Posts Tagged ‘cijfers in het nieuws’

Nederlanders zitten nog steeds veel voor de buis

Tuesday, September 29th, 2015

Door: Freek van Vliet en Marjon de Zeeuw

Nederlanders kijken minder ‘gewoon’ televisie, kopten verschillende media begin september. Een opmerkelijk bericht, vergeleken met eerdere nieuwsberichten over ons kijkgedrag. “Nederlander keek nog nooit zoveel televisie”, schreef de NOS over 2014, toen we bijna 3,5 uur per dag voor de buis zaten. Misschien nog opmerkelijker: het nieuwsbericht over de daling is gebaseerd op een onderzoeksrapport van 3000 euro dat nooit is ingezien door journalisten. Hoe zit dit? Kijken we een half jaar later echt opeens zoveel minder televisie?

De recente nieuwsberichten komen alle van een ANP-bericht. Dat is gebaseerd op een onderzoek van Telecompaper, een onafhankelijk onderzoeksbureau dat sinds 2014 twee keer per jaar een rapport uitbrengt over kijkgedrag. Op basis van hun rapport Video behaviour of Dutch consumers concludeerden onderzoekers Rianne Bosman en Sanne de Bruyckere dat Nederlanders relatief minder ‘lineair’ televisie zijn gaan kijken: gemiddeld nog zo’n twee uur per dag.

“Lineair televisie kijken”, legt De Bruyckere uit, “is een programma bekijken op het moment dat het wordt uitgezonden.” Dit traditionele kijken zou onder grote druk staan door vele andere mogelijkheden waarmee mensen programma’s kunnen zien, zoals Netflix en Uitzending Gemist.

Andere cijfers: Stichting Kijkonderzoek
Dat we in 2014 juist meer televisie keken dan ooit, komt voort uit gegevens van Stichting Kijkonderzoek (SKO). Deze stichting meet net als Telecompaper hoeveel uur mensen tv kijken, maar komt op heel andere getallen uit. Voor het tweede kwartaal van 2015 meldt SKO dat we gemiddeld 168 minuten per dag lineair tv keken, tegenover 120 minuten bij Telecompaper. Een enorm verschil.

De ongelijke resultaten zijn te verklaren door de uiteenlopende onderzoeksmethodes. Waar Telecompaper online enquêtes houdt om mensen te bevragen over hun kijkgedrag, baseert SKO haar gegevens op een ‘kijkmeter’ die is aangesloten bij een panel.

Onderzoeksmethodes
“SKO heeft die kastjes maar bij 1.200 huishoudens staan,” zegt De Bruyckere van Telecompaper. “Dat is niet heel erg veel. Wij ondervragen wat meer mensen: zo’n 6.600.” Toch wil ze niet stellen dat het onderzoek van Telecompaper betrouwbaarder is dan dat van SKO. “Het is gewoon anders. We meten op een andere manier.”

SKO-directeur Bas de Vos stelt echter dat je voor kijkonderzoek in de basis beter kunt registreren wat mensen doen, dan het alleen te vragen. “Ons kijkonderzoek registreert het kijkgedrag in een panel van 2.700 mensen. De kijkmeter meet 365 dagen per jaar, per seconde wat mensen kijken.” De Vos twijfelt verder aan de representativiteit van de steekproef van Telecompaper: “Een online enquête kan een bias hebben naar mensen die meer online zijn. Daarnaast ondervraag je niet dat stuk in de bevolking dat geen of weinig internet gebruikt”, aldus De Vos.

Willem Mekking, kijkcijferexpert bij de Nederlandse Publieke Omroep, verklaart het lagere aantal minuten lineaire tv bij Telecompaper doordat de deelnemers aan de enquête de neiging hebben hun hoeveelheid kijkgedrag te onderschatten. “Ze vergeten bijvoorbeeld dat ze soms overdag ook wel eens kijken, omdat ze bij de activiteit ‘televisie kijken’ veelal aan ’s avonds kijken denken. Daarnaast is het voor veel mensen ook sociaal wenselijk om te rapporteren dat ze weinig televisie kijken; heel veel televisie kijken wordt toch nog door veel mensen als iets negatiefs gezien.”

Seizoensverschillen
Telecompaper baseert de conclusie op een vergelijking van het vierde kwartaal van 2014 en het tweede kwartaal van 2015. Deze vergelijking is niet ideaal. In oktober, november en december zijn er veel nieuwe programma’s te zien; tegenover dat tv-hoogseizoen staat hier de periode van april tot en met juni, waarin er meer herhalingen op de buis zijn.

Mekking wijst op het gevaar van het vergelijken van deze verschillende seizoenen: “In de winter wordt doorgaans fors meer televisie gekeken dan in het voorjaar. Je kunt dus niet uitsluiten dat de gerapporteerde verschillen voor een aanzienlijk deel zijn terug te voeren op seizoensverschillen.” Zoals blijkt uit de kijkcijfers van SKO, vindt deze daling  tussen de verschillende kwartalen elk jaar plaats. “Om uitspraken te doen over kijktijd vind ik het verstandig om dat in principe te doen over perioden van hele jaren”, aldus Mekking.

De Bruyckere van Telecompaper beaamt dat het seizoen invloed kan hebben op de kijktijd. “Als er een wat sterkere programmering is in de winter, kijken mensen wat meer tv op de bank,” zegt ze. “We corrigeren daar niet voor in onze resultaten. Maar we maken er wel aantekeningen bij. Tegen de lezer zeggen we: het kan ook liggen aan de sterke of minder sterke programmering.”

Niet alleen seizoensverschillen verklaren de verschuiving in kijkgedrag, ook de uitzending van grote sportevenementen speelt een rol. Deze waren in 2014 medeverantwoordelijk voor de hoogst gemeten kijktijd ooit. De Vos: “In totaal is de kijktijd in het tweede kwartaal van 2015 wat gedaald ten opzichte van vorig jaar, maar dat is voor het grootste deel te verklaren uit het ontbreken van de Olympische Spelen en het WK Voetbal dit jaar.”

Relatieve percentages
Dus: kijken Nederlanders nu meer of minder lineair televisie? Telecompaper benadrukt dat de conclusie van het onderzoek doelt op het relatieve percentage: het aandeel van lineair kijken in de totale kijktijd neemt af, van 47 naar 39 procent. In absolute zin verandert er niet zoveel. “Het is niet zozeer dat mensen in minuten minder lineair tv kijken,” legt De Bruyckere uit. “Het is vooral dat mensen op al die andere manieren ‘extra’ kijken.”

Deze nuance ontbreekt in de kop van het ANP: “Nederlanders kijken minder ‘gewoon’ televisie”. Verderop in het artikel schrijft het persbureau wél dat het hier gaat om relatieve cijfers, maar deze nuancering wordt door NU.nl, Het Parool en Spitsnieuws volledig weggelaten.

Rapport van 3000 euro
De auteur van het ANP-artikel, Jorian van der Most, heeft geen rekening gehouden met de kanttekeningen of de SKO-gegevens. Het nieuwsbericht is slechts gebaseerd op het onderzoek van Telecompaper. Of beter gezegd: het persbericht van Telecompaper. “Het totale rapport is niet ingezien”, aldus Marijn Wellink, chef van de economie-redactie van het ANP.

“Journalisten zien onze onderzoeken eigenlijk nooit in,” geeft De Bruyckere toe. “Ze bellen nog wel eens om wat extra informatie, maar in principe baseren ze zich op het persbericht dat wij sturen.” Het rapport met de complete resultaten kost 3000 euro. Nieuwscheckers mocht het rapport ook niet lezen zonder de gewenste betaling.

Conclusie
Dat het aandeel lineair televisie kijken in de totale kijktijd is gezakt, is op basis van de vergelijking uit het rapport  – nou ja, het persbericht – van Telecompaper waar. Maar dit wordt wel heel gretig opgepikt in het nieuws, zonder nuancering en vergelijking met ander onderzoek. Voorlopig wordt er nog veel ‘gewoon’ televisie gekeken in de Nederlandse huishoudens, zeker als Nederland zich tóch nog kwalificeert voor het aankomend EK.

Foto © C.P.Storm Flickr.com

Tendentieuze berichtgeving over cijfers geweld tegen politie

Friday, November 16th, 2012

Door: Avinash Bhikhie en Joyce Plakké

‘Geweld tegen politie toegenomen’ viel er begin oktober te lezen op NU.nl, vk.nl en andere nieuwssites. De informatie komt uit een persbericht van de website www.geweldtegenpolitie.nl (GTP). Deze maakte een analyse op basis van officiële politieberichten van het tweede en het derde kwartaal van dit jaar. GTP concludeerde daaruit dat het geweld tegen politieagenten met 171 incidenten was toegenomen. Maar er kunnen vraagtekens gezet worden bij de representativiteit van deze cijfers. Ze zijn namelijk gebaseerd op slechts zes maanden en bovendien niet compleet.

De cijfers van geweldtegenpolitie.nl zijn gebaseerd op politiepersberichten over meldingen. In een Utrechts rapport over Geweld tegen gezagsdragers (2009) staat dat geweldsdelicten pas als zodanig gekwalificeerd kunnen worden als een onafhankelijke rechter zich daarover heeft uitgesproken. Hier is bij politieberichten geen sprake van. “De wijze waarop geweldtegenpolitie.nl gegevens verzamelt, is per definitie niet representatief,” zegt ook Jaap Timmer, universitair hoofddocent Politie- en Veiligheidsstudies aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Voor correcte informatie moet je naar de oorspronkelijke bron. Deze gegevens hebben zo geen wetenschappelijke waarde.” Timmer kan nog niet zeggen of geweld tegen de politie toe- of afneemt: “Dit wordt nog maar kort als zodanig geregistreerd. Er kunnen daarom op dit moment nog geen definitieve kwantificerende uitspraken worden gedaan.”

Incompleet
Bovendien wordt geweld tegen politie volgens de woordvoerster van politiekorps Kennemerland niet altijd gemeld: “Soms is er ook sprake van geweld in privacy-gevoelige situaties. Dit melden wij over het algemeen niet.” De cijfers uit het persbericht van GTP zijn dus niet compleet. Als het gaat om geweld tegen politie in uniform op straat, wordt dit overigens wel gemeld. “Ook is er in het persbericht sprake van een vergelijking van een paar maanden. Meestal vergelijk je een periode met dezelfde periode vorig jaar, maar dit bericht doet dat niet.” De cijfers van geweldtegenpolitie.nl zijn daarom geen goede afspiegeling van de situatie. “Ze geven een minimum weer,” aldus de woordvoerster. Volgens haar is er in regio Kennemerland zelfs sprake van een daling van het aantal gevallen.

Reactie persbureaus
Persbureau Novum maakte op basis van het persbericht van GTP een nieuwsbericht, dat werd opgepikt door nieuwswebsite NU.nl. Novum claimt het persbericht gecontroleerd te hebben: “Als het bericht klopt, publiceren wij het en anders niet”, vertelt Novum ons. “Bovendien maken wij de berichtgeving zo transparant mogelijk, door er duidelijk bij te vermelden dat geweldtegenpolitie.nl een particulier initiatief is.” Voor Novum was het geen probleem dat er slechts twee kwartalen met elkaar vergeleken werden: “Totaal niet. Ook het CBS brengt wel eens een bericht naar buiten gebaseerd op opeenvolgende kwartalen.”

Het ANP signaleerde het bericht ook, al was dat via de NOS. Het persbureau heeft het bericht opgenomen in de ANP MediaWatch: een dienst die mediaberichten weergeeft die het ANP niet zelf heeft gebracht. Een aantal krantensites, waaronder De Telegraaf en de Volkskrant, hebben deze MediaWatch overgenomen. De inhoud van het persbericht en de versie die daarvan op de website van de NOS stond, heeft het ANP niet gecontroleerd. “Inhoudelijk checken wij dit niet. Wij schrijven de verantwoordelijkheid in het bericht zelf toe aan het medium dat het nieuws in eerste instantie brengt. Vervolgens maken andere media de keuze om de MediaWatch wel of niet mee te nemen in hun berichtgeving”, aldus het ANP. Als het ANP het bericht meeneemt in zijn eigen reguliere persdienst, dus onder de eigen naam, controleert het de informatie wel.

Reactie geweldtegenpolitie.nl
Roland Wichser, oprichter van geweldtegenpolitie.nl, heeft de geweldsdelicten geïnventariseerd op basis van officiële politiepersberichten. Hij haalt de cijfers van de officiële politiewebsite en ordent ze vervolgens op zijn eigen site, zo vertelt hij ons. Opvallend is dat GTP in het persbericht waarschuwt dat de politieregio’s een eigen beleid hanteren bij het openbaar maken van geweld tegen eigen personeel. Zo brengt de ene regio meer politieberichten naar buiten dan de andere. Volgens de site “ontstaat [hierdoor] een vertekend beeld van landelijk geweld tegen agenten.” De politie Amsterdam-Amstelland brengt bijvoorbeeld weinig berichten naar buiten over geweld dat plaatsvindt in deze regio.

Wanneer we de NOS met dit gegeven confronteren, zegt Ilan van der Sluis, researcher politie en justitie bij de NOS, hierover: ‘”Uiteindelijk kan het belang om de cijfers te brengen groter zijn dan de drang naar volledigheid. Uiteraard zullen wij in onze berichtgeving ook melding maken van de manco’s, zodat het publiek weet dat wat wij melden niet absoluut is.” Volgens hem geven de cijfers van GTP context en was dit een reden om het bericht mee te nemen: “In tegenstelling tot de officiële politiecijfers geven de cijfers van geweldtegenpolitie.nl een inkleuring naar categorie en gebeurtenis. Zo wordt het duidelijker om wat voor geweld het gaat.”

Conclusie
De cijfers over geweld tegen politie zijn voorlopig (want gebaseerd op meldingen in plaats van gerechtelijke uitspraken) en niet representatief (want afkomstig uit onvolledige politiepersberichten). Bovendien beslaan ze slechts twee opeenvolgende kwartalen: te weinig om een trend te onderscheiden van een toevallige fluctuatie. Een telefoontje naar de politie of een expert was voldoende geweest om deze cijfers te duiden. Volgens de opsteller van het persbericht waar het mee begon, Roland Wichser, is dit de verantwoording van de media zelf: “Er zijn helaas altijd media die niet alles naar buiten brengen. Veel journalisten nemen echter wel de moeite om contact op te nemen met GTP voordat ze overgaan tot berichtgeving. De media die niet de volledige feiten brengen, doen zichzelf en de lezer helaas tekort.”

Gevaar van ‘sexy barvrouw’ komt niet voor in onderzoek

Thursday, October 18th, 2012

door: Emma O’Hare en Ellemijn Willemse

‘Sexy barvrouw lokt geweld uit’, kopt AD.nl op 10 september 2012: hoe meer seksuele lading er in een kroeg of club hangt, des te groter de kans op agressie onder de bezoekers. Vooral flirterige barvrouwen zouden geweld oproepen. Aldus ‘een onderzoek waarover De Telegraaf schrijft’. Het Algemeen Dagblad heeft het nieuws overgenomen van De Telegraaf. De onderzoekers zagen echter slechts één sexy serveerster. En die lokte geen geweld uit.

Het onderzoek waar De Telegraaf over schrijft, is het 96 pagina’s tellende rapport (pdf) Ingenomen en uitgehaald. Alcohol en geweld in Amsterdamse uitgaansettings. Ilse de Groot en Marco van der Land van de Vrije Universiteit deden dit onderzoek in samenwerking met de gemeente Amsterdam en politie Amsterdam-Amstelland. Het rapport is op 19 september gepresenteerd in een besloten expertmeeting in het Amsterdamse stadhuis, zonder dat de VU of de gemeente de resultaten samenvatten in een persbericht. Bij de aankondiging van de meeting ging het mis: De Telegraaf vernam volgens onderzoeker Van der Land dat Felix Rottenberg zou optreden als voorzitter, voor een vergoeding van ongeveer 2500 euro. De Telegraaf heeft het rapport vervolgens opgevraagd en er een nieuwsbericht over geschreven (‘Agressief door sexy barvrouw’). Dit heeft AD.nl overgenomen.

Boven het bericht vermeldt AD.nl het ANP als bron. Hoewel uit navraag bij het ANP blijkt dat het persbureau nooit over het onderzoek geschreven heeft, houdt een medewerker van AD.nl tegenover Nieuwscheckers vol dat dit wel de bron was. Duidelijk is in elk geval dat de AD-redactie het rapport zelf niet heeft ingezien.

Geen sexy barvrouw

De term ‘sexy barvrouw’ komt in het rapport niet voor, maar de kop komt niet helemaal uit de lucht vallen. Seksueel gedrag wordt in het hoofdstuk over eerdere, vooral buitenlandse studies genoemd als een van de acht mogelijke risicofactoren die door Graham en Homel in 2008 werden onderscheiden in een vergelijkbaar onderzoek: ‘In gelegenheden waar veel seksuele spanning heerst, bestaat een grotere kans op geweld en agressie. Barpersoneel kan hieraan bijdragen doordat schaars geklede meisjes drankjes verkopen.’ Het gaat dus helemaal niet om een conclusie uit het VU-onderzoek. Sterker nog: het is een deel van de theorie die gebruikt wordt voor het onderzoek dat pas veel later in het rapport gepresenteerd wordt.

Club Hot Fuss is de enige van de twaalf onderzochte clubs waar een sexy personeelslid wordt waargenomen: “Een sexy uitziend meisje verkoopt shotjes op de dansvloer waarbij zij vooral de jongens succesvol overhaalt om drank bij haar te kopen.” (p. 41)  Deze observatie wordt echter niet in verband gebracht met gewelddadig gedrag.

De Telegraaf (in de printeditie) en AD noemen ook ’kleine, jonge en vijandige portiers’ als veroorzakers van gewelddadig gedrag. Ook dit is onjuist: net als de schaars geklede barmeisjes worden zij wel genoemd in het literatuuroverzicht (p.21), maar in het Amsterdamse veldonderzoek bleken ze geen rol te spelen (p.74).

Drank, drukte, drang en dolheid

Wat concluderen de VU-onderzoekers dan wel? Het personeel van een uitgaansgelegenheid speelt een belangrijke rol in de hoeveelheid alcohol die wordt genuttigd. In veel van de bestudeerde clubs wordt gratis drank uitgedeeld, wordt er gestunt met drankprijzen en schenkt het personeel door aan duidelijk beschonken bezoekers. In sommige clubs zien we het barpersoneel het ‘goede’ voorbeeld geven door zelf alcoholhoudende dranken te drinken. Seksueel getint gedrag speelt een rol bij agressie in clubs, maar over sexy barpersoneel worden geen specifieke uitspraken gedaan.

Er spelen volgens Van der Land veel factoren mee in het ontstaan van geweld. Seksueel getint gedrag is daarbij niet de voornaamste. Het gaat bovendien altijd om een combinatie van factoren, alcohol speelt daarbij steevast een prominente rol. Veel drank in combinatie met drukte, drang en dolheid worden in de conclusie genoemd als de vier factoren die van invloed zijn op uitgaansgeweld. Bars en clubs waar het comfortgehalte laag is met luide muziek, weinig zitgelegenheid en waar een drukke, losbandige sfeer heerst, geven aanleiding tot agressie.

120 incidenten per dag

De auteur van het Telegraaf-bericht, Tjerk de Vries, schreef twee dagen later in de krant opnieuw over het rapport, samen met Nienke Oort: ’Avondje stappen risicovolle zaak’ (voor een deel overgenomen door AT5). Zoals de titel al doet vermoeden is dit artikel anders van inhoud. Niet alleen wordt de naam van het rapport dit keer wel genoemd, ook wordt de context van het onderzoek uitgebreid beschreven. De conclusie dat sexy barvrouwen voor agressief gedrag zorgen komt in dit bericht niet voor. Indrukwekkende cijfers wel.

Per dag zouden in Amsterdam 120 incidenten plaatsvinden met dronkaards en 25 geweldsslachtoffers vallen. Deze cijfers staan niet zo in het rapport, maar zijn door de Telegraaf-journalisten berekend op basis van het wel vermelde totaal: 243.578 incidenten in vijf en een half jaar. Dat sinds 2006 het aantal geweldsincidenten op uitgaanspleinen verdubbeld is, zoals De Telegraaf claimt, staat echter niet in het rapport. In tegendeel: op pagina 29 en 37 staat daar expliciet dat het aantal geweldsincidenten gelijk is gebleven. Woordvoerder Marjolein Koek van politie Amsterdam-Amstelland bevestigt dat dit de juiste cijfers zijn. Na verschillende pogingen een reactie van De Telegraaf te krijgen, is het enige wat Nienke Oort erover kwijt wil tegenover Nieuwscheckers: ‘Dat gegeven komt uit een ander rapport van de politie en die cijfers zijn geen nieuws. Dat is al lang bekend dat de geweldsincidenten zijn verdubbeld. Google maar.’

Conclusie

De artikelen van AD.nl en De Telegraaf over Amsterdams uitgaansgeweld bevatten onjuistheden. Het VU-onderzoek concludeert niet dat sexy barvrouwen in Amsterdamse kroegen en clubs geweld uitlokken. In het rapport wordt wel gesproken over seksueel getint gedrag als één van de vele factoren die aanleiding kunnen geven tot agressie. Alcohol speelt de grootste rol. Twee dagen na het artikel over de sexy barvrouw revancheert De Telegraaf zich door krasse cijfers die in het rapport verscholen zijn tot koop te promoveren: 120 incidenten met dronkaards en 25 gevallen van mishandeling per dag.  Dat het aantal incidenten op uitgaanspleinen sinds 2006 is verdubbeld, wordt echter door de VU-onderzoekers en politie tegengesproken. De comments staan open voor degene die ze van een bron voorziet.

Cijfers over bezoekersaantallen zijn te vaak ongecheckte schattingen

Friday, October 5th, 2012

Door Joachim Springer & Joost van Zoest

Het aantal bezoekers bepaalt het succes van een evenement, zo lijkt de gemiddelde journalist te denken. In Het Parool: Record voor grachtenfestival: 53.000 bezoekers, op NU.nl: Festival Incubate trekt twee keer zoveel bezoekers, en in Trouw: 24 Uur Cultuur trekt bijna 15.000 bezoekers naar Rotterdam. Maar de cijfers zijn lang niet altijd betrouwbaar. In veel gevallen wordt het bezoekersaantal bepaald door een grove schatting die de kranten klakkeloos overnemen. Zo kan een organisatie ongestraft naar boven afronden: “Je mag best wat breder schatten.”

Simpele vraag

Onze vraag aan organisatoren van evenementen was simpel: “Hoe berekenen jullie het aantal bezoekers?” De antwoorden die we kregen liepen behoorlijk uiteen. Aan de ene kant zijn er evenementen zoals de HISWA en De Parade. Deze vinden plaats op een besloten terrein en zijn alleen toegankelijk voor wie een kaartje heeft gekocht. Op deze manier is het bezoekersaantal vrij precies vast te stellen. Doorvragen leert dat vrijkaarten bij dat aantal inbegrepen zijn. Zo trok De Parade dit jaar 267.000 bezoekers, maar slechts tweederde van dat totaal was een betalende bezoeker. Ongeveer 89.000 mensen (kinderen, 65+ers en relaties) kregen dus gratis toegang.

Aan de andere kant zijn er vrij toegankelijke, (grotendeels) gratis evenementen, zoals 24 Uur Cultuur in Rotterdam, het Grachtenfestival in Amsterdam of VJ op de Dom in Utrecht. De organisatie van dit soort festivals komt tot het bezoekersaantal door te schatten.

Het Utrechtse VJ op de Dom trok zo’n 6.500 bezoekers. Namens het festival licht Annemarie de Jong toe: “Het is een ruwe schatting. We hebben elk uur vanuit een hoger gelegen pand op het Domplein uitgekeken en samen met de politie en beveiligers een inschatting gemaakt. Maar dat is lastig, zeker door de in- en uitloop.” Ook het Grachtenfestival werkt met schattingen, aldus organisator Wim van de Laak: “Ons bezoekersaantal van 53.000 bestaat voor 30 procent uit verkochte toegangsbewijzen en voor 70 procent uit schattingen van het publiek dat op de gratis, openbaar toegankelijke programmaonderdelen afkomt.”

Geen flauw idee

Persvoorlichter Derrick Smittenaar van 24 Uur Cultuur noemt het aantal van 15.000 bezoekers “een voorzichtige optelsom van schattingen”. Het festival bestaat uit ongeveer 160 betaalde en onbetaalde voorstellingen op 70 verschillende locaties in Rotterdam. De organisatie vroeg de grootste locaties om een schatting en telde die cijfers bij elkaar op. Dubbeltellingen zijn dus niet uitgesloten: omdat het festival programmaroutes voorstelt, trekken mensen langs meerdere locaties op een dag, en kunnen ze op elke plek opnieuw weer meegerekend worden. Opvallend is bovendien dat de persvoorlichter geen informatie heeft over het aantal verkochte kaarten voor besloten voorstellingen: “Ik heb echt geen flauw idee.”

Niemand checkt

Onze vraag aan de nieuwsmedia die berichten over bezoekersaantallen publiceerden was eveneens simpel: “Controleren jullie het vermelde bezoekersaantal?” Eensgezind wezen de media die wij benaderden (De Telegraaf, Trouw, Het Parool, NU.nl) naar het ANP. “Voor ons is het ANP een betrouwbare bron met kundige journalisten – zoals het dat is voor veel kranten en omroepen”, aldus adjunct-hoofdredacteur Gert-Jaap Hoekman van NU.nl.  “Als we verder geen aanleiding zien, laten wij het checken van cijfers en andere informatie dan ook over aan hen”, Het ANP controleert de bezoekersaantallen echter ook niet. Rob van Rooijen, chef Binnenland: “Nee, ik zou niet weten hoe we dat moeten controleren. Kijk, we verwijzen altijd: ‘dat maakt de organisatie bekend’, maar we gaan niet zelf dingen doen.” Het komt wel eens voor – vooral bij demonstraties – dat het ANP conflicterende cijfers van de organisatie afzet tegen cijfers van gemeente en politie. Dat zijn uitzonderingen: doorgaans neemt het ANP geen contact op met organisatie of gemeente en geeft het door het evenement gerapporteerde bezoekersaantal door. Deze situatie werd bevestigd in ons onderzoek: geen enkel evenement is benaderd door het ANP of een ander medium met een vraag over het bezoekersaantal.

Aura van betrouwbaarheid

We ontdekten een patroon in de vertaling die het ANP maakt van persbericht naar nieuwsbericht. Evenementen brachten persberichten uit met koppen als: “Geslaagde opening cultureel seizoen Rotterdam” (24 Uur Cultuur) en “Grachtenfestival verbindt Amsterdam met klassieke muziek”. In het nieuwsbericht dat het ANP ervan maakt wordt dat: “24 Uur Cultuur trekt bijna 15.000 bezoekers” en “Record voor Grachtenfestival: 53.000 bezoekers”. Derrick Smittenaar (24 Uur Cultuur) noemt de focus op cijfers “echt een ANP-ding”:  “Alsof dat het enige is wat belangrijk is.” Willem Koetsenruijter geeft in zijn boek Cijfers in het nieuws een verklaring. Volgens hem hebben cijfers een aura van betrouwbaarheid, maar onthouden tegelijkertijd maar weinig mensen iets van al die cijfers. Cijfers hebben daarmee een speciale functie in het nieuwsbericht: “ze onderstrepen de betrouwbaarheid van de bron”.

Het blijkt lastig om de bezoekersaantallen van organisatoren te vergelijken met cijfers van gemeente of politie. Sandra Geskes, persvoorlichter van politiekorps Rotterdam-Rijnmond meldt desgevraagd dat de politie géén cijfers bijhoudt op dit vlak. (De gemeente Rotterdam reageerde niet op vragen om toelichting.) Iris Reshef, bestuursvoorlichter bij de gemeente Amsterdam, deelt mee dat het meten van bezoekersaantallen voor veel gemeenten problematisch is. Alleen bij evenementen die de gemeente (mede-)organiseert wordt er van het bezoekersaantal een schatting gemaakt.

“Een riedeltje cijfers”

Het ANP en andere media controleren bezoekersaantallen niet en gemeente en politie hebben geen vergelijkbare cijfers. Tegelijkertijd weten evenementen dat cijfers het goed doen in het nieuws. “Als een persbericht in de smaak moet vallen, dan geven we ze een riedeltje cijfers. Dat vinden ze prettig, dat verteert blijkbaar makkelijk”, zegt Wim van de Laak (Grachtenfestival). In combinatie met de wetenschap dat publieksbereik steeds belangrijker is geworden bij subsidieverstrekkers en sponsoren, is er een prikkel om bezoekersaantallen te overdrijven of kunstmatig hoog te houden. Van de Laak erkent dat het in het huidige culturele klimaat heel belangrijk is dat er ‘een markt’ voor het evenement is, maar zegt dat zijn festival zo eerlijk mogelijk de bezoekersaantallen rapporteert. Annemarie de Jong van VJ op de Dom stelt echter: “Je mag wel wat breder schatten. Dat helpt bij de verantwoording naar de gemeente en fondsen.”

Conclusie

Onze rondvraag leverde twee inzichten op. Ten eerste controleren ANP en andere media de bezoekersaantallen die evenementen rapporteren niet of nauwelijks. Dat is vreemd, juist omdat ze dat cijfer vaak als het belangrijkste nieuws brengen. Met de mededeling: ‘dat maakt de organisatie bekend’ leggen media de verantwoordelijkheid bij de bron en onthouden ze zich van het geven van context bij het bezoekersaantal. Want is het cijfer gebaseerd op een ruwe schatting of op exacte kaartverkoop? En hoeveel betalende bezoekers waren er eigenlijk? We lezen het nergens terug.

Daaruit vloeit voort dat evenementen slecht gefundeerde ramingen kunnen rapporteren. Media controleren namelijk niet en er zijn geen vergelijkbare cijfers. Het noemen van hoge bezoekersaantallen levert twee voordelen op: het creëert nieuwswaarde en het voorziet het festival van mooie veren om mee te pronken bij geldverstrekkers. Hoewel er evenementen zijn die de manier waarop ze hun bezoekersaantal berekenen goed kunnen verantwoorden, maken andere evenementen gebruik van een tamelijk grove schatting. Daarbij was er in één geval (het Utrechtse VJ op de Dom) duidelijk sprake van overdrijving.

Geen cijfers over polderloverboys

Thursday, January 26th, 2012

door: Tom Janssen en Lars de Kruijf

Polderlandschap - jurjen_nl via FlickrTegenwoordig worden steeds meer dorpen geteisterd door loverboys. Althans, die indruk geeft het artikel ‘Loverboy zoekt prooi in dorp’, dat op 10 oktober verscheen in Metro. Loverboys zouden hun activiteiten van de grote steden verplaatsen naar het platteland: het ideale werkterrein, omdat de hieruit afkomstige meiden uit angst hun mond houden. En gemeenten verzwijgen ondertussen het probleem omdat zij niet op reputatieschade zitten te wachten, zo gaat de redenering. Vrij spel dus, voor pooierboys in de provincie? Nieuwscheckers onderzocht wat hiervan waar is.

Degene die in het Metro-artikel de noodklok luidt, is Anita de Wit. Zij is voorzitter van Stichting StopLoverboysNU en vangt sinds 2007 in die hoedanigheid slachtoffers van loverboys op. De Wit: “De meiden met wie wij praten, doen vaak geen melding bij politie of Bureau Jeugdzorg en komen dus ook niet in de officiële cijfers terecht. Omdat StopLoverboysNU laagdrempelig is, krijgen wij deze signalen wel binnen.”

De Wit ziet al langer de trend dat loverboys vaker opereren op het platteland, maar concrete cijfers over deze ontwikkeling kan zij niet geven. “Elke dag krijg ik tien à vijftien meldingen van mogelijk misbruik. Per jaar breng ik een toenemend aantal meiden in veiligheid. Dit jaar [2011] zijn dat er nu al 31. Hierbij heb ik veel te maken met meiden die uit een kleiner dorpje dicht bij de steden komen. Deze gegevens geef ik echter nooit zomaar vrij, omdat ik laagdrempelig wil blijven naar de slachtoffers toe.”

Geen ontwikkeling
Erg veel duidelijkheid verschaft De Wits informatie niet. Vandaar dat Nieuwscheckers te rade ging bij Amanda de Wind van Fyr Fryslân, een expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties, dat volgens het artikel nieuwe opvangvoorzieningen heeft geopend voor slachtoffers van (onder meer) loverboys.

“Dat klopt inderdaad,” meldt De Wind, “maar dat staat helemaal los van de waarschuwing van StopLoverBoysNU. De geopende opvangadressen hebben hier niets mee te maken. Ik wist ook niet dat ik in dit artikel wordt genoemd aangezien ik de journalist van Metro nooit gesproken heb. Wij hebben ten tijde van de uitbreiding een persbericht uitgegeven, en waarschijnlijk heeft hij dat in verband gebracht met het verhaal van De Wit.”

In ieder geval ziet De Wind de ontwikkeling die De Wit schetst niet: “Loverboys komen juist voor in de grote steden. Het zou wel kunnen dat ze soms ook actief zijn in dorpen, maar dit is niet iets dat wij signaleren. Daar kan ik dus weinig over zeggen. En er zijn ook geen cijfers van bekend.”

Geen cijfers
Als er ergens cijfers te vinden zijn over ontwikkelingen op het gebied van loverboys, dan is het bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel (CoMensha). Onder andere de politie heeft de plicht om gevallen van mensenhandel – waaronder loverboypraktijken – te melden aan deze instantie.

Volgens Bas de Visser, woordvoerder van CoMensha, zijn er in 2011 105 meldingen gedaan waarbij is aangegeven dat er gebruik werd gemaakt van loverboytechnieken. “Wij hebben echter geen overzicht waaruit blijkt dat er een verplaatsing naar het dorp plaatsvindt.  Onze ervaring is dat loverboys overal voorkomen in heel Nederland. Zowel in de grote steden als op andere plekken.”

Signaal afgeven
Er zijn dus geen cijfers die aantonen dat er sprake is van een hausse aan polderloverboys. Waarom besloot Metro-journalist Peter Viering dan toch om zijn artikel te schrijven? Viering: “Ik wilde een signaal afgeven over een fenomeen waarover ik mensen hoorde klagen. Een moeder van een 13-jarige dochter belde mij op omdat haar dochter contacten had met loverboys. In het dorp waar zij wonen heb ik dit verhaal gecheckt bij het schoolbestuur, en zij bevestigden dit. Toen ik navraag deed in andere dorpen, bleken ze ook daar de problematiek te herkennen.”

Viering beaamt dat het beter was geweest als hij zijn verhaal had kunnen onderbouwen met cijfers. “Maar dat is in dit geval juist de moraal van het verhaal: omdat men zich schaamt voor de problematiek wordt het niet gemeld en dus niet genoteerd. Dan kun je je niet beroepen op cijfers. Maar als journalist is het wel je plicht om dit signaal te brengen.”

Conclusie
De beweringen van Anita de Wit en de andere door Viering geraadpleegde bronnen zouden kunnen kloppen. Maar voor hetzelfde geld is dat niet het geval. Waar harde cijfers ontbreken, ligt speculatie op de loer. Het beste lijkt in dat geval om af te gaan op de cijfers die wél voorhanden zijn bij officiële instanties als CoMensha. En daaruit blijkt dat het niet erg waarschijnlijk is dat loverboys hun werkterrein verleggen naar het dorp.

In december 2011 – dus enige tijd na het artikel in Metro – publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een rapport over loverboys waarvan een van de conclusies is dat het aantal slachtoffers van loverboys moeilijk is vast te stellen, maar in ieder geval lager ligt dan de media suggereren. Desondanks brachten media het nieuws weer onder koppen als ‘Loverboys maken steeds meer slachtoffers’.

NIGZ-cijfers over onzekere en allergische kinderen rammelen

Friday, March 19th, 2010

Door: Danja Theune

huilendkind

“Een op de vijf kinderen is ontevreden met zichzelf”, kopte het ANP op 4 maart. Nu.nl, het ADDe Telegraaf en andere media namen het bericht over.  De bron wekt vertrouwen: het grootschalige Ga voor gezond!-onderzoek van nationaal gezondheidsinstituut NIGZ. Maar hoe serieus moeten we deze cijfers nemen? Nieuwscheckers vroeg het onderzoeksrapport op en ontdekte dat het percentage ontevreden kinderen veel lager is: niet een op de vijf, maar minder dan een op de twintig. Ook de bewering dat een kwart van de kinderen een allergie heeft, is dubieus.

Het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) stuurde een vragenlijst naar 10.550 kinderen van 4 tot en met 12 jaar, 321 leerkrachten en 599 ouders. De stelling “Ik ben blij met wie ik ben” werd alleen voorgelegd aan kinderen van groep 4 tot en met 8. 76,6 procent antwoordde ‘ja!’, 14,5 procent ‘ja, een beetje’ en 8,2 procent  ‘soms wel, soms niet’. Slechts 2,0 procent gaf als antwoord ‘nee, niet echt’ en 2,7 procent zei ‘nee!’. Dit komt er op neer dat 4,7 procent een ontkennend antwoord geeft, terwijl 8,2 procent twijfelt. Daarnaast werd aan leerkrachten de stelling “De kinderen in mijn groep zijn over het algemeen tevreden met zichzelf” voorgelegd. 80,1 procent van de ondervraagden antwoordde hierop positief.

Rekenfoutjes

Bij het narekenen ontdekte Nieuwscheckers echter een foutje. Het onderzoeksrapport bestaat uit vijf kolommen: jongens / meisjes, autochtonen / allochtonen en totaal. Ieder kind hoort dus in drie van deze kolommen te worden meegeteld, maar blijkbaar is dit niet het geval: voor de kinderen uit groep 4 tot en met 8 zijn de totaalaantallen van deze drie groepen respectievelijk 9254, 9245 en 9492.  I. de Gouw, projectmanager bij het NIGZ, bevestigt dat het eigenlijke aantal kinderen 9245 is, het totaal van de kolommen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ dus. De cijfers die Nieuwscheckers noemt, zijn daarom afkomstig uit deze twee kolommen.

Afgaande op de antwoorden van de kinderen klopt het dus niet dat maar 80 procent tevreden is met zichzelf: dit moet 87,1 procent zijn. Slechts 4,7 procent is niet echt of helemaal niet tevreden met zichzelf – veel minder dus dan een op de vijf. Volgens De Gouw is er echter voor gekozen om de antwoorden van de leerkrachten ook mee te laten tellen. Maar de vraag die de leerkrachten beantwoorden, gaat over de hele klas. Wanneer in een klas slechts enkele kinderen zitten die erg onzeker over zichzelf zijn, zou een leerkracht dus nog steeds ‘ja’ kunnen invullen. De antwoorden van de ouders daarentegen zijn buiten beschouwing gelaten – en van hen gelooft 91,8% dat zijn of haar kind tevreden is met zichzelf. Op de vraag wat hier de reden van is, is De Gouw helaas niet meer ingegaan.

Kinderen met een allergie

Ook de NIGZ-bewering dat 25 procent van de kinderen een allergie heeft, is dubieus. De antwoorden van kinderen liggen op dit gebied namelijk mijlenver van de antwoorden van de ouders. Ook tussen kinderen van verschillende leeftijdsgroepen bestaan grote verschillen. 14,9 procent van de ouders zegt een kind te hebben met een allergie. Dit steekt mager af bij het oordeel van hun kroost zelf: maar liefst 37 procent van de kinderen uit groep 4 tot en met 8 denkt ergens allergisch voor te zijn, evenals 24,5 procent uit groep 1 tot en met 3. Het gemiddelde van alle kinderen ligt op 35,6 procent. Dit komt dus niet overeen met de conclusies van het NIGZ, dat desondanks het gemiddelde van alle kinderen zegt te hebben genomen.

Volgens Ewoud Dubois, hoogleraar Kinderallergologie aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen, is het moeilijk om exact te zeggen hoeveel mensen een allergie hebben. Hij legt uit dat er een groot verschil is tussen het fenomeen ‘allergie’ en het fenomeen ‘sensibilisatie’. Wie een verhoogde sensibilisatie heeft (volgens Dubois zeker rond de 45 procent van de kinderen), heeft een verhoogde kans om allergisch te worden, maar dit hoeft niet zo te zijn. Daarnaast kunnen overgevoelige reacties ook voorkomen zonder dat er sprake is van een allergie. Dubois beklemtoont dat het erg lastig is om precies te weten te komen hoeveel kinderen er precies een allergie hebben.

In het geval van de test van het NIGZ moesten kinderen zelf invullen of ze al dan niet allergisch waren. Dubois benadrukt dat het voor mensen erg lastig is om aan te geven of ze een allergie hebben of niet. Een onderzoek dat binnenkort gepubliceerd wordt, wees uit dat 10 procent van de jongeren zichzelf onterecht een allergie toebedeelt. Dit onderzoek werd weliswaar uitgevoerd op een middelbare school, maar het is niet waarschijnlijk dat jongere kinderen beter op de hoogte zijn van hun allergieën.

Ook Marjan Kerkhof, epidemiologe aan het UMCG, kan niet met zekerheid zeggen hoeveel kinderen aan een allergie lijden. Percentages spreekt ze zeer voorzichtig en met drie slagen om de arm uit: “15 procent heeft eczeem, 10 procent astma en veel kinderen krijgen vanaf de basisschool hooikoorts.” Het hooikoortspercentage is onder 20-jarigen langzaamaan gestegen tot pakweg 30 à 40 procent. Yola de Vries, secretaris van de Vereniging van Allergiepatiënten, durft wel exacte getallen te noemen, maar die zijn weer veel lager: 4 tot 8 procent.

Reactie van het ANP
Waarom heeft het ANP de twijfelachtige cijfers uit het NIGZ-persbericht overgenomen? Rennie Rijpma, chef van de redactie Binnenland bij het ANP, vertelt dat de schrijfster van het bericht gewoonlijk altijd de onderzoeksrapporten van dergelijke onderzoeken opvraagt en controleert. Dit specifieke bericht kon ze zich helaas niet meer herinneren, maar volgens Rijpma denkt ze dat ze haar gewoonlijke werkwijze heeft gevolgd. Rijpma: “Ze heeft de conclusies van het NIGZ gevolgd en niet haar eigen conclusies getrokken.”

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes