molenaar.

Asverstrooien is een ander verhaal. Na een crematie blijft er van een mens een paar kilo as over die rijk is aan fosfaat, stikstof en kalk. De Molenaar: “Deze stoffen worden ook door boeren gebruikt om hun land te bemesten. Een boer mag per hectare maar enige tientallen kilo’s fosfaat gebruiken. Op een strooiveld wordt de as minder verspreid en dus is het fosfaatgehalte daar veel hoger. Het strooiveld bij de Veluwe wordt door het hoge kalkgehalte regelmatig omgewoeld door everzwijnen die in hun kalkbehoefte willen voorzien. De zwijnen woelen de aarde en planten om. Ook dit verstoort de natuur.” Maar crematieas wordt slechts lokaal uitgestrooid en niet over een hectare grond. Het effect blijft dus kleinschalig.

Geen persbericht
Waarom heeft Alterra niet geprobeerd om met een persbericht het nieuws te sturen in de richting van de onderzoeksconclusies: natuurbegraven en asverstrooien kunnen geen kwaad, mits men bepaalde grenzen aanhoudt? Het antwoord is dat Alterra het nakijken had: toen voorlichter Bert Jansen op 2 april het bericht in de Volkskrant las, was die kans al verkeken. Jansen: “Ik dacht: o, shit, dit is typisch nieuws dat maatschappelijk niks voorstelt, maar dat het goed zal doen in de media.” Gewoonlijk neemt het ministerie van LNV contact op met de voorlichter van Alterra voor het moment dat een rapport in de openbaarheid wordt gebracht. Dat was nu niet gebeurd. “Maar ik weet niet of ik anders wel een persbericht had gemaakt”, zegt Jansen. “Is het relevant genoeg? Twintig jaar geleden hebben we dit ook al eens onderzocht en daar kwam ook uit dat het pas kwaad kan als je ergens een enorme hoop as uitstrooit.”

natuurbegraafplaats-bergerbos-2

Kisten met laptops
Kortom: wie na zijn dood terug naar de natuur wil, hoeft zich geen zorgen te maken dat hij die natuur juist belast.  Bovendien zal het met de grote vraag naar het natuurbegraven ook wel meevallen. “De vraag naar crematies neemt relatief sneller toe dan de vraag naar het natuurbegraven”, zegt Antoine Fonville, werkzaam bij www.uitvaartinformatie.nl en www.crematorium.nl. Mocht er onverwachts toch een explosieve groei van het natuurbegraven plaatsvinden, dan hoeven de natuurliefhebbers niet te vrezen: natuurbegraven is niet belastender voor het milieu dan het traditionele begraven. In tegendeel zelfs. Op natuurbegraafplaatsen wordt er streng op toegezien dat er geen onnatuurlijke producten op de begraafplaats binnenkomen. Er mogen bijvoorbeeld geen knuffeltjes en andere niet-natuurlijke producten op het graf gezet worden. Terwijl op gewone begraafplaatsen, volgens de gemeentelijke begraafplaats Naaldwijk, de kisten vaak vol liggen met knuffels, gameboys en soms zelfs complete laptops.

Kattenleger zaait verwarring

Wednesday, April 15th, 2009

Door Adriënne Copper

Onder de kop ‘Kattenleger zaait dood en verderf’ slaan BN/De Stem, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad en het Haarlems Dagblad op vrijdag 20 maart alarm over “het groeiend aantal zwerfkatten”. Er zou in Nederland sprake zijn van een explosie aan ontheemde katten die voor veel overlast zorgen, zoals het bevuilen van wasgoed, het binnendringen van woningen en gejank en stank. Maar uit navraag van Nieuwscheckers blijken er helemaal geen betrouwbare cijfers te bestaan over het aantal zwerfkatten.

Stef Altena staat als auteur vermeld boven de artikelen over het groeiende kattenleger. Als Nieuwscheckers hem om een toelichting vraagt, reageert hij verbaasd: “De kop ‘Kattenleger zaait dood en verderf’ zei mij in eerste instantie niets. Ik heb hem even gegoogled. Ik vond het stuk op de site van BN/De Stem met mijn naam erbij, maar ik wens er geen verantwoordelijkheid voor te nemen. Ik heb het stuk voor de Leeuwarder Courant geschreven met de kop ‘Zwerfkat is wandelend hormonenfabriekje’. Daarna is het naar het GPD [gezamenlijke persdienst van de regionale dagbladen] gegaan die het in BN/De Stem heeft geplaatst, maar ergens moet het op een drastische wijze zijn omgegooid. Ze hadden mijn naam dan ook wel even weg mogen halen”, vindt Altena.

Wat klopt er volgens hem niet aan het artikel in de genoemde regionale dagbladen? “De cijfers die ik heb gegeven zijn uit hun verband gerukt door het als nieuws in de lead te zetten.” Wie dat gedaan heeft, blijft onduidelijk, want het GPD zegt tegen Nieuwscheckers het bericht niet te hebben aangepast, en ook BN/De Stem ontkent aanpassingen in het artikel te hebben gemaakt.

De tekst van het bericht in de Leeuwarder Courant, met de kop “Zwerfkat is wandelend hormonenfabriekje” (niet online), is inderdaad anders, maar ook daarin valt te lezen dat het aantal zwerfkatten groeiende is. Op de website van de Friese krant staat bovendien een aankondiging van het artikel, met als tekst: “Het gaat goed met de zwerfkatten in Nederland. In tien jaar tijd is hun aantal explosief toegenomen.”

Het aantal zwerfkatten

In alle berichten die zijn gepubliceerd in bovengenoemde regionale dagbladen valt te lezen dat het met name in stedelijke gebieden raak zou zijn. Elly von Jessen van de Dierenbescherming wordt daarbij als bron opgevoerd die beweert dat het aantal zwerfkatten de laatste tien jaar in Rotterdam explosief gestegen is tot zo’n dertigduizend. En ook in Leeuwarden zou het goed mis zijn want daar zijn “vorige maand 750 verwilderde katten in kaart gebracht, vijftig meer dan vorig jaar.”

Maar de berichten melden ook dat “het leven van de zwerfkat zich grotendeels onttrekt aan het oog van de mens. Het dier is schuw, en vooral ‘s avonds en ‘s nachts actief.” Dat roept onmiddellijk de vraag op hoe die beesten geteld worden. Oftewel: hoe is vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een groeiend zwerfkattenleger?

Om te beginnen gaat Nieuwscheckers op zoek naar cijfers bij de Kattenbescherming. Een woordvoerster durft geen exacte cijfers te geven van het aantal zwerfkatten in Nederland: “Een explosieve stijging in tien jaar is in elk geval erg overdreven.” Maar zijn er dan wel betrouwbare cijfers over Rotterdam en Leeuwarden, de steden die genoemd zijn in de krantenberichten?

Zwerfkatten in Rotterdam

Elly von Jessen van de Dierenbescherming zegt in het krantenartikel dat er sprake zou zijn van een explosie aan zwerfkatten in Rotterdam. Als Nieuwscheckers haar die uitspraak voorlegt, benadrukt ze dat ze een toename ziet in het aantal zwerfkatten die overlast veroorzaken. “Maar of het aantal zwerfkatten explosief is gestegen? Geen idee. Tien jaar geleden waren er namelijk nog geen cijfers”, geeft Von Jessen toe.

Maar waar baseert Von Jessen die toename van zwerfkatten dan op? “Wij gebruiken landelijke cijfers van werkgroepen die zich inzetten voor de bestrijding van zwerfkatten”, vertelt Von Jessen. “En daaruit is gebleken dat het aantal meldingen over zwerfkatten in Nederland die overlast veroorzaken in een paar jaar tijd wel is gestegen van 2000 naar 9000. Maar echte berekeningen zijn pas te maken na enige tijd.”

Het aantal van dertigduizend zwerfkatten in Rotterdam/Rijnmond dat Von Jessen in het krantenartikel noemt, is afkomstig van de Stichting Zwerfkatten Rotterdam/Rijnmond. Voorzitter Ineke Jochims vertelt dat het aantal zwerfkatten in deze regio inderdaad rond de dertigduizend ligt. Maar een precies aantal is niet bekend, erkent ze, want het gaat om ‘schattingen’.

Von Jessen legt uit dat die schattingen gemaakt worden op basis van het aantal meldingen van burgers, het gemiddelde aantal inwoners en  geografische kenmerken van het gebied. “Momenteel hebben we enkele werkgroepen die actief zijn in het lokaliseren van zwerfkatten, en die zitten vooral in dichtbevolkte gebieden als de Randstad en met name Rotterdam/Rijnmond waar de Stichting Zwerfkatten Rijnmond ons de cijfers geeft. Maar het is erg moeilijk om exacte aantallen te achterhalen”, aldus Von Jessen.

Een woordvoerder van de Dierenbescherming Rotterdam Rijnmond laat weten dat er helemaal geen betrouwbare cijfers zijn van het aantal zwerfkatten in die regio: “Het aantal zwerfkatten is eigenlijk nooit echt goed geteld.”

Zwerfkatten in Leeuwarden

In het krantenartikel gaat het ook nog over Leeuwarden, waar “750 verwilderde katten in kaart zijn gebracht, vijftig meer dan vorig jaar.” Waar zijn deze cijfers op gebaseerd?

De journalist die het artikel heeft geschreven, Stef Altena van de Leeuwarder Courant, legt uit: “De cijfers over Leeuwarden komen uit een artikel in onze krant van 5 februari. En Koos Pietersma van de Leeuwardense Dierenbescherming heeft telefonisch aan mij bevestigd dat het aantal zwerfkatten groeiende is.”

Maar bij navraag bestrijdt Pietersma de lezing van Altena: “Ik heb Altena geantwoord dat niemand weet hoeveel zwerfkatten ergens zijn. Ze worden niet geteld en zijn volgens mij ook helemaal niet te tellen. In Leeuwarden zullen er vast wel enkele honderden zijn, maar niemand die het weet.”

Pietersma toont zich verbaasd over de cijfers in de krant: “Tot mijn grote verrassing stond er de volgende dag in de krant dat er in Leeuwarden 750 zwerfkatten zijn, een toename van 50. Die getallen zijn door mij niet genoemd, maar ik weet wel waar ze vandaan komen. De bedrijfsleider van dierenasiel De Wissel in Leeuwarden heeft ooit aan de krant verteld dat er in zijn asiel in dat jaar 750 zwerfkatten zijn opgevangen, 50 meer dan in het voorgaande jaar. De journalist heeft aan die getallen dus een volkomen verkeerde betekenis gegeven.”

Teije de Haan, directeur van kattenopvangcentrum De Wissel in Leeuwarden bevestigt dat verhaal.  “Het aantal van 750 is inderdaad het aantal katten dat we 2008 hebben opgevangen, ongeveer 40 tot 50 meer dan vorig jaar.”
Zegt dat aantal wel iets over het aantal zwerfkatten in Leeuwarden? “We vangen ieder jaar wel meer zwerfkatten op”, legt De Haan uit, “maar over het totaal aantal zwerfkatten in Leeuwarden zijn geen concrete cijfers bekend. Dan zou je in elke afzonderlijke wijk moeten tellen, en omdat de katten vooral s’nachts leven, is dat erg lastig. Als er iemand cijfers zou moeten hebben ben ik dat, maar omdat die er niet zijn kan ik ze ook niet geven.”

Volgens journalist Altena is het anders gegaan: “Ik heb net even geinformeerd bij de collega’s van onze stadsredactie, waar het stuk geschreven is. De collega die destijds met De Haan heeft gesproken, zegt nog specifiek aan hem gevraagd te hebben hoe zij weten dat er 750 zwerfkatten buiten lopen in de stad. ‘Die indicatie hebben we’, heeft hij tegen mijn collega gezegd.”

Conclusie

Een ‘groeiend kattenleger’ dat bestaat uit ‘wandelende hormoonfabriekjes’ die ‘dood en verderf zaaien’. Het zijn prachtige beeldspraken om duidelijk te maken dat ons land te kampen heeft met een toenemende zwerfkattenplaag. Maar betrouwbare tellingen van het aantal zwerfkatten in Nederland zijn er helemaal niet. En er is zeker geen betrouwbaar vergelijkingsmateriaal van tien jaar geleden. Een kritische beschouwing van die cijfers was nuttiger geweest dan het bedenken van prachtige beeldspraak om onbewezen onheil te beschrijven.

IJsvogelslachting geen nieuws voor biologen

Monday, March 23rd, 2009

Door Thijs Kuipers

Door de strenge winter heeft de helft van het aantal ijsvogels het loodje gelegd, concludeert de stichting SOVON Vogelonderzoek in een persbericht op basis van de ‘midwintertellingen’ van 2008 en 2009. Belangrijk nieuws voor iedereen die de vogels aan het hart gaat, want ‘het duurt weer een aantal jaar voor de populatie zich herstelt.’ Verschillende media brengen het dan ook als nieuws. Voor biologen is het minder opzienbarend.

Niet iedereen is onder de indruk van het nieuws. Wetenschapsjournalist Bart Braun van het Leidse universiteitsblad Mare:“Het was een volkomen normale winter, en het is volkomen normaal dat ’s winters de helft van de ijsvogels doodgaat. Als ze er echt niet tegen konden waren ze uitgestorven.” En inderdaad, zelfs SOVON zegt in het persbericht dat de ijsvogelstand ‘sterke schommelingen’ vertoont. Toch wordt het nieuws.

Gesneden koek

Waarom is om te beginnen het persbericht uitgebracht? Harvey van Diek van SOVON vertelt dat de afname van het aantal ijsvogels voor de kenners inderdaad niet heel verrassend is. “Maar voor de Nederlandse bevolking is het dat wel.” Dus: een persbericht de deur uit met daarin ook de uitleg hoe het kan dat de helft van de ijsvogels de winter niet heeft overleefd: “Ze zijn bijna geheel afhankelijk van vis, is het water bevroren dan hebben ze een probleem.”

Kees Moeliker, conservator van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, beaamt dat: “Het is inderdaad nieuws voor de gewone man, beroepshalve is het gesneden koek.” Ondanks het feit dat het geen opzienbarend nieuws is voor biologen, vindt hij het goed dat het bericht over ijsvogels in de media kwam: “Het ging jarenlang goed door de milde winters, het is goed om te weten dat het nu weer slecht gaat.”

Attentiewaarde

Bart Braun heeft dus een punt als hij zegt dat er wetenschappelijk gezien geen sprake is van nieuws, maar het wetenschappelijke aspect lijkt ook niet de invalshoek te zijn van de media die het nieuws brengen. Zij wijzen net als Van Diek en Moeliker op de interesse van het publiek. Peter Lagerweij, die het bericht over de ijsvogels schreef in het AD, legt uit: “Zoiets heeft attentiewaarde. De mensen vonden het interessant nieuws, het bericht wordt goed gelezen.”

Jannes Goedbloed van de NOS begrijpt Bart Braun wel: “De ijsvogelstand is erg hoog door enkele zachte winters en doordat er een strengere winter op volgt, sterven veel ijsvogels. In principe is dat het herstellen van de natuurlijke balans.” Maar ook hij wijst met nadruk op het publieksaspect: “Vanuit het oogpunt van de bioloog is het bericht over de ijsvogels misschien irrelevant, voor veel anderen is het nieuws en interessant om te lezen.”

Al met al lijkt ‘attentiewaarde’ het toverwoord. Zowel biologen als journalisten geven aan dat de sterfte onder ijsvogels geen wetenschappelijk nieuws is, maar dat de lezer het wél graag wil weten. Daar valt wat voor te zeggen, want na al die milde winters kan het geen kwaad eens te horen wat er gebeurt in een normale winter.

Alleen kleine misvattingen over Darwin

Tuesday, March 10th, 2009

Door Thijs Kuipers

Het jaar 2009 is Darwinjaar. Darwin werd geboren op 12 februari, dus het zou maar zo kunnen dat het grootste deel van de Darwingekte alweer achter ons ligt. Tijd voor een inventarisatie van de schade tot nu toe: welke fouten zijn er te vinden in de schrijvende pers? Verkeerde lezingen van de evolutietheorie die dienen om creationisme of intelligent design te ondersteunen zijn buiten beschouwing gelaten. De fouten die overbleven zijn niet wereldschokkend, maar slaan de plank zo nu en dan goed mis.

Foutjes

Kleine fouten over Darwins werk en leven tref je veel aan. Zo schrijft De Gelderlander op 13 januari over The origin of species: “De eerste druk van 1.250 exemplaren was direct uitverkocht.” Dat is inderdaad het bekende verhaal, maar die 1250 exemplaren lagen niet na één dag bij de lezers. Toen er op 22 november 1859 ingetekend kon worden op The Origin was er vraag naar 1500 exemplaren. Dit terwijl er maar 1111 exemplaren beschikbaar waren, dat zijn de 1250 exemplaren min promotieexemplaren. Darwins uitgever John Murray was dus de enige die op 22 november 1859 door zijn voorraad boeken heenraakte. Over het bereiken van de lezers schrijft Darwinbiograaf David Quammen: “De stap naar de individuele lezer verliep wat trager.”

Een tweede fout is te vinden in het Friesch Dagblad van 7 februari.  Hier wordt Darwin geciteerd: “Onlangs probeerde ik Shakespeare te lezen, en ik vond het zo onverdraaglijk saai dat ik er misselijk van werd.” Op het eerste gezicht een interessant citaat, dat echter in een ander daglicht komt te staan als je weet dat Darwin overal misselijk van werd. Het zich ziek voelen is een rode draad door zijn leven.  Het wordt pas opmerkelijk als hij ergens niet misselijk van wordt.

Een misstap die vaker voorkomt is te zien in een ANP-bericht van 8 februari: “al het leven [heeft] één gemeenschappelijke voorouder.” Zinnen van gelijke strekking zijn onder meer te vinden in het Financieele Dagblad (één dag later) en de Metro (12 februari). Het proces van evolutie is makkelijk voor te stellen als een zich vertakkend boomschema met één enkele oorsprong, dus hoe de verschillende media hier op komen is begrijpelijk. Maar juist is het niet. Janneke van der Heide, die binnenkort promoveert op de ontvangst van Darwins werk in Nederland, maakt duidelijk: “Darwin heeft het over vier of vijf grondvormen.” Waarom juist vier of vijf, dat weten we niet. Hoogstwaarschijnlijk was dit ook maar een gok van Darwin, en het maakt dan ook geen onderdeel uit van zijn evolutietheorie. “On the origin of species ging ook niet over het ontstaan van het eerste leven, maar over de ontwikkeling van soorten”, aldus Van der Heide.

‘Evolutie’ nieuw?
Ideen over evolutie zijn ouder dan Darwin. Het nieuwe aan zijn evolutietheorie was dat hij een verklarend mechanisme bood: de natuurlijke selectie. Dit blijkt lastige materie. Op 16 januari valt er in de Stentor het volgende te lezen:

De Nederlandse Poe-kenner Rene van Slooten bracht enkele jaren geleden een voor de meesten verrassend, onbekend aspect van Edgar Allan Poe onder de aandacht: Poe’s invloed op de wetenschap en filosofie. “Poe durfde in 1848 al te schrijven over evolutie”, zegt Van Slooten. “Elf jaar eerder dan Darwin.”

Boven het artikel staat vervolgens de kop ‘Edgar Allan Poe publiceerde eerder over evolutie dan Darwin’. Dat kan waar zijn, maar opmerkelijk is het allerminst. Jean-Baptiste Lamarck publiceerde nog eerder over evolutie. En Darwins eigen grootvader Erasmus Darwin nog weer eerder dan Lamarck. Wat Darwin zo bijzonder maakt, is dat hij als eerste –Alfred Russell Wallace even daargelaten–  schreef over evolutie door middel van natuurlijke selectie. Dat deed niemand voor hem, ook Poe niet.

Aan ‘natuurlijke selectie’ als nieuw begrip dat Darwin in verband brengt met evolutie gaat ook de Leeuwarder Courant voorbij. Op 17 februari valt hier te lezen: “Toen Charles Darwin in 1859 – nu 150 jaar geleden – zijn evolutietheorie openbaarde, was dat in feite oud nieuws.” Daarbij wordt verwezen naar Robert ChambersVestiges of the natural history of creation, een speculatief populair-wetenschappelijk werk uit 1844 waarin evolutie een rol speelt. Chambers bracht inderdaad wat nieuws: hij geloofde in transmutatie: soorten kwamen voort uit andere soorten. ‘Natuurlijke selectie’ speelt echter geen rol bij Chambers. Evolutie mocht dan ‘oud nieuws’ zijn, Darwins ‘evolutietheorie’  was dat zeker niet.

De Beaglereis

Vaak wordt de voorstelling gemaakt dat Darwin zijn evolutietheorie al tijdens zijn reis met de Beagle (1831-1836) bedacht. Het volgende is te lezen in De Telegraaf van 7 februari:

Darwin richt zich op de Galápagoseilanden met name op schildpadden en vogels. Hij beseft dat de zee een geografische barrière tussen de eilanden vormt. Het is de belangrijkste reden waarom soorten zich apart ontwikkelen. Zo zijn de snavels van vinken op de verschillende eilanden anders van vorm.

Darwin kwam echter pas later op zijn ideeën, Janneke van der Heide zegt hierover: “Het observeren van de vinken op de Zuid-Amerikaanse eilanden, leidde niet tot een eureka-moment.” Ook in het Nederlands Dagblad zien we, op 13 februari, staan: “Hij ontdekte dat de vinken op de verschillende Galápagoseilanden van elkaar verschilden, maar de evolutietheorie kwam niet in hem op.” Nog steeds niet geheel juist, Darwin kwam dus inderdaad niet prompt op zijn evolutietheorie op de Galápagoseilanden, maar hij ontdekte ook zelfs nog niet dat de verschillende vinken bij verschillende eilanden hoorden. Toen hij zijn vinken verzamelde, labelde hij ze nota bene niet eens per eiland. Dat ze van verschillende eilanden kwamen, daar wees de ornitholoog John Gould Darwin pas op terug in Engeland. Ook Trouw gaat hier op 12 februari mee in de fout: “Tijdens zijn wereldreis op de Beagle raakte hij overtuigd van de gestage gang van soort naar soort, […]”.

Volkomen verkeerde lezingen van Darwin en zijn werk worden nauwelijks gegeven, ondanks al het bovenstaande. De meeste fouten treft men aan in óf kleine berichten (waar dan ook waarschijnlijk minder tijd in is gestoken) óf in kleine delen of zelfs losse zinnen in grotere artikelen. Janneke van der Heide: “Het zijn niet al te ernstige fouten, doch wel getuigend van een grandioze slordigheid.”

De besproken krantenartikelen:

De Gelderlander,  13 januari 2009: ‘Ontstaan van soorten’.
Friesch Dagblad, 7 februari 2009: ‘Citaten van Darwin’.
ANP, 8 februari 2009: ‘Darwin: geestelijk vader van de evolutietheorie’.
Metro, 12 februari 2009: ‘Charles Darwin: een jaar lang in de schijnwerpers’.
Het Financieele Dagblad, 9 februari 2009: ‘Bijna werd een ander beroemd met evolutieleer’.
De Stentor/Sallands Dagblad, 16 januari 2009: ‘Edgar Allan Poe publiceerde eerder over evolutie dan Darwin’ .
Leeuwarder Courant, 17 februari 2009: ‘Charles Darwins evolutietheorie 150 jaar’.
De Telegraaf, 7 februari 2009: ‘De lange reis van; On the Origin of Species veroorzaakt cultuurshock; Charles Darwin’.
Nederlands Dagblad, 13 februari 2009: ‘Charles Darwin zag de zin van het leven niet meer’.
Trouw, 12 februari 2009: ‘De lange weg van Darwin’.

Geraadpleegde literatuur:

Chris Buskes, Evolutionair denken (Amsterdam 2006).
Janet Browne, Charles Darwin: Voyaging Volume 1 (Princeton 1996).
Janet Browne, Charles Darwin: The power of place ( Princeton 2002).
Adrian Desmond en James Moore, Darwin (Londen 1992).
Jonathan Hodge en Gregory Radick (ed.), The Cambridge Companion to Darwin    (Cambridge 2003).
David Quammen, De aarzelende Darwin (New York/Londen 2006).

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes