Posts Tagged ‘psychologie’

Ouders opgelet: seks toch niet onbelangrijk voor jongeren

Wednesday, November 4th, 2015

Door: Esha Metiary & Joyce Nafzger

“Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks,” berichtten verschillende nieuwsmedia op 11 september. Uit een studie van de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit Groningen zou blijken dat jongeren meer waarde hechten aan romantiek dan aan seks. Dagboekanalyses van 183 tieners zouden uitwijzen dat ouders zich veel minder zorgen hoeven te maken dan tot nu toe de traditie was. Maar kun je aan de hand van opgeschreven hersenspinsels met zekerheid stellen dat seks een ondergeschikte rol speelt bij tieners? En komt de kop wel overeen met de uitkomst van het onderzoek?

Romantiek voor jongeren belangrijker dan seks, meldden NU.nl, Metro, AD.nl en vele andere media op 11 september. Bron was een ANP-bericht, gebaseerd op een presentatie van het project ‘Studies on Trajectories of Adolescent Relationships and Sexuality’ (STARS). Maar in hoeverre is een dagboek, in het bijzonder een tienerdagboek, een betrouwbare bron als het gaat om het openlijk uiten van gevoelens?

Dagboekanalyse betrouwbaar?

Marianne Cense, onderzoeker naar de seksuele gezondheid van jongeren bij kenniscentrum voor seksualiteit Rutgers, stelt dat seksualiteit te privé en te beladen is met taboes om er openlijk over te schrijven. “Als het gaat om zelfrapportage van jongeren over seksualiteit, kun je in het algemeen wel stellen dat jongeren (of volwassen) vast niet alles opschrijven of melden wat ze denken/fantaseren/doen op dit gebied.”

Oral historica Marie-Louisse Janssen, gespecialiseerd in gender en seksualiteit aan de Universiteit van Amsterdam, acht het juist wel waarschijnlijk dat jongeren hun seksuele gedachten en gevoelens uiten in onderzoeksdagboeken. Wel betwijfelt zij, net als Cense, of deze overeenkomen met de werkelijkheid. “De belangrijkste valkuil is dat wat mensen in een dagboek schrijven vaak gebaseerd is op wensen, verzinsels, fantasie, dromen en verlangens die lang niet altijd, of zelfs meestal niet, overeenkomen met de werkelijkheid en werkelijk gedrag. Dan wordt het een soort pornografie.” Op de vraag of zij de analyse van 183 tienerdagboeken ‘watervast’ genoeg vindt om de gekopte conclusie te trekken, antwoordt zij stellig: “Natuurlijk niet”.

Wieke Dalenberg van Project STARS verbaast zich over deze reacties. Zij beaamt dat seksualiteit een privacygevoelig onderwerp is, maar meent dat in de dagboekstudie juist getracht is een veilige setting te creëren. Bovendien hielden de adolescenten in kwestie geen traditioneel dagboek bij, maar een onderzoeksdagboek waarin expliciete vragen gesteld werden over seksualiteit. De vergelijking tussen de dagboeken en pornografie ziet Dalenberg niet. Zij acht de adolescenten capabel om hun gedrag en fantasieën van elkaar te onderscheiden: “De dagboekuitingen die ik gelezen heb, laten zich niet als ‘pornografisch’ omschrijven.”

(On)terechte bezorgdheid ouders

NU.nl stelt dat ouders zich minder zorgen hoeven te maken dan ze traditioneel deden. Cense vindt dat “nogal een aanname”. De conclusie dat ouders zich geen zorgen moeten maken, lijkt haar dan ook “niet iets wat de onderzoekers geconcludeerd zullen hebben, maar meer iets uit de koker van de journalist.”

Cense merkt in contact met leraren “dat ze verbaasd zijn dat de leeftijd waarop Nederlandse jongeren geslachtsgemeenschap hebben, nauwelijks zakt de afgelopen twintig jaar. Dat blijft rond de 17 jaar.” Een bevinding die het idee ‘de jeugd van tegenwoordig doet het steeds eerder en roekelozer’ tegenspreekt.

Volgens Dalenberg van Project STARS kan uit het onderzoek inderdaad niet de conclusie worden getrokken dat bezorgdheid van ouders onterecht is. Volgens haar is mogelijke bezorgdheid afhankelijk van iedere individuele situatie. “Voor sommige ouders is het gegrond om je zorgen te maken om je kind en andere ouders hoeven zich minder zorgen te maken, afhankelijk van het kind.”

Foutieve interpretatie

Er zijn nog meer kinken in de kabel van het nieuwsbericht. De kop komt volgens Dalenberg niet voort uit het volledige onderzoek, maar is gebaseerd op het deelonderzoek onder 300, dus niet 183, jongeren in verschillende deelstudies, waarvan de uitkomst is gemisinterpreteerd. Bovendien hebben er ‘slechts’ 1.300 en niet 13.000 jongeren deelgenomen aan het totale onderzoek. Deze numerieke onjuistheid in het oorspronkelijke ANP-bericht en de daarop gebaseerde nieuwsberichten is intussen aangepast.

Uit de resultaten blijkt niet dat voor jongeren ‘romantiek belangrijker is dan seks’, wel dat ze in de onderzoeksdagboeken relatief veel over romantiek schrijven. Dalenberg: “We zagen dat alle jongeren in bijna elke dagboekrapportage een onderwerp over de romantische aspecten van seksualiteit hebben beschreven. De jongeren die niet seksueel actief waren, rapporteerden geen onderwerpen over seksueel gedrag. De jongeren die wel seksueel actief waren, rapporteerden wel onderwerpen over seksueel gedrag, maar de frequentie was alsnog vrij laag in vergelijking met romantische onderwerpen.”

Seksueel actief of niet, adolescenten leggen in hun zelfrapportage eerder de nadruk op de romantische aspecten dan op seksueel gedrag zelf. Niet verrassend, volgens Dalenberg. “Seksueel gedrag gebeurt regelmatig in de context van een romantische relatie. Het is dus niet gek dat de dagelijkse beleving van jongeren meer bestaat uit romantische aspecten van seksualiteit.” Het waardeoordeel ‘romantiek voor jongeren belangrijker dan seks’ komt dus niet voort uit het onderzoek, maar is door de media toegekend.

Romantiek en seksualiteit beide van belang

Jawel, romantiek staat in relatie tot seksualiteit. En jawel, in zelfrapportage leggen jongeren de nadruk op de romantische aspecten, maar het STARS-onderzoek geeft geen uitsluitsel over het waardeoordeel van adolescenten. Nieuwsmedia trokken de overhaaste en foutieve conclusie dat romantiek belangrijker is voor jongeren dan seks. Dus nee ouders, helaas. Seksualiteit is tóch niet onbelangrijk voor uw jonge telgen. Maar wees gerustgesteld: hun dagboeken gaan eerder over een onschuldige eerste kus dan over de door u gevreesde ‘eerste keer’.

Foto: Luis Llerena (Stocksnap, CCo)

Huilen maakt minder gelukkig dan wordt beweerd

Thursday, October 8th, 2015

Door: Kristy Arets en Lisa Vos

Eind augustus meldden verschillende media dat huilen een positief effect heeft op de gemoedstoestand. Na het huilen zou de stemming binnen ongeveer negentig minuten verbeteren. Hoe serieus moeten we dit nemen? Is er reden om direct The Titanic en The Shawshank Redemption op te zetten? Deze factcheck toont aan dat je daar nog even mee kunt wachten. Het ligt namelijk allemaal een stuk gecompliceerder.

Een internationaal onderzoeksteam onder leiding van Ad Vingerhoets, hoogleraar psychologie aan de universiteit Tilburg, meldt in het wetenschappelijk tijdschrift Emotion dat men zich na een huilbui doorgaans beter voelt dan daarvoor.

De wetenschappers verzamelden zestig proefpersonen en lieten ze in een laboratorium twee films zien die bekend staan als echte tranentrekkers: Hachi – A Dog’s Tale en La vita è bella. Voordat de film startte, vroegen de onderzoekers de respondenten hun gemoedstoestand een rapportcijfer te geven. Na afloop werd dat nog drie keer gevraagd: direct na de film, twintig minuten later en negentig minuten later.

Tijdens de voorstelling moesten 28 deelnemers aan het experiment huilen. De overige deelnemers hielden het droog. De huilers gingen door een emotionele achtbaan. Direct nadat de film was afgelopen voelden ze zich gemiddeld genomen minder goed dan ervoor. Echter, na twintig minuten was hun stemming vrijwel elke keer weer op het zelfde niveau als voor de film. Na negentig minuten voelden zij zich zelfs beter dan voor de film startte! Dit in tegenstelling tot de mensen die niet hadden gehuild tijdens de film: hun stemming bleef constant.

Hé huil eens! Dat maakt gelukkig
De resultaten van het onderzoek werden al snel opgepikt door de media. ‘Huilen heeft positief effect op de stemming’, kopt nu.nl. Helemaal stellig is RTLnieuws: de kop ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’ zet bijna aan tot huilen. Maar, klopt dit wel? Is huilen goed  voor onze stemming?

Wat de meeste berichten achterwege laten, is dat er aan een positieve stemmingsverandering een opgelucht gevoel vooraf moet gaan. Dit gevoel is afhankelijk van een aantal factoren, aldus Vingerhoets. Allereerst is van eigenschappen van degene die huilt: “Mensen die zich depressief voelen, die echt niet lekker in hun vel zitten, die rapporteren doorgaans minder opluchting na een huilbui dan anderen.” Ook de reactie van omgeving is belangrijk: “Wanneer je wordt getroost, lucht huilen meer op dan wanneer je wordt uitgelachen”, aldus Vingerhoets. Tot slot en in dit onderzoek het meest van belang: de specifieke aanleiding van het huilen. Tranen bij een controleerbare en tijdelijke situatie luchten meer op dan bij een oncontroleerbare situatie. “Wanneer de aanleiding tot het huilen is gelegen in iets dat onbeheersbaar is, zoals het overlijden van een naaste, dan is de kans dat iemand zich beter voelt na het huilen minder groot dan wanneer iemand de situatie kan beïnvloeden.”

Je zou dus de vraag kunnen stellen of je met dit onderzoek, dat alleen kijkt naar huilen naar aanleiding van een film, kunt stellen dat op en huilbui altijd een stemmingsverbetering volgt.

Haken en ogen
“Het onderzoek ziet er op het eerste gezicht goed uit”, zegt Dylan Molenaar, universitair docent Psychometrie bij de afdeling Psychological Methods aan de Universiteit van Amsterdam. “Maar er zitten behoorlijk wat haken en ogen aan.” Omdat de onderzoeksresultaten gebaseerd zijn op 60 onderzoekspersonen, van wie 39 vrouw en iedereen student, twijfelt hij aan de representativiteit. “Bij een andere steekproef hadden de resultaten heel anders kunnen uitpakken. Tevens wordt nergens de keuze voor deze steekproef verantwoord.” Maakt huilen gelukkig? Molenaar: “Dat vraagt om enige nuance, enkel het gebruik van film als testmethode is voor een uitspraak als deze niet voldoende”.

Ook Chris Hartgerink, promovendus in Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Tilburg, heeft zijn bedenkingen bij de methode van het onderzoek. Volgens Hartgerink leent deze kleine steekproef zich niet voor zulke sterke conclusies, het kan hoogstens een mogelijk effect signaleren dat vervolgens in een herhaling met meer proefpersonen bevestigd dient te worden. Daarnaast maken de onderzoekers volgens Hartgerink een cruciale fout: het is onduidelijk hoe ze de achttien metingen van negatieve emoties hebben samengevoegd. Het lijkt erop dat ze de som of het gemiddelde hebben genomen. “Dit is een zeer sterke assumptie, aangezien het redelijk is om aan te nemen dat bepaalde emoties sterker zijn dan andere. Ik voel me over het algemeen slechter als ik miserabel ben dan wanneer ik nerveus ben.”

Het is inderdaad een gemiddelde, legt onderzoeker Ad Vingerhoets uit. “Wij hebben een bepaalde maat die we in dat soort gevallen berekenen, namelijk Cronbachs Alpha. Wanneer deze een waarde heeft groter dan .70 mag je de afzonderlijke vragen beschouwen als metingen van dezelfde onderliggende dimensie.”

Conclusie
Lucht huilen op, of word je er zelfs gelukkig van? Nieuwscheckers concludeert dat de berichten over het huilonderzoek overdreven zijn. Vooral dat van RTL Nieuws: ‘Hé, huil eens! Dat maakt gelukkig’. De redactie van RTL Nieuws heeft niet gereageerd op een verzoek om toelichting. Wat betreft het onderzoek: in de toekomst zal het herhaald moeten worden onder verschillende omstandigheden en met meer proefpersonen. The Titanic kunnen we dus nog even in de kast laten liggen.

Foto: Alena Navarro-Whyte (Flickr, CC BY-ND 2.0)

Geen hard bewijs voor groeiende psychische nood onder studenten

Monday, January 3rd, 2011

Door: Laura van Dijck

Studenten bezoeken massaal de psycholoog, blijkt uit Het Parool van 9 oktober 2010. Bij sommige universiteiten gaat het volgens het bericht om een toename van wel tien procent ten opzichte van 2009. Maar harde cijfers komen in het artikel niet aan bod, tendensen op de lange termijn evenmin. Is het aantal studenten in ‘psychische nood’ echt toegenomen?

Navraag bij de krant leert dat het bericht is overgenomen van de Geassocieerde Pers Diensten (GPD). Het is geschreven door journalist Jan ter Harmsel. Het Parool heeft het GPD bericht voor publicatie niet nagetrokken op juistheden: “Dat is de taak van het GPD zelf. We vertrouwen erop dat het klopt”, zegt verantwoordelijk eindredacteur Gerard Verdaasdonk.

Summier
In het bericht is te lezen dat bijna drie procent van de universitaire studenten hulp zoekt bij de studentpsycholoog. Bij een totaal aantal studenten van 230.000 zijn dat zevenduizend mensen. Maar dit getal zegt niets over een toename in de afgelopen jaren. De cijfers zijn wat summier, geeft auteur Ter Harmsel toe: “Ik noem niet alle universiteiten bij naam met hun exacte cijfers, dat had duidelijker gekund.” Wie zelf op zoek gaat, vindt alleen cijfers over studenten van de Erasmus Universiteit. Volgens het Erasmus Magazine gaan jaarlijks rond de 400 studenten naar een Rotterdamse studentenpsycholoog. Er is sprake van een stijging van 10 procent maar het is niet duidelijk ten opzichte waarvan.

In het bericht van de GPD komt Ton Boekhorst, studentenpsycholoog bij de Universiteit Groningen en tevens lid van het Nederlands Instituut van Psychologen, aan het woord. Per mail laat Boekhorst weten dat hij de landelijke cijfers van studentenbezoek aan de psycholoog “helaas” niet kan geven. Ook de cijfers voor Groningen worden niet prijsgegeven. Wel schrijft hij dat de laatste jaren per jaar gemiddeld 2,5 à 3 procent van de studenten zich meldt bij de studentenpsycholoog.

In het bericht noemt Boekhorst de toenemende maatschappelijke acceptatie van psychologische hulp als een verklaring voor de vermeende stijging van het aantal bezoeken: “Ook is er meer aandacht voor in de media door tv-programma’s als In Therapie”. Maar dit programma werd uitgezonden in de zomer van 2010 terwijl de cijfers betrekking lijken te hebben op de periode daarvoor. In tweede instantie legt Boekhorst uit: “Het programma In Therapie is door mij genoemd als een recent voorbeeld van aandacht voor therapie in de media, natuurlijk niet als directe aanjager van aanmeldingen in een jaar voordat het programma te zien was!” In het bericht ontbreekt deze nuancering en lijkt het wel of het uitzenden van In Therapie wordt gezien als een directe verklaring van de stijging.

Stigma
Ook Hans van Gelder, studentenpsycholoog aan de Universiteit Twente, is door de GPD geïnterviewd. Hij bevestigt dat het aantal studenten dat naar de studentenpsycholoog gaat toeneemt. In 2009 kwamen 654 Twentse studenten naar de psycholoog, tegenover 596 in 2008. Het aantal studenten op de universiteit steeg hetzelfde jaar met minder dan 10%.

Van Gelder ziet de verhoogde studiedruk als een van de oorzaken van de toenemende hulpvraag: “Er is meer druk op de studie. Het activisme onder studenten loopt terug, het is moeilijker om studenten te vinden voor commissies en besturen.” Ook bevestigt hij de verlaagde drempel voor een bezoek aan de psycholoog. “De laatste tien jaar heeft therapie minder last van een stigma. Studenten realiseren zich beter dat het zin heeft.”

Journalist Ter Harmsel zegt “meerdere universiteiten” te hebben gesproken, maar enkel de cijfers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Twente zijn te achterhalen, de aantallen op de overige universiteiten blijven in het ongewis. Ook na herhaaldelijke verzoeken blijkt Ter Harmsel niet in staat deze cijfers terug te vinden. Daardoor blijft het onduidelijk of er daadwerkelijk een toename is in het aantal bezoeken aan de psycholoog onder Nederlandse studenten. De stijging is door twee universiteiten bevestigd, maar voor een landelijke stijging ontbreekt het bewijs.

Effectiviteit strafregels vooralsnog verre van bewezen

Tuesday, December 7th, 2010

Door: Daniëlle van Veen en Nina Verhaaren

Straf helpt niet, strafregels wel’, kopte Metro op 26 oktober. Strafregels werken, zegt orthopedagoge Astrid Boon: verschillende Nederlandse scholen hebben ze met succes weer ingevoerd. Het leverde haar veel positieve publiciteit op. Maar Boons beroepsgroep is sceptisch, de cijfers van een school zijn geheim en de andere twijfelt:  “Strafregels worden nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Sinds de publicatie van haar boek Straf/Regels pleit Astrid Boon voor de herinvoering van ‘slimme strafregels’ op middelbare scholen. Bijvoorbeeld: “Hè, wat jammer nou dat ik mijn boeken vergeten ben. Nou kan ik niet meedoen met de les. Volgende keer neem ik mijn boeken mee, dan hoef ik dit nooit meer te schrijven”. Zulke regels zouden niet alleen ongewenst gedrag tegengaan, maar leerlingen tegelijkertijd het gewenste gedrag inprenten. Belangrijk is ook dat de leraar precies weet hoe de sanctie uit te delen: eerst een vriendelijke waarschuwing, dan een duidelijke concrete waarschuwing, dan de straf. 

Momenteel werkt Boon met een statisticus aan cijfers over de effectiviteit van haar strafregels, maar vooralsnog baseert ze zich op ervaring: “Ik heb de laatste dertig jaar gewerkt met lastige pubers op scholen, en zij hebben mij wijzer gemaakt over wat wel en niet werkt.” En strafregels, die werken ‘als een soort paardenmiddel’, vertelde ze in diverse media (Editie NL, De Telegraaf, Trouw, AD, en op de radio onder meer bij Goedemorgen Nederland). Maar is dat ook zo?

Wachten op officiële cijfers

Dat de strafregels werken, wordt volgens Metro nu ook ondersteund door cijfers uit de praktijk. Op het Amsterdamse Sweelinck College zijn Boons strafregels begin 2009 schoolbreed ingevoerd. Dagelijks wordt geregistreerd hoeveel leerlingen te laat komen en de klas uit worden gestuurd. Samen met een statisticus heeft Boon deze cijfers onderzocht. Ze zegt dat het aantal schorsingen op het Sweelinck College na de kerst normaal gesproken met gemiddeld 37 procent toeneemt. Na invoering van de strafregels dáálde het aantal schorsingen na de kerst juist, met maar liefst 57 procent. Omdat ze momenteel bezig is de resultaten gepubliceerd te krijgen, mocht Nieuwscheckers de cijfers niet inzien.

Het Metro-artikel noemde andere cijfers bij het Sweelinck College: te laat komen zou met twintig procent gekelderd zijn, en uit de klas sturen met zeventig procent. Navraag bij journalist Niels Rigter leert dat die cijfers afkomstig zijn van het Sweelinck College zelf. Martine Uleman, teamleider bovenbouw op het Sweelinck, vertelt dat de cijfers gebaseerd zijn op het registratiesysteem dat Boon ook noemde: “We kunnen niet precíés zeggen dat het om een daling van zeventig procent gaat, maar we houden deze gegevens dagelijks bij en dan zien we dat het aantal leerlingen dat moet terugkomen nu drie is, in plaats van tien.” Uleman gelooft dat de invoering van de strafregels de oorzaak is van de dalende cijfers. Omdat wetenschappelijk onderzoek nog ontbreekt, kan invloed van andere factoren echter niet worden uitgesloten.

Vooralsnog is het dus nog wachten op de officiële statistieken van Boon, pas dan kunnen echt uitspraken gedaan worden over de effectiviteit van strafregels op het Sweelinck College. Metro-journalist Rigter erkent ook dat zijn stuk ongetwijfeld steviger had gestaan als het onderzoek van Boon er al was geweest.

‘Je moet leerlingen toch serieus nemen’

Ook Scholengemeenschap ’t Groene Hart in Alphen aan de Rijn zou volgens Metro baat hebben gehad bij de invoering van Boons strafregels. Spijbelgedrag zou er ‘drastisch’ door verminderd zijn. Dat blijkt wel erg ongenuanceerd. P.K. Jansen, lid van het college van bestuur van de Scope Scholengroep, waartoe de Groene Hart Scholengemeenschap behoort, meldt Nieuwscheckers dat ze een aantal jaren geleden inderdaad een probleem hebben gehad met spijbelgedrag, en dat daar toen met een aantal deskundigen naar gekeken is. “Uiteindelijk hebben we toen meerdere maatregelen ingevoerd, waaronder de strafregels.” Of er een direct verband bestaat tussen de strafregels en de daling in spijbelgedrag, is niet onderzocht. “Het lijkt erop dat het ons toen geholpen heeft, maar het is ook niet meer dan dat”, aldus Jansen. “We willen ook niet dat mensen denken dat wij ‘strafregels’ opnieuw hebben ingevoerd of zoiets. Het wordt nu ook nog maar nauwelijks ingezet, want het is eigenlijk niet wat we willen. Je moet leerlingen toch serieus nemen.”

Journalist Niels Rigter vindt niet dat hij een misser heeft gemaakt door de resultaten van de scholen te publiceren zoals hij dat gedaan heeft. “Je kunt inderdaad niet zeggen dat er een duidelijke oorzaak-gevolgrelatie is, dat dóór de maatregelen het spijbelen met zoveel procent naar beneden is gegaan. Je kunt daarentegen wel zeggen dat sínds de invoering van de strafregels het verzuim naar beneden is gegaan met een bepaald aandeel. Dat heb ik gedaan.” Hij heeft opgeschreven wat de scholen hem hebben verteld. “Je gaat ervan uit dat als een school jou dat soort informatie geeft, dat die informatie ook klopt. En als jullie dan ineens naar bewijzen komen vragen, gaan ze de boel nuanceren.” Wel geeft hij toe dat hij misschien wat kritischer had kunnen zijn en bijvoorbeeld absentielijsten had kunnen opvragen. “Maar ja…”

Geloofskwesties

Nog afgezien van de dubieuze cijfers over de effectiviteit van de strafregels, is de beroepsgroep van Boon sceptisch over de vraag of straffen wel de beste optie is bij het stimuleren van gedragsverandering. Metro merkt zelf op dat ‘pedagogen het er inmiddels wel over eens zijn dat straffen nauwelijks tot gedragsverandering leidt’ (in het kaderartikel ‘Vroeger, toen de meester nog sloeg’, niet online). Vanuit het behaviorisme is het heersende idee dat het belonen van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag vaak de beste manier is om gedrag te beïnvloeden.

“Het interesseert me niets als er pedagogen zijn die zeggen dat het niet werkt”, zegt Boon. “Het werkt namelijk wel. Iedereen zegt maar dat belonen beter werkt, maar er is al dertig jaar geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van straffen.” Meningen over de relatieve effectiviteit van straffen en belonen zouden daardoor pure ‘geloofskwesties’ zijn geworden. Om te laten zien dat haar strafregels werken, is ze haar eigen onderzoek begonnen.

Versimpeling

Gezinus Wolters, universitair hoofddocent cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, noemt deze uitspraken ‘een versimpeling van de werkelijkheid’: “Er wordt wel degelijk ontzettend veel onderzoek gedaan naar straffen en belonen, maar dat is geen makkelijk onderzoek en resultaten zijn onduidelijk. Uit allerlei onderzoek is gebleken dat zowel straffen als belonen kan werken bij gedragsbeïnvloeding.” Kijk je naar praktijksituaties, dan wordt het ingewikkelder, aldus Wolters. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van opvoedingsproblemen in het gezin. “Dan is het niet meer simpelweg de vraag of  er beloond of gestraft moet worden, dan moet je voor die specifieke situatie de meest effectieve manier zien te vinden.”

De strafregels van Boon kunnen in principe ongewenst gedrag van leerlingen verminderen, denkt Wolters. “De beloning op slecht gedrag wordt weggenomen, en daarmee het motief om dat gedrag te vertonen”, legt hij uit. “Jongeren kunnen heel vervelend gedrag vertonen, en zijn dan stoer in de ogen van hun collegajongeren. Door de leerling als een klein kind strafregels te laten schrijven, valt die beloning weg. In die zin kunnen de strafregels prima werken.” Dat strafregels bovendien het gewenste gedrag inprenten, gelooft hij niet: “Door de leerling vrije tijd of stoerheid af te nemen met strafregels, zal hij het ongewenste gedrag in de toekomst misschien laten, maar wat je ze laat schrijven, maakt niet uit. Het is gewoon een alternatief soort straf, het werkt niet om positief gedrag te versterken. Je kunt ze ook laten nablijven of het schoolplein laten vegen, dat is net zo effectief.”

Het Centrum Educatieve Dienstverlening Rotterdam merkte in 2007 in een brief aan het NRC (niet online) op dat de positieve gedragsinstructie in de strafregels wél van belang is, omdat dan duidelijk wordt hoe de leerling zich zou moeten gedragen. Belangrijker vindt het Centrum echter nog dat de leraar precies weet hoe de sanctie uitgedeeld wordt: twee keer waarschuwen, dan strafregels opleggen. “Dat voorkomt ellenlange aandacht voor negatief gedrag en maakt tijd en ruimte vrij om aandacht te geven aan gewenst gedrag.” Vooral het geheel van duidelijke, positieve gedragsregels, waarbij gewenst gedrag prettiger gevolgen heeft voor de leerlingen dan ongewenst gedrag, zou effectief zijn. Niet de strafregels op zich.

Elastiek

Rigter liet in zijn Metro-artikel naast Boon geen andere deskundige aan het woord, al onderkent hij dat dat zijn stuk wel sterker zou hebben gemaakt. “Tuurlijk, hoe meer mensen je aan het woord laat, hoe beter je stuk. Maar ja, op een gegeven moment moet je stoppen met schrijven. De pagina’s zijn nu eenmaal niet van elastiek, hè.”  

Hoe bloter hoe beter

Tuesday, December 1st, 2009

Door Pauline Snel

Woman_naked_breasts

Vrouwen die 40 procent van hun lichaam ontbloten hebben de grootste kans op aandacht van mannen in discotheken. Minder maar ook zeker meer bloot heeft averechtse effecten op het mannelijk schoon. Dat stond 17 november op de nieuwssite Nu.nl. Zou dit een eind maken aan de kleding dilemma’s van alle vrouwen?

Het artikel is gebaseerd op een Brits onderzoek. Psychologen van de Universiteit van Leeds onderzochten het gedag van Britse jongeren in nachtclubs. Door middel van observaties in een discotheek hebben de wetenschappers het gedrag van vrouwelijke en mannelijke bezoekers geanalyseerd.
Dertig uitgaansavonden observeerden de Britse onderzoekers vanaf het balkon de dansende jongeren. Er werd gelet op het dans- en kleedgedrag van de bezoekers en hoe vaak ze elkaar benaderden.

40 procent
Om het onderzoek zo objectief mogelijk te maken werd er niet gekeken naar schoonheid, maar uitsluitend naar dans- en kleedgedrag. Er werd bepaald hoeveel de vrouwen van hun lichaam onbedekt lieten en wat voor een soort dansgedrag ze vertoonde. Ze werden opgedeeld in 3 groepen: nul tot 20 procent bloot, 20 tot 40 procent bloot en 40 procent en bloter. De onderzoekers noteerden vervolgens hoeveel keer mannen de vrouwen benaderden en anders om.
De uitkomsten van het onderzoek waren niet echt verbazend. Vrouwen kregen meer aandacht naar mate ze minder kleren om het lijf hadden en daarbij ook nog seksueel dansden. Vooral het ontbloten van het bovenlichaam had veel effect.

Dat in tegenstelling tot het artikel van Nu.nl. Daarin staat dat vrouwen die 40% van hun lichaam onbedekt laten de meeste aandacht genieten. Vrouwen die meer laten zien van henzelf krijgen juist minder aandacht. En worden zelfs als onbetrouwbaar gezien. In het artikel verwijst Nu.nl naar een stuk uit The Daily Telegraph.
Maar het ideale blootgehalte ligt helemaal niet bij 40 procent, maar juist in de groep 40 procent en HOGER. Daarnaast wordt er in de media nergens een woord gerept over de invloed van het dansgedrag van vrouwen.

Geen navraag
De onderzoeker in kwestie, Colin Hendrie, vindt het jammer dat zijn onderzoek zo uit het verband is gerukt. Hij is heel blij met de kans om het weer recht te zetten.
In een email beschrijft hij hoe het nieuws tot stand is gekomen in Groot Brittannië. Hij heeft slechts tien minuten met één reporter van The Daily Mail gesproken, die vervolgens zijn verhaal heeft verdraaid. Daarna is het onderwerp uitgebreid behandeld door verschillende Britse media, maar journalisten hebben nooit meer navraag bij Hendrie gedaan of zijn wetenschappelijke artikel gelezen. In alle berichtgeving is de bijdrage van suggestief dansen genegeerd. Volgens Hendrie is dit juist een belangrijke component geweest van zijn onderzoek.

Ook op in het stuk op Nu.nl, geschreven door Dennis Rijnvis, komt het dansen niet meer aan bod. In zijn toelichting verteld hij dat Nu.nl nieuws graag snel wil brengen en dan vaak niet de tijd neemt om dingen na te lopen. “Je kan er vaak niet meer werk van maken door tijdsdruk, ook al wil je dat wel.” Het wetenschappelijke artikel heeft hij dan ook niet gelezen. “Het is niet mogelijk om op elke wetenschappelijk tijdschrift een abonnement te hebben. Daar hebben we het geld gewoon niet voor.” Maar ook hij heeft Colin Hendrie niet benaderd. Hij geeft toe te kort door de bocht te zijn gegaan met zijn stuk.

Al met al lag de bron van de fout dus bij de journalisten in Groot Brittanie, maar heeft Nu.nl wel de boot gemist door niet grondiger achter de feiten aan te gaan.
Blijkbaar is er nog een flinke taak voor de factcheckers aan de andere kant van het water weggelegd.

Uitgangspunten
RSS
TIP ONS!
  • arbeid (6)
  • archeologie (3)
  • beurshandel (1)
  • biologie (5)
  • cultuur (6)
  • dagelijks leven (25)
  • economie (15)
  • financiën (2)
  • gezondheid (15)
  • journalistiek (3)
  • mediahype (6)
  • medisch (63)
  • milieu (3)
  • misdaad (28)
  • Multicultureel (7)
  • natuur (8)
  • oorlog (2)
  • pedagogiek (9)
  • politiek (9)
  • psychologie (30)
  • Psychopathie (2)
  • religie (5)
  • seksualiteit (5)
  • Slaap (1)
  • Social media (3)
  • Sport (2)
  • Tandheelkunde (4)
  • Technologie (5)
  • uiterlijk en gezondheid (4)
  • Uncategorized (9)
  • verkeer (6)
  • voeding (8)
  • wetenschap (58)
  • Zorg (4)
  • De Nieuwe Reporter
  • Hans van Maanen
  • Journalistiek & Nieuwe Media
  • FHJ Factcheck
  • Regret the Error
  • Snopes