dagelijks leven

Word je geboren als koffieleut?

Friday, November 11th, 2016

door: Gabe Kramer en Misha Melita

‘Koffieleut? Dat ligt aan je genen,’ kopte het AD op 6 september 2016. Dat klinkt niet gek: er wordt immers wel meer bepaald door je genen. De kleur van je haar en ogen en aanleg voor sommige ziekten zitten ook in ons dna. Maar geldt dat ook voor koffie? Nieuwscheck: er is niet één koffiegen, er zijn er meer. Maar hun invloed is beperkt en onzeker.

Het AD was niet het enige medium dat het nieuwtje publiceerde. Ook Nu.nl, de Telegraaf en NRC schreven erover. Het artikel is gebaseerd op een onderzoek waaraan onder andere het Erasmus Medisch Centrum meewerkte. De AD-kop suggereert dat er een verband is gevonden tussen genen en een voorkeur voor koffie. Maar wie het artikel leest, komt er achter dat niet bedoeld wordt dat genen bepalen of iemand koffie lekker vindt, maar hoeveel koffie die persoon drinkt.

De onderzoekers zouden het ‘koffie-dna’ hebben gevonden. Bij aanwezigheid van dit dna breken mensen de giftige stof cafeïne langzaam af, waardoor ze niet snel behoefte krijgen aan een nieuwe kop koffie. Heb je dat gen niet? Dan breek je cafeïne wel snel af, en heb je dus gauw behoefte aan een nieuwe kop.

Het lijkt aannemelijk: je hebt een gen in je dna dat bepaalt hoe snel je na het drinken van koffie zin hebt in meer. Maar is dat verband wel zo eenduidig?

Gen bepaalt koffieconsumptie
Het verband dat de AD-kop suggereert, is in principe niet onwaar, vertelt Najaf Amin van het Erasmus MC: “Op basis van dit onderzoek kun je stellen dat koffiedrinken bepaald wordt door het koffie-gen dat we gevonden hebben.” Maar, geeft ze toe, dat verband is niet geheel eenduidig: “Er zijn natuurlijk ook andere factoren.” Daarmee doelt Amin op externe factoren, zoals cultuur en (werk)omgeving. In de onderzochte groep zijn daarom alle mensen die helemaal geen koffie (met cafeïne) drinken weggelaten. Daarmee is gecorrigeerd voor mensen die het gen wel hebben, maar geen koffie drinken. Maar in de onderzoekspopulatie zitten ook mensen die wél koffiedrinken hoewel dat ze het gen niet hebben. Amin: “Daarvoor is het heel moeilijk corrigeren. Bovendien zou dan de onderzoekspopulatie heel klein worden.” Daarmee zou de betrouwbaarheid van het verband in het geding komen. Het was dus kiezen tussen twee kwaden.

Epigenetica
Genetische verbanden zijn behoorlijk ingewikkelde materie, vertelt Amin. Ook daarom is aanvullend onderzoek nodig. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat het gen leeftijdsafhankelijk is, waardoor het zich verschillend gedraagt bij verschillende leeftijden. Amin wijst op het relatief nieuwe onderzoeksgebied van de epigenetica, dat niet alleen de aanwezigheid van genen bestudeert, maar ook of die zich uiten. Uit epigenetische onderzoeken blijkt dat de aanwezigheid van een gen alleen niet bepaalt of iemand bijvoorbeeld koffie drinkt, maar dat externe factoren invloed kunnen hebben op de ‘expressie’ van het gen. Daarmee wordt het verband tussen het ‘koffie-gen’ en koffieconsumptie steeds minder direct en staat het bewijs dat gevonden werd zonder kennis over gedragingen van het gen enigszins op losse schroeven.

Hét koffie-gen bestaat niet
Het onderzoek waaraan Amin meewerkte is niet het eerste dat koffieconsumptie vanuit de genetica wil verklaren. Onder andere Harvard deed dat in 2011. Onderzoekers vonden toen twee genen die in verband konden worden gebracht met koffieconsumptie. Dat blijken echter andere genen te zijn dan in het recente onderzoek waaraan Amin meewerkte.

“Dat kan,” zegt Amin desgevraagd. “Er zijn meerdere genen die meespelen als het gaat om koffieconsumptie.” Het vinden van een gen is dus niet meteen bepalend voor hoeveel koffie iemand drinkt. En er kunnen verschillende combinaties aanwezig zijn tussen genen die wel en genen die niet zorgen voor een snelle afbraak van cafeïne. Dat bevestigt bio-psycholoog Gonneke Willemsen, die vanuit de Vrije Universiteit in Amsterdam meewerkte aan een ander onderzoek naar het verband tussen genen en koffieconsumptie. “Er zijn meerdere genen betrokken bij het proces, die elk kleine effecten hebben. Zo zorgt de ene combinatie van genen ervoor dat iemand sneller misselijk wordt van koffie en een andere set dat iemand in de hersenen snel positieve effecten van koffie ervaart. De combinatie van al deze verschillende genen bepaalt de mate van koffiedrinken.”

Er kan dus eigenlijk niet gesproken worden van hét koffie-gen. Willemsen: “Er is nooit één gen. Dat klinkt mooi natuurlijk, ‘het koffie-gen’, en dat wordt er door de media uitgehaald, maar er zijn altijd een heleboel genen die dat bepalen.” Ook voorspellingen doen op basis van iemands genen is volgens Willemsen ingewikkeld: “Het is niet dat ik een gen meet en denk: die persoon gaat veel koffie drinken.”

Zoals in veel wetenschappelijke studies, roept Amin op tot meer onderzoek. Daarmee sluit ook het onderzoek van Harvard af: “Meer onderzoek naar de precieze functies van deze genen is echter nodig, en het is waarschijnlijk dat er meer ‘cafeïnegenen’ worden geïdentificeerd.” Bovendien, stelt Willemsen, moeten we niet vergeten dat genen niet de enige factor zijn die bepalen of we koffie drinken. “De genen die ontdekt zijn, verklaren maar een klein deel van de individuele verschillen in koffiegebruik, andere factoren zoals simpelweg of koffie standaard wordt geserveerd bij de maaltijd en of koffie duur is, hebben ook een invloed.”

Conclusie
Word je dus geboren met een koffie-gen dat bepaalt of je veel of weinig koffie gaat drinken? Het lijkt er niet op. Het domein van de genetica is behoorlijk ingewikkeld, en een eenduidig verband is niet eenvoudig getrokken. Bovendien zijn er meerdere genen die meespelen in hogere of lagere koffieconsumptie, genen die vooral te maken hebben met de afbraak van cafeïne, waardoor nuance op zijn plaats is. En externe factoren zijn in deze onderzoeken nog niet eens meegenomen. Meldde het AD een onwaarheid? Dat ook niet, want het klopt in principe wel dat er een verband is, maar er spelen ook externe factoren mee waardoor voorspellen op basis van genetische informatie niet mogelijk is.

NU.nl en het Algemeen Dagblad hebben niet gereageerd op onze vragen.

Foto: Lukas Kubicek (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Wat is het beste tijdstip om seks te hebben?

Wednesday, October 28th, 2015

Door: Melanie Semil en Cristiana Terwilliger

Voor twintigers die klokslag 15:00 uur de liefde met elkaar bedrijven is er goed nieuws: als we de Telegraaf moeten geloven is dit het beste tijdstip om seks te hebben. Het artikel is gebaseerd op een onderzoek van Paul Kelley (universiteit van Oxford), die gespecialiseerd is in het effect van biologische ritmes op leerprocessen. De uitkomsten zijn het resultaat van jarenlange studie naar de biologische klok in verschillende leeftijdscategorieën. De Telegraaf stelt dat “een 20-jarige niet veel nodig heeft om zin te krijgen in seks, maar tijdens de energiepiek halverwege de middag blijk je pas echt goed in de mood te zijn.” Ook Daily Mail, Grazia en Beautify berichtten over het onderzoek. Maar zouden de tijdstippen voor de verschillende leeftijdsgroepen echt de beste seks opleveren? En bestaat er wel zoiets als een beste tijdstip?

Charlotte Snel, werkzaam op de gezondheidsredactie van de Telegraaf, vond het nieuws via de Telegraph en besloot het bericht over te nemen, omdat het nog niet in andere Nederlandse kranten gepubliceerd was. Ze checkte het nieuws niet, omdat het gebaseerd is op een grootschalig onderzoek. Daarnaast heeft de Telegraaf al eerder nieuwsberichten naar aanleiding van onderzoeken van Kelley gepubliceerd. Tevens ziet Snel de Telegraph als een betrouwbare bron: “Zeker in de categorie gezondheid halen ze vrijwel altijd goede onderzoeken aan, waardoor ik geen vraagtekens zette bij het artikel.” Ze heeft de inhoud vertaald en overgenomen, maar de kop zelf bedacht en zo pakkend mogelijk gemaakt.

Wat zegt het onderzoek?

De studie van Kelley en zijn collega’s – “Synchronizing education to adolescent biology: ‘let teens sleep, start school later’ – onderzoekt de negatieve gevolgen van vroeg opstaan. Daaruit blijkt dat de sociale tijd en de biologische klok in je adolescentiejaren met elkaar in conflict raken. Doordat school- en werktijden niet aan de biologische ritmes op verschillende leeftijden worden aangepast, kan dit leiden tot een systematisch, chronisch en onoverkomelijk slaaptekort. De studie vermeldt nergens op welk tijdstip je seks zou moeten hebben.

Even checken

Als je je tot Google zou richten om achter het beste sekstijdstip te komen, dan kom je aardig wat berichten tegen die elkaar tegenspreken. Zo meent hln.be dat dit om 05:48 zou zijn en het AD baseerde zich in 2012 op een onderzoek van Women’s Health (helaas niet meer op internet te vinden): zaterdagavond om 23:00 uur. Maar wat is nou het juiste antwoord en is dat er wel?

Volgens drs. Ellen de Groot, seksuoloog bij het LUMC en docent seksuologie aan de Universiteit Leiden, bestaat er geen beste tijd voor seks. “Dat is voor mensen heel afhankelijk van persoonlijke omstandigheden, wat zij onder seks verstaan en wat hun specifieke doel van de seks is.” Zij kon ons ook niet vertellen of er recentere onderzoeken waren.

Biologische klok

De Telegraaf-kop was wel stellig over het beste sekstijdstip, maar verschafte per leeftijdscategorie ook uitgebreide schema’s over dagindelingen. Hoe kijken deskundigen hier tegenaan?

“Een goed werkend dagritme heeft zeker te maken met de innerlijke klok. Daar is veel bewijs van in de literatuur; vooral bij dieren, maar ook bij mensen,” zegt Domien Beersma, hoogleraar Chronobiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Beersma legt uit dat het leefpatroon zeker een belangrijke rol speelt in het biologische dagritme, omdat je biologische klok zich naar jouw ritme vormt. De dagindeling voor verschillende leeftijdsgroepen in het artikel in de Telegraaf berust volgens Beersma op speculaties: “In sommige aspecten zijn wel wetenschappelijke onderzoekingen terug te vinden, maar ik betwijfel of dit voor alle aspecten geldt.”

Ook Marijke Gordijn, onderzoeker Humane Chronobiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft haar twijfels bij de schema’s die de Telegraaf beschrijft: “De schema’s gaan veel verder dan de inhoud van het wetenschappelijke onderzoek van Kelley.”

Wat vindt de onderzoeker zelf?

Paul Kelley is van mening dat de informatie over de biologische klok en de omschakelingen gedurende de dag in het artikel staan zoals het in de research staat uitgelegd. Maar over de uitspraken over seks is Kelley wel kritisch: “De schrijver van het artikel van The Daily Mail heeft mij benaderd, en toen heb ik heb expliciet gezegd dat seks wordt bepaald door sociale conventies. Seks is een privé-aangelegenheid en hangt ook erg af van iemands dagelijkse routine. Daarbij komt dat men als het om seks gaat vaak geen eerlijke antwoorden geeft. Dit hebben ze weggelaten.” Omdat de algemene boodschap – het feit dat onze biologische klok gedurende ons leven verschuift en het belang van natuurlijk wakker worden – wel in het artikel staat vermeld, vindt Kelley dat er een oprechte poging was om dit te communiceren.

Oordeel: twijfelachtig

Kelley vindt dat er een goede poging is gedaan om de algemene boodschap te communiceren, maar de Nederlandse deskundigen zetten allemaal hun vraagtekens bij de schema’s en de uitspraken van het artikel in de Telegraaf. Omdat zowel seksuologe De Groot als Kelley benadrukken dat seks erg afhankelijk is van je dagelijkse routine en het vrij persoonlijk is, kunnen we stellen dat er waarschijnlijk niet zoiets bestaat als één tijdstip waarop je als gehele leeftijdscategorie het beste seks kunt hebben. Doe het gewoon lekker wanneer het jou uitkomt.

Huilen maakt minder gelukkig dan wordt beweerd

Thursday, October 8th, 2015

Door: Kristy Arets en Lisa Vos

Eind augustus meldden verschillende media dat huilen een positief effect heeft op de gemoedstoestand. Na het huilen zou de stemming binnen ongeveer negentig minuten verbeteren. Hoe serieus moeten we dit nemen? Is er reden om direct The Titanic en The Shawshank Redemption op te zetten? Deze factcheck toont aan dat je daar nog even mee kunt wachten. Het ligt namelijk allemaal een stuk gecompliceerder.

Een internationaal onderzoeksteam onder leiding van Ad Vingerhoets, hoogleraar psychologie aan de universiteit Tilburg, meldt in het wetenschappelijk tijdschrift Emotion dat men zich na een huilbui doorgaans beter voelt dan daarvoor.

De wetenschappers verzamelden zestig proefpersonen en lieten ze in een laboratorium twee films zien die bekend staan als echte tranentrekkers: Hachi – A Dog’s Tale en La vita è bella. Voordat de film startte, vroegen de onderzoekers de respondenten hun gemoedstoestand een rapportcijfer te geven. Na afloop werd dat nog drie keer gevraagd: direct na de film, twintig minuten later en negentig minuten later.

Tijdens de voorstelling moesten 28 deelnemers aan het experiment huilen. De overige deelnemers hielden het droog. De huilers gingen door een emotionele achtbaan. Direct nadat de film was afgelopen voelden ze zich gemiddeld genomen minder goed dan ervoor. Echter, na twintig minuten was hun stemming vrijwel elke keer weer op het zelfde niveau als voor de film. Na negentig minuten voelden zij zich zelfs beter dan voor de film startte! Dit in tegenstelling tot de mensen die niet hadden gehuild tijdens de film: hun stemming bleef constant.

Hé huil eens! Dat maakt gelukkig
De resultaten van het onderzoek werden al snel opgepikt door de media. ‘Huilen heeft positief effect op de stemming’, kopt nu.nl. Helemaal stellig is RTLnieuws: de kop ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’ zet bijna aan tot huilen. Maar, klopt dit wel? Is huilen goed  voor onze stemming?

Wat de meeste berichten achterwege laten, is dat er aan een positieve stemmingsverandering een opgelucht gevoel vooraf moet gaan. Dit gevoel is afhankelijk van een aantal factoren, aldus Vingerhoets. Allereerst is van eigenschappen van degene die huilt: “Mensen die zich depressief voelen, die echt niet lekker in hun vel zitten, die rapporteren doorgaans minder opluchting na een huilbui dan anderen.” Ook de reactie van omgeving is belangrijk: “Wanneer je wordt getroost, lucht huilen meer op dan wanneer je wordt uitgelachen”, aldus Vingerhoets. Tot slot en in dit onderzoek het meest van belang: de specifieke aanleiding van het huilen. Tranen bij een controleerbare en tijdelijke situatie luchten meer op dan bij een oncontroleerbare situatie. “Wanneer de aanleiding tot het huilen is gelegen in iets dat onbeheersbaar is, zoals het overlijden van een naaste, dan is de kans dat iemand zich beter voelt na het huilen minder groot dan wanneer iemand de situatie kan beïnvloeden.”

Je zou dus de vraag kunnen stellen of je met dit onderzoek, dat alleen kijkt naar huilen naar aanleiding van een film, kunt stellen dat op en huilbui altijd een stemmingsverbetering volgt.

Haken en ogen
“Het onderzoek ziet er op het eerste gezicht goed uit”, zegt Dylan Molenaar, universitair docent Psychometrie bij de afdeling Psychological Methods aan de Universiteit van Amsterdam. “Maar er zitten behoorlijk wat haken en ogen aan.” Omdat de onderzoeksresultaten gebaseerd zijn op 60 onderzoekspersonen, van wie 39 vrouw en iedereen student, twijfelt hij aan de representativiteit. “Bij een andere steekproef hadden de resultaten heel anders kunnen uitpakken. Tevens wordt nergens de keuze voor deze steekproef verantwoord.” Maakt huilen gelukkig? Molenaar: “Dat vraagt om enige nuance, enkel het gebruik van film als testmethode is voor een uitspraak als deze niet voldoende”.

Ook Chris Hartgerink, promovendus in Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Tilburg, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. Volgens Hartgerink leent deze kleine steekproef zich niet voor zulke sterke conclusies, het kan hoogstens een mogelijk effect signaleren dat vervolgens in een herhaling met meer proefpersonen bevestigd dient te worden. Daarnaast maken de onderzoekers volgens Hartgerink een cruciale fout: het is onduidelijk hoe ze de achttien metingen van negatieve emoties hebben samengevoegd. Het lijkt erop dat ze de som of het gemiddelde hebben genomen. “Dit is een zeer sterke assumptie, aangezien het redelijk is om aan te nemen dat bepaalde emoties sterker zijn dan andere. Ik voel me over het algemeen slechter als ik miserabel ben dan wanneer ik nerveus ben.”

Het is inderdaad een gemiddelde, legt onderzoeker Ad Vingerhoets uit. “Wij hebben een bepaalde maat die we in dat soort gevallen berekenen, namelijk Cronbachs Alpha. Wanneer deze een waarde heeft groter dan .70 mag je de afzonderlijke vragen beschouwen als metingen van dezelfde onderliggende dimensie.”

Conclusie
Lucht huilen op, of word je er zelfs gelukkig van? Nieuwscheckers concludeert dat de berichten over het huilonderzoek overdreven zijn. Vooral dat van RTL Nieuws: ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’. De redactie van RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om toelichting. Wat betreft het onderzoek: in de toekomst zal het herhaald moeten worden onder verschillende omstandigheden en met meer proefpersonen. The Titanic kunnen we dus nog even in de kast laten liggen.

Foto: Alena Navarro-Whyte (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Nederlanders zitten nog steeds veel voor de buis

Tuesday, September 29th, 2015

Door: Freek van Vliet en Marjon de Zeeuw

Nederlanders kijken minder ‘gewoon’ televisie, kopten verschillende media begin september. Een opmerkelijk bericht, vergeleken met eerdere nieuwsberichten over ons kijkgedrag. “Nederlander keek nog nooit zoveel televisie”, schreef de NOS over 2014, toen we bijna 3,5 uur per dag voor de buis zaten. Misschien nog opmerkelijker: het nieuwsbericht over de daling is gebaseerd op een onderzoeksrapport van 3000 euro dat nooit is ingezien door journalisten. Hoe zit dit? Kijken we een half jaar later echt opeens zoveel minder televisie?

De recente nieuwsberichten komen alle van een ANP-bericht. Dat is gebaseerd op een onderzoek van Telecompaper, een onafhankelijk onderzoeksbureau dat sinds 2014 twee keer per jaar een rapport uitbrengt over kijkgedrag. Op basis van hun rapport Video behaviour of Dutch consumers concludeerden onderzoekers Rianne Bosman en Sanne de Bruyckere dat Nederlanders relatief minder ‘lineair’ televisie zijn gaan kijken: gemiddeld nog zo’n twee uur per dag.

“Lineair televisie kijken”, legt De Bruyckere uit, “is een programma bekijken op het moment dat het wordt uitgezonden.” Dit traditionele kijken zou onder grote druk staan door vele andere mogelijkheden waarmee mensen programma’s kunnen zien, zoals Netflix en Uitzending Gemist.

Andere cijfers: Stichting Kijkonderzoek
Dat we in 2014 juist meer televisie keken dan ooit, komt voort uit gegevens van Stichting Kijkonderzoek (SKO). Deze stichting meet net als Telecompaper hoeveel uur mensen tv kijken, maar komt op heel andere getallen uit. Voor het tweede kwartaal van 2015 meldt SKO dat we gemiddeld 168 minuten per dag lineair tv keken, tegenover 120 minuten bij Telecompaper. Een enorm verschil.

De ongelijke resultaten zijn te verklaren door de uiteenlopende onderzoeksmethodes. Waar Telecompaper online enquêtes houdt om mensen te bevragen over hun kijkgedrag, baseert SKO haar gegevens op een ‘kijkmeter’ die is aangesloten bij een panel.

Onderzoeksmethodes
“SKO heeft die kastjes maar bij 1.200 huishoudens staan,” zegt De Bruyckere van Telecompaper. “Dat is niet heel erg veel. Wij ondervragen wat meer mensen: zo’n 6.600.” Toch wil ze niet stellen dat het onderzoek van Telecompaper betrouwbaarder is dan dat van SKO. “Het is gewoon anders. We meten op een andere manier.”

SKO-directeur Bas de Vos stelt echter dat je voor kijkonderzoek in de basis beter kunt registreren wat mensen doen, dan het alleen te vragen. “Ons kijkonderzoek registreert het kijkgedrag in een panel van 2.700 mensen. De kijkmeter meet 365 dagen per jaar, per seconde wat mensen kijken.” De Vos twijfelt verder aan de representativiteit van de steekproef van Telecompaper: “Een online enquête kan een bias hebben naar mensen die meer online zijn. Daarnaast ondervraag je niet dat stuk in de bevolking dat geen of weinig internet gebruikt”, aldus De Vos.

Willem Mekking, kijkcijferexpert bij de Nederlandse Publieke Omroep, verklaart het lagere aantal minuten lineaire tv bij Telecompaper doordat de deelnemers aan de enquête de neiging hebben hun hoeveelheid kijkgedrag te onderschatten. “Ze vergeten bijvoorbeeld dat ze soms overdag ook wel eens kijken, omdat ze bij de activiteit ‘televisie kijken’ veelal aan ’s avonds kijken denken. Daarnaast is het voor veel mensen ook sociaal wenselijk om te rapporteren dat ze weinig televisie kijken; heel veel televisie kijken wordt toch nog door veel mensen als iets negatiefs gezien.”

Seizoensverschillen
Telecompaper baseert de conclusie op een vergelijking van het vierde kwartaal van 2014 en het tweede kwartaal van 2015. Deze vergelijking is niet ideaal. In oktober, november en december zijn er veel nieuwe programma’s te zien; tegenover dat tv-hoogseizoen staat hier de periode van april tot en met juni, waarin er meer herhalingen op de buis zijn.

Mekking wijst op het gevaar van het vergelijken van deze verschillende seizoenen: “In de winter wordt doorgaans fors meer televisie gekeken dan in het voorjaar. Je kunt dus niet uitsluiten dat de gerapporteerde verschillen voor een aanzienlijk deel zijn terug te voeren op seizoensverschillen.” Zoals blijkt uit de kijkcijfers van SKO, vindt deze daling  tussen de verschillende kwartalen elk jaar plaats. “Om uitspraken te doen over kijktijd vind ik het verstandig om dat in principe te doen over perioden van hele jaren”, aldus Mekking.

De Bruyckere van Telecompaper beaamt dat het seizoen invloed kan hebben op de kijktijd. “Als er een wat sterkere programmering is in de winter, kijken mensen wat meer tv op de bank,” zegt ze. “We corrigeren daar niet voor in onze resultaten. Maar we maken er wel aantekeningen bij. Tegen de lezer zeggen we: het kan ook liggen aan de sterke of minder sterke programmering.”

Niet alleen seizoensverschillen verklaren de verschuiving in kijkgedrag, ook de uitzending van grote sportevenementen speelt een rol. Deze waren in 2014 medeverantwoordelijk voor de hoogst gemeten kijktijd ooit. De Vos: “In totaal is de kijktijd in het tweede kwartaal van 2015 wat gedaald ten opzichte van vorig jaar, maar dat is voor het grootste deel te verklaren uit het ontbreken van de Olympische Spelen en het WK Voetbal dit jaar.”

Relatieve percentages
Dus: kijken Nederlanders nu meer of minder lineair televisie? Telecompaper benadrukt dat de conclusie van het onderzoek doelt op het relatieve percentage: het aandeel van lineair kijken in de totale kijktijd neemt af, van 47 naar 39 procent. In absolute zin verandert er niet zoveel. “Het is niet zozeer dat mensen in minuten minder lineair tv kijken,” legt De Bruyckere uit. “Het is vooral dat mensen op al die andere manieren ‘extra’ kijken.”

Deze nuance ontbreekt in de kop van het ANP: “Nederlanders kijken minder ‘gewoon’ televisie”. Verderop in het artikel schrijft het persbureau wél dat het hier gaat om relatieve cijfers, maar deze nuancering wordt door NU.nl, Het Parool en Spitsnieuws volledig weggelaten.

Rapport van 3000 euro
De auteur van het ANP-artikel, Jorian van der Most, heeft geen rekening gehouden met de kanttekeningen of de SKO-gegevens. Het nieuwsbericht is slechts gebaseerd op het onderzoek van Telecompaper. Of beter gezegd: het persbericht van Telecompaper. “Het totale rapport is niet ingezien”, aldus Marijn Wellink, chef van de economie-redactie van het ANP.

“Journalisten zien onze onderzoeken eigenlijk nooit in,” geeft De Bruyckere toe. “Ze bellen nog wel eens om wat extra informatie, maar in principe baseren ze zich op het persbericht dat wij sturen.” Het rapport met de complete resultaten kost 3000 euro. Nieuwscheckers mocht het rapport ook niet lezen zonder de gewenste betaling.

Conclusie
Dat het aandeel lineair televisie kijken in de totale kijktijd is gezakt, is op basis van de vergelijking uit het rapport  – nou ja, het persbericht – van Telecompaper waar. Maar dit wordt wel heel gretig opgepikt in het nieuws, zonder nuancering en vergelijking met ander onderzoek. Voorlopig wordt er nog veel ‘gewoon’ televisie gekeken in de Nederlandse huishoudens, zeker als Nederland zich tóch nog kwalificeert voor het aankomend EK.

Foto © C.P.Storm Flickr.com

Horrorfilms: de nieuwe afslanktip?

Wednesday, November 21st, 2012

door: Willem de Gelder en Kim-Lan Jong Baw

Van kijken naar horrorfilms kun je afslanken. Dat maakte de Engelse universiteit van Westminster bekend op 28 oktober. Horrorfilms zijn eng, dus het lichaam maakt adrenaline aan. Dit vermindert de eetlust en leidt tot afvallen, aldus hoofdonderzoeker Richard Mackenzie. The Shining zou zo’n 184 calorieën schelen. Wie echter verder leest dan de kop, komt te weten dat er in het onderzoek slechts tien proefpersonen waren die tien films keken. En 184 calorieën, die zitten er met één bolletje kaas weer aan.

Op 29 oktober namen verschillende Nederlandse media, o.a. NOS en Elsevier, het persbericht over het onderzoek over van het ANP. Uit het onderzoek bleek dat de tien proefpersonen gemiddeld 113 calorieën verbrandden tijdens anderhalf uur horror. De onderzoekers hebben onder meer gekeken naar de hartslag en zuurstofopname van de proefpersonen. Richard Mackenzie: “Bij het bekijken van alle tien de films gingen de harten van onze tien proefpersonen sneller kloppen. Als dat gebeurt, wordt het bloed sneller door het lichaam gepompt waardoor het lichaam een adrenalinestoot ervaart.” Geen slecht resultaat voor online videotheek LOVEFiLM, de opdrachtgever van het onderzoek.

Onvindbare bronnen
De website van NOS en andere media verwijzen naar het ANP als bron. Maar daar blijkt het nieuwsbericht onvindbaar. “Ik kan me zeker herinneren dat we dit bericht gepubliceerd hebben, maar ik kan het niet meer vinden,” aldus een medewerker. Een virus is de oorzaak, zo wordt gegokt. Ook het Engelse onderzoek zelf bleek niet te pakken te krijgen. Zowel de onderzoeker zelf als de universiteit van Westminster als opdrachtgever LOVEFiLM waren niet bereid het onderzoek vrij te geven of reageerden niet op ons verzoek. LOVEFiLM heeft echter zelf ook een persbericht gepubliceerd over het onderzoek en heeft ons dit opgestuurd. Hier zijn we dan ook mee aan de slag gegaan.

Deskundigen aan het woord
Dr. Jaap Fogteloo, internist bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), heeft verschillende artikelen gepubliceerd over overgewicht en gewichtsverlies. Volgens hem zijn de conclusies van dit onderzoek niet zo eenvoudig als de onderzoekers doen geloven. “Er zijn heel weinig goede data over relaties tussen psychisch-lichamelijke angst en energiegebruik omdat energiegebruik bij mensen gewoon heel moeilijk te meten is.”

Ook dr. Aart Velthuijsen van de Universiteit van Amsterdam, specialist in invloed van media op het menselijk lichaam, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. “Ze lieten tien mensen kijken naar tien horrorfilms. Dit zijn wel erg weinig proefpersonen om individuele verschillen tussen mensen via statistiek te controleren.” Daarnaast maakt de onderzoeker volgens Velthuijsen een cruciale fout: hij gooit stress en angst op één hoop. “Natuurlijk kun je een film of scène wel eng vinden, maar daar ga je heus geen adrenaline van aanmaken.” En dat is nu juist de redenering van dit onderzoek: door de aanmaak van adrenaline als gevolg van stress zou je afvallen.

113 calorieën voor anderhalf uur, zo indrukwekkend is dat verder niet. Met één bolletje kaas (188 kcal) zit The Shining er al weer ruimschoots aan, meldt het Voedingscentrum. Met een flinke zak popcorn maak je nog bonter: met een zak van 80 gram werk je meer dan 300 calorieën naar binnen. Daarnaast verbrandt het gemiddeld menselijk lichaam al zo’n 100 calorieën door anderhalf uur rechtop te zitten, schrijft The Telegraph in een kritisch commentaar. Het effect van de film is dus nog kleiner dan wordt voorgesteld.

Conclusie
Methode en conclusies van het horrordieetonderzoek zijn discutabel. De resultaten zijn niet representatief, de gesuggereerde verbanden niet overtuigend. Helaas voor de luie types onder ons, het is erg onwaarschijnlijk dat je 184 calorieën verliest van een avondje griezelen met The Shining. “Bovendien,” zegt Velthuijsen, “als men naar horrorfilms kijkt en daardoor stress ondervindt, gaan mensen juist vaak proberen dit ‘weg te eten’. Ik zou dus het tegenovergestelde voorspellen.”

Kranten maken reclame voor dubieuze anti-katerpleister

Monday, November 19th, 2012

door: Gerline van der Giessen en Lucia van den Brink

Er is een nieuw middel op de markt dat een kater helpt voorkomen: de anti-katerpleister. Eind oktober schreven Metro, gevolgd door Spits, Telegraaf en Editie NL over de wonderpleister die – ontwikkeld door een Amerikaanse plastisch chirurg – dé oplossing zou zijn voor de vervelende gevolgen van te veel alcohol. Dat enthousiasme was voorbarig: kort daarna werd het middel in Engeland uit de handel gehaald. Een alcoholdeskundige van het Trimbos Instituut: ‘Een pleister tegen een kater? Onzin.’

Volgens de officiële website is de Bytox Hangover Prevention Patch, zoals de pleister officieel heet, simpel en te vergelijken met een nicotinepleister. Een uur voordat je begint met het drinken van alcohol plak je de pleister op en acht uur na het laatste glas verwijder je hem. De pleister zou verschillende vitamines en zuren (van onder andere açaibessen) bevatten, die je bij het drinken van alcohol verliest. Doordat deze vitamines langzaam aan het lichaam worden afgegeven, herstelt de natuurlijke balans zich.

Plastisch chirurg
De man achter de pleister blijkt de Amerikaanse plastisch chirurg Dr. Leonard Grossman. Wat weet een plastisch chirurg van katers? Grossman vertelt Nieuwscheckers dat hij per toeval de werking van vitamines tegen een kater ontdekte: “Toen een patiënt van me last had van een heftige kater, werd ik door de ouders gevraagd om te helpen. Als plastisch chirurg weet ik niks van het behandelen van katers af, maar een collega raadde me aan om mineralen en vitamines te gebruiken. Hierdoor was mijn patiënt binnen tien minuten op miraculeuze wijze genezen.” Hierop besloot Grossman dat hij meer mensen wilde helpen met zijn vondst en hij ontwikkelde de bytox-pleister.

Geen wetenschappelijk bewijs
Maar wat is de reactie van experts op het gebied van alcohol? Directeur van het Nederlandse Instituut voor Alcoholbeleid (STAP), Wim van Dalen, ziet dergelijke berichten regelmatig in de media verschijnen: “Steeds duikt er een nieuw idee op, maar toch is er is tot dusver geen enkel medicijn gevonden tegen een kater.” Ook Eva Ehrling van het Trimbos Instituut ziet een trend: “Er bestaan geen medicijnen en middelen die helpen tegen een kater. Zoiets is nog nooit wetenschappelijk bewezen. Eens in de zoveel tijd duiken dit soort bericht in de media op, maar deze zijn nooit ondersteund door wetenschappelijk bewijs.”

De pleister zou vol zitten met vitaminen en zuren van açaibessen die aan het lichaam worden afgegeven. Ehrling: “Een kater ontstaat door vochttekort in de hersenen, door uitdroging. Daar helpen vitaminen niet tegen. Het bericht is dus onzin.” Dit beaamt ook het Voedingscentrum: “Het enige middel dat wil helpen tegen een kater is veel water drinken, gelijk met alcohol of direct daarna.”

Toch blijft Dr. Grossman volhouden dat zijn pleisters wel degelijk helpen: “Grappig dat je zegt dat de hersenen uitgedroogd raken door het drinken van alcohol, ik heb hetzelfde geleerd. Dit klopt ook wel, want je nieren worden gestimuleerd waardoor je vaker naar het toilet moet en vocht verliest. We raden onze klanten daarom aan om goed te blijven drinken, maar dat is lang niet zo belangrijk als het – een uur van tevoren – plaatsen van de pleister.”

Gelukzoekers
Nieuwscheckers was blijkbaar niet de enige die twijfelde aan de pleister. Een dag na de aanprijzingen in Spits en Telegraaf kwam NOS op 3 met een kritisch bericht: Feestje? Even een anti-katerpleister plakken. Hierin doen verschillende Engelse organisaties zoals Drinkaware hun beklag over de pleister, die zij beschouwen als een excuus om nog meer te drinken. Volgens hen is het “compleet onverantwoord om dit soort producten te verkopen.”
Wat bovendien opvalt, is de promotionele toon van de artikelen in de diverse Nederlandse en Engelse media. Is hier niet gewoon sprake van reclame? De timing van het product en de berichtgeving zijn dubieus, zo net voor de feestdagen. Hebben we hier niet te maken met een slimme pr-truc? Voor Van Dalen (STAP) is het duidelijk: “De makers van deze pleister zijn pure gelukszoekers.”

Ondanks verschillende pogingen een reactie van de betreffende journalisten van Metro en Spits te krijgen, waren beiden niet beschikbaar voor commentaar. Kees de Graaff van Spits liet per email weten dat hij het te druk had, de stagiaire van Metro, die het bericht als eerste online had gezet, reageerde niet op de e-mails en was telefonisch niet bereikbaar.

Uit de schappen
Hadden wij tijdens onze research al zo onze bedenkingen over de werking van de pleister, na een bericht van The Independent op 7 november is het overduidelijk: de werking van de anti-katerpleister is op zijn minst discutabel. De Engelse toezichthouder op medicijnverkoop, het Medicines and Healthcare products Regulatory Agency (MHRA), heeft de fabrikant namelijk verboden te pleister nog langer te verkopen, omdat het product wordt aangeprezen als een geneesmiddel, hoewel er geen wetenschappelijk bewijs is voor de werking. De Bytox Hangover Patches zijn daarom per direct uit de schappen gehaald.

Supplementen slikken ongezond?

Monday, January 2nd, 2012

door: Petra Meijer en Dorith Graef

‘Supplementen slikken ongezond’, kopte de Volkskrant op woensdag 12 oktober. Volgens het artikel zou de dagelijkse inname van extra vitamines en mineralen eerder tot kanker en vroege sterfte leiden. Een ironische boodschap: we slikken de vitamines om gezond te blijven, maar als we de Volkskrant moeten geloven brengt elke pil ons dichter bij dood en verderf. Alle supplementen de prullenbak in dan maar?
  

Voor de vitamineslikkers die de eerste klap te boven zijn gekomen en verder lezen, lijkt het zo’n vaart niet te lopen. Het artikel beschrijft twee Amerikaanse onderzoeken die zouden uitwijzen dat mensen die dagelijks extra vitamines en mineralen slikken eerder kanker krijgen en zelfs eerder dood gaan dan mensen die niets gebruiken.  

Prostaatkanker

Als je de onderzoeken echter beter bekijkt, kom je tot de ontdekking dat bovenstaande conclusies wel erg kort door de bocht zijn. Het eerste onderzoek, gepubliceerd in JAMA, richtte zich op 35.000 mannen van wie een deel dagelijks vitamine E had geslikt. Tijdens een eerdere meting kwam er geen significant verband naar voren. Enkele jaren later, toen er meer gevallen van prostaatkanker bekend werden en de meting herhaald werd, vond men wel een significant verband.  

Dat de dagelijkse inname van extra vitamines en mineralen de oorzaak zou zijn van kanker, is echter een ongenuanceerde conclusie. Allereerst is het belangrijk om op te merken dat de mannen allemaal ouder waren dan vijftig jaar. Bovendien werd alleen het effect van de vitamines op prostaatkanker onderzocht. Het is dus best mogelijk dat vitamine E andere vormen van kanker voorkomt. Of dat andere vitamines dan vitamine E niet met prostaatkanker geassocieerd worden.  

De berichtgeving mag dan wat ongenuanceerd zijn, met het onderzoek zelf lijkt weinig mis, zegt Kees van Putten, methodoloog bij het Instituut Psychologie van de Universiteit Leiden. Het onderzoek betreft weliswaar een grote hoeveelheid mensen, maar de groepen waar het hier werkelijk om gaat (de mensen die prostaatkanker hebben gekregen) zijn eigenlijk maar vrij klein. ‘Des te meer mensen, des te betrouwbaarder. Het loont dus om over een aantal jaar nogmaals te kijken of het verband duidelijker zichtbaar wordt.’
Volgens Van Putten wil het feit dat er na een tweede meting een verband gevonden is tussen vitamine E en de kans op prostaatkanker echter nog niet zeggen dat het een het ander veroorzaakt. Opvallend is ook het feit dat er geen significant effect gevonden werd bij mensen die zowel vitamine E als selenium slikken. 

  Eerste meting Tweede meting Totaal
Placebo 416 113 529
Vitamine E 473 147 620
Selenium 432 143 575
Beiden 437 118 555

Het slikken van vitamine E wordt – mits het niet in combinatie geslikt wordt met selenium – dus geassocieerd met een vergrote kans op prostaatkanker bij mannen die ouder zijn dan vijftig jaar. Dat wil niet zeggen dat het slikken van vitamines in het algemeen tot een verhoogde kans op kanker leidt.  

Oudere vrouwen

Het tweede onderzoek, gepubliceerd in Archives of Internal Medicine, betreft ruim 38 duizend oudere vrouwen die zelf aangaven supplementen te slikken. Het lijkt in dit onderzoek niet zozeer te gaan over de relatie tussen supplementen en kanker, er is alleen sprake van een hoger sterfteaantal bij de groep die supplementen slikte. Dat roept meteen een aantal vragen op.  In 1986, toen het onderzoek begon, was de gemiddelde leeftijd van de vrouwen 61 jaar. Het verschil tussen de groepen die wel of geen supplementen slikten, is bovendien maar 1 procent. Wederom vermeldt het krantenartikel niet dat het hier alleen gaat om vrouwen, die ook nog eens op leeftijd zijn. Je kan je ook afvragen hoe betrouwbaar de zelfrapportage van het slikken van supplementen is. Worden de pillen echt wel braaf elke dag geslikt?  

Reactie de Volkskrant  

Ellen de Visser, medisch redacteur van de Volkskrant: “Het klopt dat de onderzochte groep alleen vrouwen betreft, maar de onderzoekers besluiten hun rapport met de suggestie dat de resultaten te generaliseren zijn. De boodschap van mijn  artikel was dat te veel vitamines en mineralen schade kunnen veroorzaken. Zelfs als dat alleen voor oudere vrouwen geldt (wat dus waarschijnlijk niet zo is)  is het nieuwswaardig: de onderzoeksgroep was zeer groot en de vrouwen zijn decennia lang gevolgd. Het gaat dus om een zeer deugdelijke studie, gepubliceerd in een vooraanstaand medisch tijdschrift.”  

Over de kop,  ’Supplementen slikken ongezond’, die meer uitnodigt tot lezen dan het correctere ‘Sommige supplementen kunnen bij oudere mensen misschien leiden tot een iets eerdere dood’, zegt De Visser: “Ten eerste schrijven we de koppen niet zelf, ten tweede zijn we gebonden aan een beperkt aantal woorden voor een dergelijk bericht. Je probeert dan ook zo pakkend mogelijk te schrijven, en dan kan het voorkomen dat een bericht minder genuanceerd is.”  

Twijfel  

Ondanks meerdere onderzoeken bestaan er dus nog volop twijfels over hoeveel we wel of niet aan voedingssupplementen moeten slikken per dag. Sommige voedingssupplementen vergroten wellicht de kans op prostaatkanker, anderen verlagen juist het risico op darmkanker. Volgens een woordvoerster van KWF Kankerbestrijding is het weliswaar zo dat het slikken van een teveel aan voedingssupplementen een averechts effect kan hebben, maar ze benadrukt dat mensen die een normale hoeveelheid vitamines slikken zich geen zorgen hoeven te maken. ‘Je moet wel heel erg veel slikken wil het schadelijk zijn.’  

Ook het Voedingscentrum verzekert ons dat het slikken van voedingssupplementen in principe niet zoveel kwaad kan. Alleen in specifieke gevallen kunnen bepaalde supplementen met hoge doseringen het risico op kanker vergroten. Het voedingscentrum adviseert dan ook alleen supplementen te slikken als je echt een tekort hebt aan een bepaalde stof, en de dagelijks aanbevolen hoeveelheid niet te overschrijden.  

In ieder geval kunnen we ons dus geruststellen met de gedachte dat aan gezond eten met veel groente en fruit zich nog nooit iemand een buil heeft gevallen. Dat het tandglazuur door overmatig fruitgebruik wordt aangetast is dan weer een probleem van een heel andere categorie.  

   

Beveiliger maakt reizigers bang

Friday, November 18th, 2011

door: Sophia Heemskerk en Ronald Huissen

Dat sommige mensen reizen met het openbaar vervoer ‘s avonds vaak minder prettig vinden dan overdag, is een gegeven. Maar als we het artikel Reizigers bang in het donker uit De Telegraaf van 12 oktober moeten geloven, is het gevoel van onveiligheid voor maar liefst één op de drie reizigers in de Randstad reden om het openbaar vervoer te mijden.  Bron: een onderzoek in opdracht van beveiligingsbedrijf Securitas. Is één op de drie reizigers niet erg veel? Speurend naar de herkomst van dit bericht ontdekte Nieuwscheckers dat niet alleen dit gegeven twijfelachtig was.

Het heeft Nieuwscheckers nogal wat moeite gekost om überhaupt gegevens omtrent het onderzoek te verkrijgen. Na contact opgenomen te hebben met Marcel Reith, Product Manager Public Transport bij Securitas, en met onderzoeksbureau Multiscope komen we niet veel verder wat het onderzoeksrapport betreft. Reith, die in De Telegraaf zegt “geschrokken” te zijn van de uitkomsten, vertelt Nieuwscheckers niet meer dan een powerpointpresentatie over de onderzoeksresultaten in zijn bezit te hebben. Vervolgens zegt Multiscope geen gegevens van haar klanten vrij te geven en raadt aan bij de opdrachtgever te rade te gaan. Dit blijkt niet Securitas te zijn, maar PR-bureau LVB Networks, bekend van een factcheck van onze collega’s uit Tilburg.

Gevraagd naar het onderzoeksrapport, laat een medewerker van LVB Networks weten hier achteraan te gaan en ons het een en ander aan informatie te mailen. Hierop krijgen we enkele screenshots uit de powerpointpresentatie die Reith van Securitas ons eerder toestuurde, niet geheel toevallig enkel onderzoeksresultaten die direct terug te vinden zijn in het persbericht dat Securitas publiceerde. Gevraagd om meer informatie of een compleet onderzoeksrapport, meldt LVB Networks dat “de details rondom het onderzoek niet worden vrijgegeven”. Nieuwscheckers zal dus wat de onderzoeksresultaten betreft met de Powerpointpresentatie genoegen moeten nemen.

Bang in de Randstad
Multiscope voerde het onderzoek voor Securitas uit in mei 2011. Het veldwerk vond plaats van 6 tot en met 9 mei en in totaal deden van het 951 mensen tellende panel 511 geschikte mensen mee aan de online enquête. Dat klinkt vertrouwenwekkend, maar de belangrijkste bewering in het persbericht van Securitas, zo blijkt uit de Powerpoint met onderzoeksresultaten, berust op een sterk staaltje goochelen met resultaatcijfers. Meldt zowel het persbericht als De Telegraaf dat één op de drie reizigers in de Randstad het OV mijdt, in de Powerpoint staat dat de volgende vraag aan de leden van het panel is gesteld: Zijn er steden of regio’s in Nederland zijn waar u (liever) niet met het openbaar vervoer reist omdat u zich daar niet veilig voelt?

Inderdaad beantwoordt 32 procent van de geënquêteerden deze vraag met ‘ja’ . Maar of degenen die met ‘ja’ antwoordden uit de Randstad komen of niet, of ze er überhaupt wel eens komen en of ze er helemaal niet reizen of ‘liever niet reizen’ uit angst, blijft daarmee onbeantwoord. De stelling dat één op de drie reizigers in de Randstad het OV mijdt, geeft dus een vertekend beeld van de onderzoeksresultaten.

Evenmin wordt duidelijk of dit om reizen in het donker gaat of om reizen in het algemeen. Er staat niet expliciet vermeld dat de vraag betrekking heeft op reizen in het donker. De bewering in het Telegraafbericht dat één op de drie reizigers perrons en stations in het donker vermijdt, is dan ook onjuist. Hiervan is geen sprake in zowel het persbericht van Securitas als in de Powerpointpresentatie. Het blijft daarom maar de vraag of reizigers zich door meer verlichting op stations, zoals Marcel Reith van Securitas in het Telegraafartikel voorstelt,  veiliger zullen voelen.

Van 1 op de 3 naar 3 procent
Overigens blijkt uit de Powerpointpresentatie dat de geënquêteerden ook een aantal vragen over hun veiligheidsgevoel is gesteld die niet in het persbericht zijn verwerkt. Uit die vragen bleek dat slechts 3 procent van de ondervraagden zich onveilig voelt in het OV. Dit klinkt opmerkelijk naast de eerdere bewering over één op de drie reizigers die het OV in de Randstad mijdt, maar sluit juist wel aan bij de informatie die NS-woordvoerder Nienke Kooistra ons desgevraagd geeft over het  veiligheidsgevoel van reizigers: “Elk kwartaal voeren we een enquête uit onder onze reizigers, die onder meer over de sociale veiligheid gaat. De laatste resultaten daarvan wezen uit dat 80 procent van onze klanten de veiligheid op stations en in de trein met een rapportcijfer van 7 of hoger waardeert. Daarin is de afgelopen jaren een geleidelijke stijging waar te nemen.”

Ook Chris Vonk van reizigersorganisatie Rover, die zich in het Telegraafartikel al sceptisch toonde, geeft in een reactie aan dat de veiligheidsmaatregelen in het OV de laatste jaren alleen maar zijn toegenomen: “Er is meer cameratoezicht gekomen op stations, de metropoortjes zijn dichtgegaan voor niet-reizigers en er worden meer conducteurs en veiligheidsteams ingezet.”

Telegraaf-journalist Gijsbert Termaat, die het bericht schreef over reizigers die bang zijn in het donker, zei niet in het bezit te zijn van het onderzoeksrapport, noch van de powerpointpresentatie die Nieuwscheckers bestudeerde. Hij baseerde zich op het persbericht van Securitas. Toen Nieuwscheckers hem later vroeg om commentaar op de vertekende cijfers, heeft Termaat niet meer gereageerd.

Vragen die bij gebrek aan transparantie over het onderzoek overblijven, zijn: waar komen die bange reizigers in de Randstad nu eigenlijk vandaan, en belangrijker: welke vragen zijn nog meer gesteld in het onderzoek maar niet verwerkt in het persbericht? Hoe dan ook is dit een mooi voorbeeld van hoe tijdens het traject van onderzoek naar persbericht de feiten op een zijspoor kunnen belanden.

Wij van Dyson adviseren Dyson

Monday, December 20th, 2010

Door: Judith Houtman

Als je van een wc komt in een restaurant, café of benzinepomp en er zijn geen papieren doekjes beschikbaar om je handen mee te drogen, kun je deze net zo goed niet wassen. Althans, volgens een bericht dat verscheen op de website van Quest.

Het artikel is gebaseerd op een persbericht van de Universiteit van Bradford. Onderzoekers van deze Britse universiteit onderzochten in opdracht van Dyson hoe de manier van handen drogen de overdracht van bacteriën beïnvloedt. Dyson is een bedrijf dat onder meer handdrogers op de markt brengt. De wetenschappers publiceerden hun resultaten in het oktobernummer van het Journal of Applied Microbiology.

“Voor goede handhygiëne is het grondig drogen van de handen essentieel. Alleen wassen is niet genoeg. De meest hygiënische manier hiervoor is of met papieren handdoekjes, of met een handdroger waarbij de handen niet tegen elkaar gewreven hoeven te worden” beschrijft wetenschapper Anna Snelling haar resultaten.

Vergelijken
De onderzoekers deden twee verschillende experimenten. Bij beide werd de proefpersonen gevraagd rauw vlees te kneden en vervolgens de handen en vingers tegen contactplaten te drukken. Deze contactplaten zijn voedingsbodems voor bacteriën, die na aanraking in een stoof gezet werden. Deze stoof heeft een temperatuur van 37 C, de ideale groeitemperatuur voor de meeste bacteriën. Op deze voedingsbodems groeien de bacteriën uit tot kolonies, waardoor ze telbaar worden.

Bij het eerste experiment mochten de proefpersonen hun handen wassen met warm water en zeep. De handen werden gedroogd onder handdrogers, zonder dat de handen over elkaar gewreven werden. In het tweede experiment werd alleen met warm water gewassen, en mochten ze wel hun handen over elkaar wrijven onder de handdrogers.
Na het drogen werd opnieuw een contactplaat aangeraakt. Het effect van het wassen en drogen van de handen werd beoordeeld door het vergelijken van het aantal bacteriën op de eerste en tweede contactplaat. Niet wrijven onder de handdroger vermindert het aantal bacteriën op de handen. De Airblade van Dyson leverde het beste resultaat.

Apart tellen
“Door in je handen te wrijven komen er bacteriën naar de oppervlakte die zich in de poriën hadden verstopt. En dan loop je met viezere handen de wc uit dan toen je binnenkwam” is te lezen in het artikel van Quest. Maar zo eenvoudig is het niet, volgens Gosse Schraa, hoogleraar microbiologie aan Wageningen Universiteit. “Naast schadelijke bacteriën bestaan er ook zogenoemde commensale bacteriën. Deze micro-organismen zijn lichaamseigen, ze horen op onze huid en zitten vooral in de poriën. Zij vormen een natuurlijke barrière, bescherming tegen schadelijke bacteriën.”

Snelling laat per mail weten “We hebben geen onderscheid gemaakt tussen de bacteriën. De gevaarlijke en de lichaamseigen bacteriën behoren vaak tot een zelfde soort, het is daarom niet mogelijk om die twee apart te tellen.” De bacteriën in de poriën maken de handen dus niet per se viezer, het is juist als bescherming bedoeld.

37 graden
En waarom zouden de onderzoekers warm water hebben gekozen voor het wassen van de handen? Kranen in openbare toiletten laten de bezoekers geen keus, als de kraantjes überhaupt werken, stroomt er steevast ijskoud water uit. “Commensale bacteriën kunnen inderdaad uit de poriën van de handen komen tijdens het wassen, vooral warm water opent de poriën”, zegt Schraa. “Maar schadelijke bacteriën hebben over het algemeen geen kans. Zelfs wanneer de poriën openen blijven de lichaamseigen bacteriën bescherming bieden.” De poriën zou je kunnen zien als de ingangen van de huid naar het lichaam, en de commensale bacteriën als poortwachters. “Alleen wanneer je een wondje op je handen hebt krijgen de schadelijke bacteriën een kans, dan kunnen zij een infectie veroorzaken.” Oftewel, wanneer er een bres in de kasteelmuur is geslagen kunnen de poortwachters niet langer alle ingangen beschermen.

Snelling kan niet ontkennen dat er meer lichaamseigen bacteriën vrijkomen wanneer er gewassen wordt met warm water. “Poriën openen inderdaad bij water rond de 37 graden, maar dat is wel de temperatuur die in het Europese standaard protocol voor handwassen staat. Dit protocol hebben we als standaard gebruikt voor alle experimenten.”

Motieven
Interessant is dat de voorlichters van Bradford University in hun persbericht secuur hebben vermeden te vermelden wie de opdrachtgever is. Het onderzoek is betaald door Dyson, producent van verschillende elektrische huishoudelijke apparaten. De nieuwste versie van hun handdrogers, de Airblade, is één van de geteste drogers, een model waarbij sterke luchtstromen het water van de handen ‘afsnijden’. Inderdaad, dit is de droger waarbij de handen niet tegen elkaar gewreven hoeven te worden. De droger die als één van de beste methoden uit het onderzoek kwam.

In het persbericht staat ook dat papieren handdoekjes en de Airblade tot de meest hygiënische manieren gerekend worden. Dit wekt de indruk dat deze twee manieren vergelijkbaar zijn. De resultaten in het wetenschappelijk artikel laten echter zien dat er veel minder bacteriën overgedragen worden op contactplaten na het gebruik van papier dan na gebruik van de Airblade.

“In meerdere berichten heb ik gelezen dat verslaggevers dit verkeerd begrepen hebben. De papieren handdoekjes zijn gebruikt als gouden standaard. Dit is dus de meest ideale manier, en de vermindering in bacteriën bij gebruik van de Airblade was bijna net zo groot als bij papieren handdoekjes” schrijft Snelling.

Overhaaste conclusie
Papieren handdoekjes zijn dus inderdaad het beste, zoals Quest al schreef. Maar het is nog altijd beter om wel je handen te wassen en een handdroger te gebruiken dan helemaal je handen niet te wassen. En niet alle bacteriën zijn dus gevaarlijk. Natalia Zhuravska, webredacteur van Quest, verontschuldigt zich voor de overhaaste conclusie maar beter niet je handen te wassen wanneer je ze niet kunt drogen. “We proberen de artikelen op de website zo goed te maken als in het tijdschrift. Maar soms komen we tijd tekort om alles tot op de bodem uit te zoeken.”

Mannen onterecht in een slecht daglicht

Thursday, December 2nd, 2010

Door: Marjolein van Olderen

Mannen gaan vijf keer vaker vreemd als ze financieel afhankelijk zijn van hun vrouwelijke partner dan wanneer ze dit niet zijn. Een kort bericht met die strekking was te lezen in NRC Next van 27 september. De krant had het nieuws overgenomen van The New York Times. Het artikel is gebaseerd op het onderzoek “The Effect of Relative Income Disparity on Infidelity for Men and Women” uitgevoerd door de Amerikaanse onderzoekster Christin Munsch.

Maar klopt het? Gaan mannen echt wel vijf keer vaker vreemd wanneer ze financieel afhankelijk zijn van hun vrouw? ‘Onzin’, vindt Cas Wouters, socioloog en schrijver van het boek “Seks en de seksen. “Om mee te beginnen vind ik het al schandalig om zo’n bericht als feit met een universele waarde in de krant te zetten.” Volgens Wouters zijn er in Europa hele andere verschillen tussen de seksen dan in Amerika. Hierdoor mag je niet zeggen dat overal ter wereld geldt dat mannen die afhankelijk zijn van hun vrouw vaker vreemdgaan. “Het is niet te vergelijken”, aldus de onderzoeker.

Opgeklopt
Of het onderzoek wel geloofwaardig is voor de Amerikaanse bevolking, betwijfelt Wouters: “Het klinkt mij in de oren als een opgeklopt verhaal, echt Amerikaanse toestanden.” Het is volgens hem maar de vraag in hoeverre de antwoorden door de proefpersonen naar waarheid zijn gegeven. De persoon in kwestie kan bijvoorbeeld opscheppen in zijn antwoord of zich juist schamen over het vreemdgaan en daarom liegen. Ook kun je nooit met duidelijkheid zeggen hoe een proefpersoon de vraag opvat. “Je weet nooit wat je meet,” zegt Wouters.

Wouters vindt dit een typisch voorbeeld van een onderzoek dat gepubliceerd is in de krant om te scoren bij het grote publiek. “Het is echt bedacht door mensen die gericht zijn op effecten die ze op korte termijn kunnen halen. Ik vertrouw het voor geen meter.” Ook Bram Buunk, hoogleraar bij de Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen op de Rijksuniversiteit Groningen, vindt de odd ratios in het wetenschappelijke artikel wat misleidend. “Ze geven overschatting van effecten.” Hij kan nergens duidelijk uit het artikel opmaken waar staat dat mannen vijf keer vaker vreemdgaan.

Onderzoekster Munsch laat per mail weten dat het altijd een zorg is of ondervraagden wel de waarheid vertellen. Ze denkt wel dat mensen zich juist eerder zullen schamen wanneer ze vreemdgaan, dan dat ze hierover zullen opscheppen. “Ik krijg wel significante resultaten. Dat betekent dat dit een betrouwbare bevestiging is van mijn theorie.” Ze is het ermee eens dat in de berichtgeving ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat haar resultaten ook gelden voor andere culturen: “Ik heb alleen Amerikanen ondervraagd. Ik denk dat de resultaten sterker zijn in een cultuur waarin veel waarde wordt gehecht aan ‘mannelijkheid’ dan in een cultuur waarin dat minder het geval is.”

ANP’tje
Maar waarom plaats een krant nu een nieuwsbericht dat niet blijkt te kloppen? Een redacteur van NRC Next geeft aan dat de krant probeert berichten zoveel mogelijk te checken voordat ze worden gepubliceerd. Helaas schiet het er door tijdgebrek wel eens bij in om berichten afkomstig van persbureau ANP te checken: “We gebruiken het ANP liever niet als disclaimer, maar bij zo’n klein bericht gaan we er wel een beetje van uit dat het klopt. Anders kun je nooit meer een ANP’tje gebruiken.”

Al met al lijkt het erop dat de Nederlandse vrouw ‘s ochtends met een gerust hart de deur achter zich kan dichttrekken, een lange werkdag tegemoet, zonder zich al te veel zorgen te maken over het wel en wee van haar minder verdienende partner.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes